Goldman Sachs verkoopt stront

De Grote Amerikaanse Bubbel Machine

De Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs ligt in Europa onder vuur, omdat die eerst tien jaar Griekenland hielp zijn begroting te vervalsen en vervolgens klanten hielp speculeren op een Grieks staatsfailliet. Ook in de VS is de bank mikpunt van kritiek vanwege zijn cynische rol in de hypotheekcrisis en de krankzinnige winsten die hij boekte terwijl belastinggeld de financiële sector van de totale instorting moest behoeden. Dat Goldman Sachs zo nadrukkelijk in de beklaagdenbank zit is geen toeval, want de bank orkestreerde elke grote marktmanipulatie sinds de Grote Depressie. Het draaiboek is steeds hetzelfde: een bubbel opblazen, rotzooi verpakken als prachtige investeringen, daarmee geld wegscheppen bij de midden- en onderklasse, en snel wegwezen als de bubbel klapt. De innige verweving met de Amerikaanse politiek maakt dat Goldman overal mee wegkomt – en ze blazen de volgende bubbel al weer op.

Het eerste wat je moet weten over Goldman Sachs: hij zit overal. ’s Werelds machtigste investeringsbank is als een enorme vampierinktvis die zich rond het gezicht van de mensheid heeft gewikkeld en meedogenloos zijn bloedtrechter ramt in alles wat naar geld ruikt. Het verhaal van de recente financiële crisis, dat tegelijk fungeert als het verhaal van de neergang en val van het plotseling leeggestolen Amerikaanse imperium, leest als een smoelenboek van Goldman Sachs-alumni.
De belangrijkste spelers zijn inmiddels bekende namen. Henry Paulson, de laatste minister van Financiën onder George Bush, was een voormalig bestuursvoorzitter van Goldman. Hij was de architect van het eerste reddingsnet dat de regering-Bush uitwierp, een krachtig naar eigenbelang riekend plan om biljoenen dollars over te hevelen van Amerikaanse burgers naar zijn oude vrienden op Wall Street. Robert Rubin, voormalig minister van Financiën van Bill Clinton, zat 26 jaar bij Goldman voordat hij voorzitter werd van de bank Citigroup – die op zijn beurt driehonderd miljard dollar belastinggeld toegeschoven kreeg onder Paulsons plan.
We hebben John Thain, de hufterige directeur van Merrill Lynch, die voor 87.000 dollar een wand-tot-wand-tapijt kocht voor zijn kantoor terwijl zijn bank in elkaar stortte. Thain, een voormalig Goldman-bankier, kreeg miljarden toegestopt door Paulson, die ook nog eens miljarden dollars aan belastinggeld gebruikte om Bank of America te helpen bij de redding van Thains miserabele bedrijf. En voormalig Goldman-man Robert Steel, directeur van de bank Wachovia, maakte zich meester van 225 miljoen dollar aan gouden handdrukken voor zichzelf en zijn collega-directieleden terwijl zijn bank zichzelf de nek omdraaide.
Dan is er nog Joshua Bolten, Bush’s stafchef tijdens de reddingsoperatie. En Mark Patterson, de huidige stafchef van het ministerie van Financiën – ondanks Obama’s belofte om de invloed van lobbyisten te breken – die een jaar voor de bailout nog een Goldman-lobbyist was.

Maar elke poging om een verhaal te construeren rond alle voormalige Goldmanieten op invloedrijke posities loopt al snel uit op een absurde en zinloze exercitie, zoiets als een poging een lijst op te stellen van alles. Veel belangrijker is het grotere plaatje. Als Amerika rond een afvoerputje draait, dan heeft Goldman Sachs een manier gevonden om dat afvoerputje te zijn – een extreem ongelukkige maas in de wetten van het westerse democratische kapitalisme. Dat systeem heeft nooit voorzien dat in een samenleving die beheerst wordt door vrije markten en vrije verkiezingen, georganiseerde hebzucht altijd de ongeorganiseerde democratie verslaat.
Door zijn ongekende bereik is de bank in staat geweest heel Amerika te veranderen in een gigantisch oplichtingsspel van oppompen-en-dumpen, waarbij Goldman hele economische sectoren jaren achtereen manipuleert, het gokspel verplaatst als deze of gene markt instort, zich voortdurend volschranst met de ongeziene kosten die overal gezinnen opbreken – hoge benzineprijzen, stijgende rentes op consumentenkrediet, half opgegeten pensioenfondsen, massaontslagen, toekomstige belastingverhogingen om de bailouts te betalen. Al het geld dat Amerikanen en Europeanen verliezen gaat ergens naartoe, zowel in letterlijke als figuurlijke zin. En Goldman Sachs is waar het naartoe gaat.
