Shakespeare: Al die verschillende Richards

De Grote Acteur

Richard III is waarschijnlijk het meest gespeelde stuk van Shakespeare. Was de koning echt zo kwaadaardig? En waarom kijken we dan met zoveel plezier naar hem?

In Richard III, de veelgeprezen coproductie van Orkater met de Stadsschouwburg Amsterdam, in regie van Matthijs Rümke, waren de bekendste woorden van het toneelstuk niet hoorbaar. Terwijl hij zich volkomen alleen en in de steek gelaten op het slagveld bevond, zwol het trom­geroffel aan totdat het zo luid door de Stadsschouwburg galmde dat je de verloren koning niet eens meer kon horen spreken. Als je kon liplezen, kon je het Richard, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat, wel zien zeggen: ‘Een paard! Een paard! Mijn koninkrijk voor een paard!’ Hoewel het misschien de beroemdste zin uit het oeuvre van William Shakespeare is, is het in feite niet de climax van het stuk – die komt een scène eerder, als koning Richard de avond voor de slag tegen zijn resterende vijanden in zijn tent ligt te slapen, en wordt bezocht door de geesten van alle slachtoffers die hij heeft gemaakt om de troon te mogen bestijgen – zijn broers, zijn neefjes, zijn vrouw, zijn bondgenoten. Al in de droom schreeuwt hij om een nieuw paard – een voorbode – en hij wordt lijkbleek wakker, volledig in het besef dat mocht hij de volgende dag sneuvelen niemand om hem zou treuren, en dat als hij eerlijk is hij ook niet om zichzelf zou rouwen.

Om meer redenen was de coproductie een unicum. Omdat ze een uitgebreide topcast had, omdat de decoropbouw zeldzaam ambitieus was: wanneer een van de personages stierf, en dat doen de personages nogal eens in Richard III, verdwenen ze stilletjes tussen twee wanden door van het podium waartegen tegelijkertijd een enorme zak vuilnis kapot werd geslingerd. Toen het slotapplaus klonk, was het podium een vuilnisbelt.

Natuurlijk ook omdat Richard, hertog van Gloucester, een rol is die op het cv van een topacteur als Scholten van Aschat niet mag ontbreken, een rol die zoveel ruimte voor interpretatie biedt. Hoe anders speelde zijn generatiegenoot Pierre Bokma de rol, die er in 1994 de Louis d’Or voor kreeg: van zijn optreden toen (er is een filmregistratie van) blijft vooral zijn stem je bij. Die verandert soms binnen vijf woorden drie keer van octaaf, zoekend naar een toon waarop hij zijn gesprekspartner het best kan behagen. Hij is vilein maar grappig, alsof hij het ook niet kan helpen dat hij zo kwaadaardig ambitieus is, of beter: zulke ambitieuze kwaadaardigheid heeft.

Bokma’s verschijning was tenger, met een dunne arm die hij als Kaiser Wilhelm steeds uit het zicht in zijn shirt hield. Met de zweetband om zijn hoofd en zijn hooggesloten lange zwarte shirt zag hij eruit als een kruising tussen Christopher Walken aan het einde van The Deer Hunter en de maître d’ van een chique Indonees.

Scholten van Aschat was daarentegen veel lichamelijker, en hij moest wel. Een grote gestalte, die zelfs mank fysiek intimiderend is. In zijn kilt stond hij stampend en dansend voor op het podium, net zozeer wannabe koning als de voorman van een rockband. Want dat was het niet te missen unique selling point: Orkater had de muziek en songteksten van Tom Waits in hun uitvoering verwerkt, afkomstig van zijn toepasselijk getitelde album Blood Money. Richards helpertjes droegen geen zwaarden, maar gitaren. Zijn cynisme resoneerde verder dan het ‘Now is the winter of my discontent’ uit de openingszin naar de lyrics van Waits toe:

The higher that the monkey can climb

The more he shows his tail

Call no man happy till he dies

There’s no milk at the bottom of the pail

Misery’s the river of the world

Everybody row, everybody row.