Het draaiboek hiervoor is telkens hetzelfde. De formule is eenvoudig: Goldman positioneert zich in het midden van een speculatieve zeepbel en verkoopt beleggingen waarvan de bank weet dat ze rotzooi zijn. En dan scheppen ze enorme bedragen uit de midden- en onderlagen van de samenleving weg met hulp van een disfunctionele en corrupte staat, die Goldman toestaat om de regels in zijn voordeel aan te passen in ruil voor magere centen die de bank aan politieke patronage spendeert. Ten slotte, wanneer alles in elkaar klapt en miljoenen gewone burgers platzak en werkloos zijn, beginnen ze weer opnieuw, zich opwerpend als nobele redders door ons eigen geld aan ons terug te lenen tegen rente, terwijl ze zichzelf presenteren als mannen boven hebzucht verheven – enkel een stel slimme jongens die de wielen ingevet houden. Deze stunt hebben ze telkens weer weten te flikken sinds de jaren twintig van de vorige eeuw – en nu bereiden ze zich voor op het creëren van wat de grootste en meest gedurfde bubbel ooit kan worden.

Wie wil begrijpen hoe we in de huidige financiële crisis terechtkwamen, moet eerst begrijpen waar al het geld naartoe ging – en om dat te begrijpen, moet je weten waar Goldman allemaal mee weg is gekomen. Het is een geschiedenis van vier bubbels. Er waren veel verliezers bij het klappen van elk van deze bubbels en bij de reddingsoperaties die daarop volgden. Maar Goldman was daar nooit een van. >
Bubbel nr. 1:
technologie-aandelen
Goldman is huisbankier van de machtigste en rijkste bedrijven van Amerika. Dankzij Sidney Weinberg, die opklom van assistent-conciërge tot directeur, werd hij de pionier van de beursgang, een van de belangrijkste methoden voor bedrijven om aan geld te komen. Goldman was tijdens de jaren zeventig en tachtig nog niet de planeet-etende Ster des Doods van politieke invloed die hij nu is, maar het was al een topbank, die de meest getalenteerde bankiers trok. Hij had ook, vreemd genoeg, de naam relatief ethisch en geduldig te zijn en snelle winsten te mijden; de bestuurders werkten onder de mantra van de onderneming: long-term greedy.
Maar toen gebeurde er iets. Het is moeilijk te zeggen wat, maar misschien lag de kiem er wel in dat Goldmans mededirecteur Robert Rubin begin jaren negentig Bill Clinton volgde naar het Witte Huis, eerst in de directie van de Nationale Economische Raad en later als minister van Financiën. De media vielen ook als een blok voor Rubin, die werd opgehemeld als zonder twijfel de slimste persoon die ooit op Aarde rondliep.
Rubin was het prototype van de Goldman-bankier, waarschijnlijk geboren in een vierduizend dollar kostend pak, zijn permanente sorry-dat-ik-zoveel-slimmer-ben-glimlach en een even emotioneel-neutrale uitstraling als Spock. Rubin meende vooral dat de Amerikaanse economie, met name de financiële markten, overgereguleerd waren en bevrijd moesten worden. Onder zijn aansturing nam het Witte Huis een serie stappen die dramatische gevolgen zouden hebben voor de wereldeconomie – te beginnen met de complete nalatigheid van Rubin om zijn oude onderneming te reguleren bij haar eerste wilde stampij naar obscene kortetermijnwinsten.
De standaardzwendel in het internettijdperk is vrij eenvoudig. Bedrijven die niet veel meer waren dan wiet-geïnspireerde tienerideeën werden naar de beurs gebracht, gehypet in de media en aan het publiek verkocht voor megamiljoenen. Het was alsof Goldman en andere banken linten om watermeloenen wikkelden, ze van de vijftigste verdieping wierpen en de telefoonlijnen openzetten voor biedingen. In dat spel was je alleen een winnaar als je er je geld uithaalde voor de meloen de stoep raakte.
Achteraf is het doorzichtig, maar destijds wist de gemiddelde belegger niet dat de banken vals spel speelden. Zij hadden namelijk een tweesporensysteem opgezet – één spoor voor insiders die de reële cijfers kenden, en een ander spoor voor lekeninvesteerders die werden aangemoedigd om de irrationeel hoge prijzen na te jagen. Later zou Goldman vooral profiteren van nieuwe regelgeving, zijn belangrijkste innovatie in het internettijdperk om de kwaliteitsnormen van de bankindustrie te laten varen. ‘Sinds de Grote Depressie hanteerden Wall Street-banken strenge richtlijnen bij beursgangen’, zegt een prominente hedge-fund-manager. ‘Het bedrijf moest al minimaal vijf jaar bestaan en moest drie opeenvolgende jaren winstgevend zijn geweest. Nu smeet Wall Street die richtlijnen in de prullenbak.’ Goldman voltooide het werk door de schijnaandelen op te pompen: ‘Hun analisten liepen daar te verkondigen: “Bullshit.com is honderd dollar waard per aandeel.”’
Jay Ritter, hoogleraar financiën aan de Universiteit van Florida, bevestigt dat banken als Goldman hun kwaliteitsnormen lieten varen tijdens de internetjaren en dat ze prima wisten dat de bedrijven die ze naar de beurs brachten geen dubbeltje zouden opbrengen. Ritter: ‘Ze eisten tijdens de internetbubbel niet eens meer winstgevendheid in de nabije toekomst.’
Goldman ontkent dat de bank zijn kwaliteitsnormen veranderde tijdens de internetjaren, maar zijn eigen statistieken spreken dat tegen. Van de 24 bedrijven die de bank in 1997 naar de beurs bracht, draaide een derde verlies op het ogenblik van de beursgang. In 2000 waren veertien van de achttien bedrijven die Goldman introduceerde op de beurs verliesgevend.
Wat verder opvalt, is dat de winsten bij de beursgangen die Goldman regisseerde veel grilliger waren dan die van zijn concurrenten. In 1999 sprongen aandelen na een Goldman-beursgang gemiddeld naar 281 procent boven de intekenprijs, tegen een Wall Street-gemiddelde van 181 procent. Hoe bereikte Goldman dat? Een van de redenen is ‘ladderen’, een sjiek woord om te zeggen dat ze de koers van nieuwe aandelen manipuleerden door klanten aandelen te laten kopen onder de openingsprijs in ruil voor de belofte dat zij later meer aandelen zullen kopen als het aandeel geïntroduceerd is – een vrijwel waterdichte garantie dat de koers inderdaad zal stijgen. Goldman werd achteraf meermalen aangeklaagd voor deze praktijk. Het bestaan daarvan wordt ook bevestigd door Nicholas Maier, destijds syndicaatmanager bij hedgefonds Cramer & Co. ‘Op basis van wat ik heb gezien, was Goldman de ergste overtreder’, zei Maier. ‘Ze wakkerden de bubbel enorm aan, precies het soort gedrag dat ervoor zorgde dat de markt in elkaar stortte. Ze bouwden aandelen op een illegaal fundament. En uiteindelijk was het de kleine man die zijn geld erin stak.’ In 2005 ging Goldman akkoord met een boete van veertig miljoen dollar wegens ‘ladderen’ – een piepkleine straf afgezet tegen de enorme winsten die de bank had geboekt. (Goldman heeft schuld ontkend bij alle schikkingen die de bank heeft getroffen en weigerde te antwoorden op vragen voor dit verhaal.)

Een andere praktijk waar Goldman zich tijdens de internetbubbel mee inliet was ‘spinnen’, beter bekend als omkoping. De investeringsbank bood directeuren van een nieuw beursgenoteerd bedrijf aandelen in hun eigen bedrijf onder de intekenprijs, in ruil voor toekomstige investeringsdeals. Volgens een rapport uit 2002 van de Commissie voor Financiën van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden gaf Goldman aandelendeals aan directeuren van 21 bedrijven die de bank naar de beurs bracht, waaronder twee van de grote glibberige schurken van het tijdperk der financiële schandalen – Tyco’s Dennis Kozlowski en Enrons Ken Lay. Goldman veroordeelde het rapport boos als ‘een grove verdraaiing van de feiten’ – kort voordat hij 110 miljoen dollar betaalde aan toezichthouders om te ontkomen aan een onderzoek door de staat New York naar spinnen en andere manipulaties.
Dergelijke praktijken maakten van de internetbubbel een van de grootste financiële rampen in de wereldgeschiedenis: alleen al op de Nasdaq-beursindex werd zo’n vijf biljoen dollar weggevaagd. Maar het werkelijke probleem was niet het geld dat aandeelhouders verloren, het was het geld dat werd verdiend door zakenbankiers, die flinke bonussen ontvingen voor knoeien met de markt. In plaats van Wall Street in te wrijven dat bubbels altijd leeglopen, maakten de internetjaren aan bankiers duidelijk dat bubbels ongelooflijk makkelijk zijn op te blazen in het tijdperk van vrij stromend kapitaal en openbare financiële ondernemingen, en dat individuele bonussen groter worden als de manie en de irrationaliteit toenemen.
Nergens gold dit meer dan bij Goldman. Tussen 1999 en 2002 betaalde de bank 28,5 miljard dollar aan loon en bonussen – gemiddeld zo’n 350.000 dollar per jaar per werknemer. Die getallen zijn belangrijk, want de belangrijkste erfenis van de internetbubbel was dat de economie nu grotendeels gedreven werd door het najagen van de enorme salarissen en bonussen die dergelijke bubbels mogelijk maken. Goldmans mantra van ‘langetermijnhebzucht’ maakte plaats voor uitbetaald krijgen vóór de meloen de stoep raakte.
De markt was niet langer een rationeel beheerde plek om echte, winstgevende bedrijven op te laten komen: het was een grote oceaan van Andermans Geld waar bankiers reusachtige bedragen binnenharkten, wat daar ook voor nodig was, en probeerden om dat geld zo snel mogelijk om te zetten in bonussen en uitbetalingen. Als je vijftig internetbedrijven de beurs op ladderde en spon en ze allemaal binnen een jaar op de fles gingen, wat dan nog? Tegen de tijd dat de beurswaakhond je bedrijf 110 miljoen dollar boete oplegde, was het jacht dat je met de bonussen had gekocht al zes jaar oud. Trouwens, je was waarschijnlijk al lang bij Goldman weg: baas op het ministerie van Financiën, bijvoorbeeld, of gouverneur van New Jersey. (De laatste zat bij Goldman van 1994 tot 1999, vertrok met 320 miljoen aan opties, en zei in 2002: ‘Ik heb de term “ladderen” zelfs nog nooit gehoord.’)