Zoals we weinig exacte data kennen van Shakespeare’s leven weten we niet wanneer hij het stuk precies schreef. Academici schatten tussen 1590 en 1593. Richard III begint met het einde van de Rozenoorlog en eindigt met het begin van de Tudor-dynastie, op het smeulende slagveld van Bosworth Field, 22 augustus 1485, waar Richard niet weet te ontsnappen (het absente paard) en wordt gedood door de graaf van Richmond van het Huis van Tudor, die nu zelf de kroon krijgt en als Hendrik VII zal gaan regeren. Het is de voltooiing van een spanningsboog die Shakespeare in Henry VI begon, het deel van zijn reeks historische stukken dat aan Richard III voorafging. Hoewel er onder historici vandaag nog debat is over hoe kwaadaardig Richard daadwerkelijk was, en of hij persoonlijk opdracht heeft gegeven voor de verdwijning van zijn jonge, potentieel troon-opvolgende neefjes, ‘the princes in The Tower’, twijfelde Shakespeare’s oorspronkelijke publiek daar niet aan. De Elizabethaanse Engelsen kenden hem niet alleen als de misvormde schurk uit de vroeg-zestiende-eeuwse historische werken van Edward Hall, Polydore Vergil en sir Thomas More, maar ook uit de balladen, preken, toneelstukken, satires en staatspropaganda van de Tudors, wier Hendrik VII naast Richards konings-, kinder- en broedermoord een heroïsche heilige lijkt.

Zijn status als superschurk was zo vanzelfsprekend dat de politieke tegenstanders van de al dan niet eveneens gebochelde lord Robert Cecil, de gevreesde man achter de schermen in koningin Elizabeth’s hofhouding, de vergelijking met Richard gebruikten om Cecil vuil te maken: ‘Richard, or Robert, which is the worse/ A Crooktback great in state is Englands curse.’ Zoals veel van de misdaden op z’n minst zullen zijn aangedikt, zullen zijn fysieke vergroeiingen half verzonnen zijn, de bochel, de mankepoot, de vergroeide arm (hij is ‘onaf’, zegt hij zelf, ‘te vroeg in deze wereld geboren’, de honden blaffen als hij voorbij loopt), in overeenstemming met het vroegmoderne cliché dat het lichaam een uitbeelding is van de ziel.

In het derde deel van Henry VI (akte 3, scène 2), dat door theatermakers vaak naar hun uitvoering van Richard III wordt geïmporteerd, houdt Richard een monoloog waarin hij zijn mismaaktheid vervloekt maar er ook zijn conclusies aan verbindt: als hij niet gemaakt is voor de vreugden van deze aarde, dan zal hij zijn genot in macht moeten zoeken. ‘Since I cannot prove a lover… I am determined to prove a villain.’ Hij is dan nog slechts hertog van Gloucester, nummertje vier in de lijn voor de troon, maar vol vertrouwen over zijn mogelijkheden: hij kan lachen en lachend moorden, ‘Mooi’ roepen bij wat zijn hart grieft, namaaktranen plengen en zijn ‘trekken plooien’ voor elke gelegenheid:

Ik zal meer zeilers verdrinken dan de zeemeermin.

Ik zal meer toekijkers verslaan dan de basilisk.

Ik zal speechen als Nestor,

Sluwer bedriegen dan Odysseus kon,

En als een Sinon een tweede Troje innemen.

Ik kan nog kleuren toevoegen aan een kameleon,

Van vorm veranderen met Proteus als het zo uitkomt,

En de bloeddorstige Machiavelli terug naar school sturen!

Kan ik dit alles doen, vraagt Richard zijn publiek, en geen kroon krijgen?