Voor een bank die zeven miljard dollar per jaar betaalde aan salarissen was een boete van 110 miljoen dollar een half decennium na dato niet afschrikwekkend – het was lachwekkend. Toen de internetbubbel uiteenspatte, had Goldman geen reden om te twijfelen aan de wijsheid van de nieuwe, winstgedreven strategie; de bank zocht gewoon een andere bubbel om op te blazen. Er was er direct een voorhanden, zo bleek, grotendeels dankzij Rubin.

Bubbel nr. 2: de huizengekte
Goldmans rol in de wereldwijde ramp waar de huizenbubbel op uitliep is niet moeilijk te traceren. De basistruc was hetzelfde als bij de internetbubbel: banken lieten hun kwaliteitsnormen los, in dit geval niet die voor beursintroducties maar voor het verstrekken van hypotheken. Aan het begin van het nieuwe millennium begonnen ze op servetten hypotheken uit te schrijven aan barmeisjes en ex-criminelen met vijf dollar en een Snickers-reep op zak. Niets van dat alles was mogelijk geweest zonder zakenbankiers zoals die van Goldman, die producten verzonnen om die troephypotheken in te pakken en ze massaal te verkopen aan nietsvermoedende verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen.
Goldman gebruikte twee methoden om de rotzooi te verbergen die ze verkochten. Ten eerste bundelden ze honderden verschillende hypotheken samen en noemden ze Collateralized Debt Obligations (cdo’s). Die verkochten ze aan beleggers met het idee dat veel van die hypotheken wel afbetaald zou worden en er dus geen reden was om zich zorgen te maken over de rest: de cdo als geheel was oké. Ten tweede, als tegenwicht voor zijn eigen risico’s, kreeg Goldman verzekeraars als aig zo ver om verzekeringen af te sluiten op de cdo’s – financiële producten die credit-default swaps werden genoemd. Dat waren in wezen weddenschappen tussen aig en Goldman: Goldman wedde erop dat de ex-criminelen in gebreke zouden blijven, aig dat ze zouden betalen.
Er was alleen een probleem: al dit soort financiële vrijbuiterij met zogenoemde derivaten was precies het soort gevaarlijke speculaties die federale regelgevers in toom moesten houden omdat ze al een aantal financiële rampen en faillissementen hadden veroorzaakt. Een rapport van de Amerikaanse Rekenkamer raadde dat jaar aan om derivaten streng te reguleren.
Meer regulering was niet precies wat Goldman in gedachten had. ‘De banken worden gek – ze willen het van tafel’, zei Michael Greenberger, destijds directeur Handel en Markten bij Handelwaakhond cftc en nu hoogleraar rechten aan de Universiteit van Maryland. En toen, in 2000, nam het parlement op de laatste zittingsdag de inmiddels beruchte Commodity Futures Moderniserings Wet aan. Er was vrijwel geen debat over op de Senaatsvloer. Banken waren nu vrij om zonder enige belemmering in derivaten te handelen.
Dat was niet het einde van het verhaal. Verzekeraar aig was diep in het derivaatproduct credit-default swaps gedoken, en vroeg in 2000 aan het agentschap voor verzekeringen van de staat New York toestemming om die swaps officieel ‘verzekeringen’ te mogen noemen. Het agentschap werd op dat moment gerund door ene Neil Levin, een voormalige vice-president van Goldman. Hij gaf niet alleen aig zijn zin, maar besloot ook om de handel in swaps geheel vrij te houden van regulering. Totaal vrij om zoveel hypotheekbeleggingen en verzekeringen daarop uit te geven, werd Goldman helemaal gek. Tijdens de piek van de huizenbubbel in 2006 had Goldman 76,5 miljard dollar uitgeschreven aan derivaatproducten op basis van hypotheken, vaak aan institutionele beleggers zoals pensioen- en verzekeringsmaatschappijen. Maar een derde van Goldmans derivaten was subprime, oftewel op basis van hypotheken met een hoog risico dat ze niet zouden worden afbetaald. In het wijde landschap van financiële producten op basis van onroerend goed waren uitgestrekte moerassen van stront.
Neem uitschrijving GSAMP Trust-2006-S3, ter waarde van 494 miljoen dollar. Een groot deel bestond uit tweede hypotheken op één huis. Het gemiddelde kapitaal dat de leners meebrachten was 0,71 procent. Bovendien was er bij 58 procent van de leningen weinig tot geen documentatie – geen naam van de lener, geen adres van het huis, enkel postcodes. Toch beoordeelden de twee grote rating-bureaus, Moody’s en Standard & Poor’s, 93 procent van de uitschrijving als ‘kredietwaardig’. Moody’s verwachtte dat minder dan tien procent van de leningen in gebreke zou blijven. In werkelijkheid gingen bijna dubbel zo veel leners onderuit binnen anderhalf jaar. Niet dat Goldman zelf enig risico liep. De bank nam al die afschuwelijke, volstrekt onverantwoorde hypotheken aan van bedrijven en deed al die tijd alsof het geen waardeloze paardenstront was. Maar hij nam tegelijkertijd short-posities in op dezelfde markt, in wezen weddenschappen tegen de stront die ze zelf verkochten. Erger nog, Goldman schepte er openlijk over op. ‘De hypotheeksector blijft onder druk staan’, zei David Viniar, chief financial officer van de bank, in 2007. ‘Daarom hebben we langetermijnverwachtingen omlaag geschroefd. Maar omdat we hadden ingeschat dat deze markt zou dalen en hierop hadden ingezet, was onze nettopositie winstgevend.’ Met andere woorden, de hypotheken die Goldman verkocht waren voor sukkels. Het echte geld zat in wedden tegen diezelfde hypotheken. ‘Zoveel lef hebben die klootzakken’, zegt een hedgefondsmanager. ‘Bij andere banken kon je tenminste zeggen dat ze gewoon dom waren – ze geloofden in wat ze verkochten, en ze werden erdoor opgeblazen. Bij Goldman wisten ze wat ze deden.’ Ik vraag de manager hoe het kan dat iets verkopen waar je zelf tegen wedt – vooral als je meer weet dan je klanten over de zwakte van het product – niet neerkomt op fraude. ‘Dit is precies fraude’, zegt hij. ‘Dit is de kern van frauduleuze effectenhandel.’
Achteraf waren veel gedupeerde investeerders het daarmee eens. In een virtuele herhaling van de beursganggekte tijdens de internetbubbel werd Goldman na de ineenstorting van de huizenmarkt doelwit van een golf van rechtszaken. In vele zaken werd Goldman aangeklaagd wegens het verzwijgen van relevante informatie over de kwaliteit van de hypotheken waar hun derivaten op gebaseerd waren. De staat New York klaagde Goldman en 25 andere verzekeraars aan voor de verkoop van waardeloze bundels Countrywide-hypotheken aan pensioenfondsen van de stad en de staat, die er honderd miljoen dollar op verloren. Massachusetts nam Goldman onder de loep voor soortgelijke zaken, namens 714 slachtoffers. Maar opnieuw kwam Goldman er zonder schrammetje vanaf door akkoord te gaan met een schikking van een schamele zestig miljoen dollar – ongeveer wat de derivaatdivisie van de bank tijdens de huizenbubbel in anderhalve dag verdiende.

De gevolgen van de vastgoedbubbel zijn bekend – het leidde tot de ineenstorting van de banken Bear Stearns en Lehman Brothers en van verzekeraar aig, waarvan de giftige derivaatportefeuille grotendeels bestond uit de weddenschappen die banken als Goldman afsloten tegen hun eigen hypotheekportefeuilles. Van de reusachtige bailout met belastinggeld die vervolgens naar aig ging, eindigde minstens dertien miljard dollar in Goldmans zak. Dat betekende dat de bank tweemaal geld maakte uit de huizenbubbel: Goldman naaide de investeerders die zijn paardenstrontderivaten kochten door tegen zijn eigen schijtproduct te wedden, en wendde zich toen tot de belastingbetaler om zich voor diezelfde weddenschappen te laten uitbetalen. En wederom: terwijl de wereld instortte rondom de bank zorgde Goldman ervoor dat het er prima toeven bleef wat loon betreft. In 2006 sprongen de loonuitgaven naar 16,5 miljard dollar – een gemiddelde van 622.000 dollar per werknemer. Een Goldman-woordvoerder legde uit: ‘We werken hier heel hard.’
Maar het mooiste moest nog komen. Waar het leeglopen van de huizenmarktbubbel maakte dat het grootste deel van de financiële wereld naar de uitgang vloog, of naar de gevangenis, zette Goldman brutaal dubbel in – en creëerde daarmee bijna eigenhandig nog een zeepbel, eentje waarvan de wereld nog steeds nauwelijks weet dat de bank er iets mee te maken had.

Bubbel nr. 3: olie
Begin 2008 was de financiële wereld in rep en roer. Wall Street had de voorgaande tweeënhalve decennia doorgebracht met het produceren van het ene schandaal na het andere en dat liet weinig handel over die nog onbesmet was. De termen risico-obligatie, beursgang, subprime-hypotheek en andere ooit gewilde financiële producten werden nu door het publiek geassocieerd met oplichting; termen als credit swaps en cdo’s stonden op het punt zich daarbij te voegen. De kredietmarkten waren in crisis, en de mantra die de fantasie-economie had ondersteund tijdens de Bush-jaren – het idee dat huizenprijzen nooit dalen – was nu een volledig ontplofte mythe. Wall Street stond te springen om nieuwe onzin om te verkopen.
Wat nu? Met een bevolking die haar geld niet meer wilde steken in iets wat fictief leek, verhuisde Wall Street het casino stilletjes naar de grondstoffenmarkt – dingen die je kon aanraken: maïs, koffie, cacao, tarwe. En vooral olie. Het samenspel van een dalende dollar, de kredietcrisis en de huizenmarkt-crash veroorzaakte een ‘vlucht naar grondstoffen’. Vooral termijncontracten in olie schoten omhoog en de prijs van een vat steeg van rond de zestig dollar halverwege 2007 tot een piek van 147 dollar in de zomer van 2008.