Precies dit was Shakespeare’s toevoeging aan het personage: waar de sterktes of zwaktes van zoveel andere personages evident waren voor het publiek, dat hen met een gerust hart kon bespotten of uitjouwen om hun lage moraal, was Richard een test voor de moraliteit van het publiek zelf. Vanaf zijn eerste monoloog (Richard III is Shakespeare’s enige stuk dat met een monoloog van de hoofdpersoon begint) verklaart hij niet alleen zijn intenties, hij probeert ook het publiek mee te krijgen, betrekt het als het ware knipogend in zijn complot. Let op, zegt hij, hier komt lady Anne aangelopen: ik heb haar man gedood en dat weet ze, maar toch ga ik haar tot mijn echtgenote maken. Het publiek heeft de voorpret van zijn misdaden: hij kondigt aan wat zijn valstrik is en verdomd, ze lopen erin. Richard verleidt het publiek om zijn kant te kiezen, met humor, met woordgrapjes, met zelfmedelijden en zelffelicitatie. Zijn motivatie voor zijn daden is iets waar wij ons allemaal in kunnen vinden, schreef Freud al: Richard is een vergroting van een gevoel dat we allemaal ergens in ons dragen, ‘we geloven allemaal dat we een reden hebben om te denken dat de natuur te vervloeken is voor aangeboren tekortkomingen; we eisen allemaal reparaties voor vroege wonden aan ons narcisme, onze eigen liefde’.

Dus Anne bespuwt Richard, maar hij houdt vol, vleit en manipuleert zoals geen ander kan – was het niet net zozeer haar schuld dat hij hem had gedood, omdat haar schoonheid hem ertoe had aangezet? Ze zegt dat hij een duivel is, zich alleen in de hel zou thuisvoelen:

Richard: ‘En nóg ergens - mag ik het hardop noemen?’

Anne: ‘Een diepe kerker?’

Richard: ‘Uw slaapkamer.’

Anne: ‘De kamer waar jij slaapt kent, wee! geen rust.’

Richard: ‘Zo is het. Tot ik bij U slaap, mylady.’

– en warempel, ze geeft op en Richard draait zich weer smalend naar de tribune: ‘Was ever woman in this humour wooed?’ Het is niet alleen een overwinning voor Richard, maar ook voor zijn publiek.

Vaak wordt gezegd dat Richard III het meest gespeelde stuk van Shakespeare is, al is niet duidelijk hoe zulks wordt geteld. Door de eeuwen heen zijn er neoklassieke, sentimentalistische, Romantische, Victoriaanse, modernistische en postmoderne uitvoeringen geweest. In eerste instantie gebruikten de nazi’s Richard als symbool voor het falen van het Nordisch potentieel, maar toen antifascisten het stuk gebruikten als toonbeeld van op hol geslagen tirannie werd het verboden. Voordat Orkater van Richard een rockster maakte, maakte Tom Lanoye al een gangster-rapper van hem, Risjaar Modderfokker den Derde, in het taalspektakel Ten Oorlog (1999): ‘Now is the fokking winter van de walg/ gesmolten tot een hotte zotte zomer.’ Waarom zijn er zoveel verschillende Richards mogelijk? Het is een van de vragen die topacteur Al Pacino stelt in zijn amusante documentaire Looking for Richard (1996). Waarom vinden Amerikanen ­Shakespeare zo moeilijk? Hoe leren we zijn taal begrijpen? Moeten we medelijden hebben met Richard? Het is de Al Pacino uit Scent of a Woman en Heat: onrustig, vrolijk, met een springerige uithaal in zijn stem, in plaats van de onderkoelde Pacino uit The Godfather. Hij bezoekt de Londense Tower en het geboortehuis in Stratford upon Avon, interviewt academici, spreekt toevallige voorbijgangers aan op straat en repeteert met een clubje acteurs (onder anderen Kevin Spacey en Alec Baldwin). Een van de heftigste discussies voeren ze over de scène met lady Anne. Het is het ultieme bewijs van zijn kunnen als intrigant, zeggen twee acteurs, om de rouwende weduwe te veroveren. Maar denk je nou echt dat lady Anne niet weet wat er gebeurt? werpt Penelope Allen tegen. Ze is weduwe, afkomstig uit het verliezende kamp van de Rozenoorlog, is Richard geen goede, rijke, veilige partij voor haar? Als ze zo’n haat voor Richard voelt, waarom loopt ze hem dan steeds ‘toevallig’ tegen het misvormde lijf en blijft ze niet verder uit zijn buurt? Bovendien, als iedereen steeds zo makkelijk in de leugens van Richard gelooft, als het zulke goedgelovige sukkels zijn, maakt dat de genialiteit van Richard dan niet veel kleiner?