De algemeen aanvaarde verklaring voor de prijsstijging was dat de wereldwijde olievoorziening in de problemen was. Maar dat was een leugen. Hoewel de olieaanvoer ooit zal opdrogen, was ze het halfjaar voor de prijsstijging zelfs licht toegenomen. In dezelfde periode daalde wereldwijd de vraag naar olie juist. Naar klassieke economische wetten zouden de prijzen aan de pomp dus hebben moeten dalen in plaats van stijgen. Dus wat veroorzaakte de enorme piek in olieprijzen? Doe een wilde gok.
Natuurlijk kreeg Goldman hulp – er waren meer speculanten in de grondstoffenmarkt – maar de hoofdoorzaak lag bij een paar machtige actoren die vastbesloten waren om de eens solide markt om te zetten in een speculatief casino. Goldman deed dat door pensioenfondsen en andere grote institutionele beleggers ervan te overtuigen te investeren in olie-futures – afspraken om in de toekomst olie te kopen tegen een bepaalde prijs. Dit offensief transformeerde olie van een grondstof, strak aan de teugels van vraag en aanbod, tot iets om op te wedden, zoals aandelen. Tussen 2003 en 2008 steeg de hoeveelheid speculatief geld in grondstoffen van dertien miljard naar 317 miljard dollar, een stijging van 2300 procent. In 2008 werd een vat ruwe olie gemiddeld 27 keer verhandeld voor het daadwerkelijk werd geconsumeerd.
Zoals zo vaak was er een tijdens de Grote Depressie aangenomen wet om precies dit soort zaken te voorkomen. De grondstoffenmarkt was grotendeels in het leven geroepen om boeren te beschermen. In 1936 had het Congres besloten dat er nooit méér speculanten in de grondstoffenmarkt moesten zijn dan echte producenten en consumenten, omdat anders prijsmanipulaties zouden plaatsvinden. Een nieuwe wet riep handelswaakhond cftc in het leven – de instantie die later vergeefs zou proberen om derivaathandel te reguleren – om de speculatieve handel in grondstoffen aan banden te leggen. Door deze wet heerste ruim een halve eeuw vrede en harmonie in de grondstofmarkten.
Dat alles veranderde in 1991 toen zonder medeweten van bijna iedereen in de wereld het grondstoffenhandelsbedrijf J. Aron, dat eigendom was van Goldman, de cftc aanschreef met een merkwaardig argument. Niet alleen boeren moesten worden beschermd op de grondstoffenmarkt, voerde Goldman aan, ook Wall Street-dealers die grote weddenschappen afsloten op de olieprijs moesten hun risico’s kunnen afdekken, want, nou ja, zij hadden ook een hoop te verliezen. Dit was volslagen onzin – de wet uit 1936 was speciaal ontworpen om onderscheid te maken tussen enerzijds mensen die tastbare dingen maken en gebruiken en anderzijds mensen die enkel in papier handelen. Maar verbijsterend genoeg ging de cftc overstag. Ze gaf een zogenaamde ‘Bonafide Hedging’-vrijstelling uit, waardoor Goldmans dochteronderneming aan vrijwel alle beperkingen op prijsspeculatie ontkwam. In de daaropvolgende jaren zou de Commissie aan nog veertien bedrijven stilletjes dergelijke vrijstellingen uitschrijven.
Goldman en andere banken waren nu vrij om investeerders de grondstoffenmarkt binnen te trekken, waardoor speculanten steeds grote weddenschappen konden plaatsen. Het verzoek van Goldman uit 1991 leidde uiteindelijk tot de oliebubbel in 2008, toen de hoeveelheid speculanten in de markt – daarheen gedreven door de dalende dollar en de huizenmarktcrash – uiteindelijk de werkelijke leveranciers en consumenten overweldigde. In 2008 was minstens driekwart van de activiteit op grondstoffenbeurzen speculatief. Tegen het midden van 2008 betaalden Amerikanen aan de pomp bijna twee keer zo veel als in de zomer ervoor.
De Goldman Sachs Grondstoffen Index werd de plaats waar pensioenfondsen, verzekeraars en andere institutionele beleggers konden inzetten op grondstoffenprijzen. Daar zaten een paar haken en ogen aan. Een was dat index-speculanten vrijwel altijd op lange termijn inzetten en bijna nooit gokken op prijsdaling. Dat is heel mooi voor een beurs, maar het is vreselijk voor grondstoffen, omdat het voortdurend de prijzen omhoogduwt. Wat de zaak verder compliceerde was dat Goldman met man en macht probeerde om de olieprijzen omhoog te schreeuwen. Goldman-analisten voorspelden allerlei problemen met de olieaanvoer, waardoor olieprijzen naar tweehonderd dollar per vat zouden gaan. In wat nu een pijnlijk bekend patroon was, raakte de oliemeloen de stoep in de zomer van 2008. Wederom verdampte een enorme hoeveelheid waarde; olieprijzen kelderden van 147 naar 33 dollar. Opnieuw waren gewone mensen de grote verliezers. De gepensioneerden wier fondsen in deze onzin hadden geïnvesteerd werden weggeblazen: zo had CalPERS, het pensioenfonds van Californische ambtenaren, 1,1 miljard dollar in grondstoffen gestopt toen de crash kwam.

Bubbel nr. 4:
overheidssteun afromen
Na het uiteenspatten van de oliezeepbel was er geen nieuwe bubbel om de zaak te laten snorren – ditmaal leek het geld echt weg. Dus verplaatste de financiële safari zich ergens anders heen, en het grote wild in de jacht werd de enige berg dom, onbewaakt kapitaal die nog over was om van te schransen: belastinggeld. Hier, bij de grootste financiële reddingsoperatie uit de geschiedenis, begon Goldman Sachs zijn spieren werkelijk te spannen.
Het begon in september 2008, toen de voormalige Goldman-topman en toenmalige minister van Financiën Paulson een gedenkwaardige reeks beslissingen nam. Hoewel hij al de redding van zakenbank Bear Stearns op touw had gezet, koos Paulson ervoor om Lehman Brothers – een van de laatste echte concurrenten van Goldman – in elkaar te laten storten zonder interventie. Letterlijk de volgende dag gaf Paulson het groene licht voor een enorme, 85 miljard dollar kostende bailout van aig, dat onmiddellijk dertien miljard dollar terugbetaalde dat het schuldig was aan Goldman.
Onmiddellijk na de redding van aig kondigde Paulson zijn federale reddingsoperatie aan voor de financiële sector, een zevenhonderd miljard dollar kostend plan genaamd Troubled Asset Relief Program (tarp), en schoof een voorheen onbekende 35-jarige Goldman-bankier genaamd Neel Kashkari naar voren om dat geld te beheren. Om in aanmerking te komen voor bailout-geld kondigde Goldman aan dat hij zich van investeringsbank omvormde tot een bank-holding. Dit gaf Goldman niet alleen toegang tot tien miljard dollar aan tarp-geld, maar ook tot een heel melkwegstelsel aan minder opvallende overheidsfondsen – niet in het minst de mogelijkheid om te lenen bij het kortingsloket van de centrale bank. Binnen een half jaar had de Fed minstens 8700 miljard dollar aan leningen uitgegeven of gegarandeerd tijdens een reeks nieuwe bailout-programma’s – en dankzij een obscure wet die ervoor zorgt dat de Fed controle door het Congres grotendeels kan tegenhouden, zijn zowel de bedragen als de ontvangers van die gelden volledig geheim.
Het converteren naar een bank-holding gaf Goldman meer voordelen: Goldmans primaire toezichthouder was nu de centrale bank van de staat New York, de New York Fed, waarvan de voorzitter destijds Stephen Friedman was, een voormalig bestuursvoorzitter van Goldman Sachs. Friedman schond de regels van de Fed door in de bestuursraad van Goldman te blijven, zelfs toen hij geacht werd toezicht te houden op de bank. Om van het probleem af te zijn vroeg hij, en kreeg, vrijstelling van de overheid. Friedman werd ook geacht om zijn Goldman-aandelen te verkopen toen hij technisch gezien toezichthouder werd, maar dankzij de vrijstelling mocht hij 52.000 extra aandelen kopen, waardoor hij drie miljoen dollar rijker werd.
De gezamenlijke boodschap van dit alles – de redding van aig, de snelle goedkeuring van zijn conversie naar bank-holding, de tarp-fondsen – is dat als het om Goldman Sachs gaat er geen vrije markt bestaat. Want hier komt de echte grap. Na een grote rol te hebben gespeeld bij vier historische financiële rampen, na assistentie te hebben verleend bij het verdampen van vijfduizend miljard dollar op de beurs, na het verpanden van duizenden giftige hypotheken aan gepensioneerden en steden, na eraan te hebben bijgedragen dat benzine dubbel zo duur werd, na het veiligstellen van tientallen miljarden belastingbetalerdollars tijdens een reeks reddingsplannen onder toezicht van zijn voormalige bestuursvoorzitter – wat gaf Goldman Sachs terug aan de bevolking van de Verenigde Staten in 2008? Veertien miljoen dollar.
Dat is wat de firma in 2008 aan belastingen betaalde, wat neerkomt op een belasting van één, geloof het of niet, één procent. De bank betaalde tien miljard dollar aan loon en bonussen in datzelfde jaar en maakte ruim twee miljard dollar winst – maar betaalde de schatkist minder dan een derde van wat hij overhevelde aan bestuursvoorzitter Lloyd Blankfein, die in 2008 42,9 miljoen dollar opstreek.
Hoe is dit mogelijk? Volgens Goldmans jaarverslag zijn de lage belastingen grotendeels het gevolg van veranderingen in de ‘geografische inkomensmix’ van de bank. Met andere woorden, de bank schoof haar geld heen en weer, zodat de meeste winst werd gemaakt in landen met lage belastingtarieven. Dit zou voor massale woede moeten zorgen – maar eigenlijk zei niemand wat toen Goldman zijn belastingaangifte indiende. Een van de weinige opmerkingen over deze obsceniteit kwam van afgevaardigde Lloyd Doggett, een Democraat uit Texas. ‘Terwijl de rechterhand bedelt om reddingsgeld’, zei hij, ‘verbergt de linkerhand het over de grens.’