Het is interessant om dat geloofwaardigheidsvraagstuk te toetsen aan wat de beroemdste _Richard III-_verfilming is, die van Laurence Olivier uit 1954 (die nog prima te verkrijgen is op dvd). Olivier speelde Richard voor het eerst op toneel in 1944 en ging daarna met het stuk op wereldtournee, langs de VS, Australië en Nieuw-Zeeland. Zelden wierp een acteur zo’n schaduw over de generaties na hem, schrijft Shakespeare-professor James R. Siemon in de Arden-uitgave (zeg maar de officiële uitgave) van het stuk. Steeds werden ze aan hem getoetst en te licht bevonden: Alec Guinness (speelde Richard in 1953) was niet zo snerend als Olivier, Marius Goring (1953) niet zo dominant, Christopher Plummer (1961) miste Oliviers dictie en Ian Holm (1963) was slechts ‘een Olivier op zakformaat’. De verfilming begint met de kroning van Henry VI, pracht en praal, juichende menigtes op straat. Nog voordat je hem ook maar een zin hebt horen zeggen zie je Richard al net iets te nadrukkelijk kijken naar het zoontje van de koning, dat de koning vaderlijk op zijn paard tilt, en je weet: dat belooft niets goeds.

Als de troonzaal dan leeg is keert Olivier zich naar de kijker en begint zijn openingsmonoloog, terwijl de camera achter hem beweegt als een hond aan een riempje. Dit ga ik doen, zegt hij, en dit en dit, en let maar eens op. Kijk, daar hebben we Clarence, wiens ziel ik zo lief heb dat ik hem maar vlug naar de hemel stuur. Soms is het over the top, soms ironisch, soms werpt hij midden in een dialoog een steelse blik in de camera, met een zekere autoritaire trilling in zijn stem (zijn lange neus zou zijn gebaseerd op Disney’s Grote Boze Wolf), maar boven alles is het geamuseerd: Olivier toont ‘acting for acting’s sake’.

Dat lijkt de juiste toegang tot het stuk. Naar alle waarschijnlijkheid schreef Shakespeare het met James Burbage (1530/35-1597) in gedachten, de grote acteur van zijn tijd. Want dat is precies wat Richard is: de grote acteur. In een veelzeggende dialoog met zijn kompaan Buckingham legt hij zijn tactiek expliciet uit:

Richard III: Come, cousin, canst thou quake and change thy coulour,

Murder thy breath in the middle of a word,

And then begin again, and stop again,

As if thou wert distraught and mad with terror?

Buckingham: Tut, I can counterfeit the deep ­tragedian,

Speak, and look back, and pry on every side,

Tremble and start at wagging of a straw,

Intending deep suspicion. Ghastly looks,

Are at my service, like enforced smiles,

And both are ready in their offices,

At any time to grace my stratagems.

Dit klinkt bijna als een pastiche van acteren. ‘The deep tragedian.’ Het is een gekke dubbele lading in Oliviers film, dat hoezeer Richard ook acteert, maar heel weinig mensen oprecht in zijn woorden geloven. De koning gelooft hem, maar die is doodziek; Clarence gelooft hem, maar die wordt net door bewakers naar de Tower gebracht. Vooral de vrouwen aan het hof kijken door zijn zoete vleierij heen, wantrouwen hem instinctief, terwijl de mannen in de eerste plaats hun eigen politieke belangen hebben om Richard te volgen. Als hij een meester is in bedrog, dan is de rest meester in zelfbedrog. Zelfs de prinsjes zijn terughoudend als oom Richard zegt dat ze lekker even naar de Tower moeten gaan, om een dag of twee goed uit te rusten.


Orkaters Richard III is van 29 augustus t/m 1 september exclusief te zien in de Rotterdamse Schouwburg, www.rotterdamseschouwburg.nl