Bubbel nr. 5: klimaatverandering
Spoel door naar 2010. In het Witte Huis zetelt Barack Obama, een populaire jonge politicus wiens grootste privé-donor tijdens de verkiezingscampagne een investeringsbank was die Goldman Sachs heet – zijn werknemers betaalden 981.000 dollar aan zijn campagne. Nadat hij foutloos door het politieke mijnenveld van het bailout-tijdperk is genavigeerd, is Goldman terug bij zijn oude beroep: mazen zoeken in de wetten van een nieuwe door de regering gecreëerde markt, met steun van een nieuwe reeks alumni op sleutelposities in de regering.
Henry Paulson en Neel Kashkari zijn verdwenen; in hun plaats zijn stafchef van het ministerie van Financiën Mark Patterson en cftc-baas Gary Gensler gekomen, beiden voormalige Goldman-bankiers. In plaats van derivaten of olie-termijncontracten heet de volgende bubbel ‘emissiehandel’ – een bloeiende biljoenenmarkt die nog nauwelijks bestaat, maar snel werkelijkheid zal zijn als de Democratische Partij erin slaagt om een baanbrekende nieuwe bubbel in het leven te roepen, vermomd als een ‘milieuplan’, genaamd handel in uitstootrechten. De nieuwe koolstof-kredietmarkt is vrijwel een herhaling van het grondstoffenmarktcasino dat Goldman zo gunstig gezind was, met één heerlijke nieuwe rimpel: als het plan wordt uitgevoerd zoals voorgesteld, wordt de stijging van de prijzen door de overheid afgedwongen. Goldman hoeft het niet eens in zijn voordeel te draaien. Het spel is al bepaald.
Zo werkt het: als het wetsvoorstel erdoor komt, krijgen kolencentrales, aardgasdistributeurs en talloze andere takken van industrie grenzen opgelegd aan de hoeveelheid koolstof (oftewel broeikasgassen) die ze per jaar mogen uitstoten. Als bedrijven daar overheen gaan, moeten zij krediet kopen van bedrijven die juist minder uitstoten. President Obama schat behoudend in dat zo’n 646 miljard dollar aan emissierechten zullen worden geveild in de eerste zeven jaar, een van zijn economische medewerkers gokt dat het werkelijke bedrag twee of zelfs drie keer zo veel kan zijn.
Wat speculanten als muziek in de oren klinkt, is dat de uitstootrechten steeds worden verlaagd door de overheid, wat impliceert dat uitstootrechten elk jaar schaarser worden. Dat betekent een gloednieuwe markt, waar het belangrijkste product gegarandeerd in prijs zal stijgen. De omvang wordt meer dan een biljoen dollar per jaar.
Goldman wil deze wet. De bank lobbyt al jaren voor emissiehandel. In 2008 was een van die lobbyisten niemand anders dan Patterson, nu stafchef van het ministerie van Financiën. De bank is voor tien procent eigenaar van de Chicago Climate Exchange, waar de emissierechten zullen worden verhandeld. Daarbij heeft Goldman een minderheidsbelang in Blue Source LLC, een bedrijf dat emissierechten verkoopt van het type dat volgens het wetsvoorstel straks door allerlei industrie gekocht moet worden. Nobelprijswinnaar Al Gore, die nauw betrokken is bij de planning van emissiehandel, heeft een bedrijf voor koolstofcompensatie opgezet, Generation Investment Management, samen met drie voormalige hoge pieten van Goldman Sachs. Een andere ex-Goldman-bankier zette voor vijfhonderd miljoen dollar het Green Growth Fund op… en de lijst gaat maar door. Goldman is opnieuw de voorpagina’s voor. Zal deze markt groter zijn dan die voor termijncontracten op olie? ‘O, dit wordt veel groter’, zegt een voormalige medewerker van de energiecommissie van het Huis van Afgevaardigden.
Ach, kun je zeggen, wat maakt het uit? Als emissiehandel slaagt, worden we toch gered van de rampzalige opwarming van de aarde? Misschien, maar emissiehandel zoals Goldman die voor zich ziet, is gewoon een koolstofbelasting ontworpen om door privé-bedrijven te worden geïnd. In plaats van dat er gewoon een vaste belasting wordt geheven op koolstofvervuiling zal emissiehandel een kleine stam van hebzuchtige Wall Street-zwijnen opnieuw in staat stellen om een markt te misbruiken om belastinggeld te innen. De moraal is hetzelfde als voor alle andere bubbels die Goldman hielp ontstaan.

Het is niet altijd makkelijk om de realiteit te aanvaarden dat we deze mensen routinematig laten wegkomen, er treedt een soort collectieve ontkenning in als een volk zoveel prestige en status verliest als de Amerikanen in de laatste jaren hebben gedaan. Je kunt niet echt bevatten dat je niet langer een burger van een bloeiende, rijke democratie bent, dat je bent beroofd op klaarlichte dag. Maar zo is het. Dit is de wereld waarin wij nu leven. En daarin volgen sommigen de regels, terwijl anderen een spijbelbriefje krijgen plus tien miljard dollar in een papieren zak. Het is een gangsterstaat, draaiend op een gangstereconomie, waar verborgen belastingen zitten in elke dollar die we betalen. En misschien kunnen we daar geen einde aan maken, maar we moeten op z’n minst weten waar het allemaal naartoe gaat.


Dit artikel verscheen eerder in Rolling Stone
Vertaling en bewerking Rutger van der Hoeven