Tom Lanoye over Shakespeare

De Grote Bard

In een globalistisch, uit zijn voegen meanderend essay over kunst en politiek, onderzoekt Tom Lanoye de betekenis van William Shakespeare. Over Othello in tijden van post-apartheid.

De krantenlezer zal zich het volgende fait divers herinneren, waaraan mijn betoog is opgehangen zoals een nijlpaard aan een punaise: een paar maanden terug adviseerde een lerarencomité in de buurt van Johannesburg tot het zuiveren van de officiële leeslijst voor scholieren. Shakespeare was daarop van oudsher ruim vertegenwoordigd geweest. Zeker vergeleken met Vlaamse of Nederlandse leeslijsten. (Daar staat niet één verplicht toneelstuk op. Van Vondel, Claus óf Shakespeare.)

Opeens echter vond het Johannesburgse lerarencomité Hamlet «niet optimistisch» genoeg en bovendien «weinig verheffend». King Lear zat vol «wanhoop» en «geweld», en op de koop toe was de plot «onwaarschijnlijk» en «belachelijk». En Julius Caesar dan! Regelrecht seksistisch want het propageerde machismo: «It elevates men.» Een beschuldiging die des te pijnlijker klonk omdat net een overheidsfilmpje tegen groepsverkrachtingen was afgevoerd na de klacht van een paar beroemde sportlui. Hun bezwaar: «It breaks down men.»

De aanbeveling van het comité, dat alleen provinciaal advies gaf, werd weggehoond; in eigen provincie en land nog sneller dan in de rest van de wereld. De officiële biograaf van Nelson Mandela, Anthony Sampson, legde in een stuk in The Observer uit hoe dat kwam. Samengevat komt het hierop neer. Tijdens hun «struggle» vonden de anti-apartheidshelden Shakespeare even belangrijk als Marx, de koran of de bijbel. Ook in the New South Africa is het werk van de Grote Bard niet weg te denken uit de retoriek en de politiek van de geestelijke erfgenamen van Mandela, «die (nog steeds) in Shakespeare een inspiratiebron vinden voor hun strijd en medemenselijkheid (‹their humanity›)». Sampson staafde deze beweringen met een heleboel feiten. Ik zal u met slechts een bloemlezing om de oren slaan.

Reeds in 1944 besloot een groepje jonge zwarte politici, onder wie de kersverse advocaat Mandela, zijn nieuwe manifest voor het African National Congres (ANC) met dit citaat uit Julius Caesar:

Niet ons gesternte, beste Brutus, óns

Treft alle schuld dat wij maar knechten

zijn.

Toen hem in 1964 de doodstraf boven het hoofd hing, antwoordde Mandela met een citaat uit de komedie Lik op stuk, zoals ik Measure for Measure hier zou willen vertalen:

Leef met de dood voor ogen, dan zijn dood

En leven des te zoeter.

Samen met Mandela zaten leden van alle verboden oppositiepartijen in hechtenis op Robbeneiland, voor de kust van Kaapstad, sommigen meer dan twintig jaar. De melting pot zelve leek er te zijn opgesloten: zwart, Indisch, coloured, blank, islamitisch, joods, Duits gereformeerd, communistisch, atheïstisch… Hun respectieve moedertalen benaderden samen het dozijn. Desondanks vonden de gevangenen al die tijd, schrijft Sampson, in Shakespeare een gemeenschappelijke meester en medestander («teacher and supporter»). Om de tijd te doden, de pijn na de dwangarbeid te lenigen en het geheugen te oefenen, citeerden ze lange en combattante passages, meestal alweer uit Julius Caesar maar natuurlijk ook uit

Coriolanus en de onvermijdelijke Henry V.

Een van de Indische gevangenen op Robbeneiland, Sonny Venkatrathnam, hield achter kitscherig religieuze hindoeplaatjes een exemplaar verborgen van Shakespeares Verzamelde werken, waarin de belangrijkste gevangenen hun favoriete passage hadden aangekruist. Mandela’s grote mentor, Walter Sisulu, koos een repliek van Shylock, de jood uit De koopman van Venetië:

Steeds heb ik het schokschouderend verdragen

Want Lijden is van heel ons ras het brandmerk.

Mandela zelf kruiste opnieuw iets aan uit Julius Caesar:

De lafbek sterft veelvuldig voor hij sterft,

De held proeft één keer maar de smaak des doods.

Mij kwamen al veel wonderen te ore

Maar nooit sloegen ze dit: dat mensen bang zijn…

Waarom? De dood, dat onafwendbaar einde,

Komt toch wanneer hij komt.

Toen Mandela in 1998 tachtig werd en aankondigde zich uit het presidentschap te zullen terugtrekken, plaagde opvolger Thabo Mbeki hem in zijn speech met een citaat uit King Lear, en hoe díe zich in alle rust had willen terugtrekken:

Vertelsels ophalend van lang geleden,

Lachend naar vlinders van bladgoud en stakkers

Aanhorend, met hun roddels van het hof.

Zelf president geworden, liet Thabo Mbeki zelden na om ook zijn andere speeches te stofferen met een citaat uit het werk van de Big Bard. Hetzelfde geldt voor de huidige nationale minister van Onderwijs, Kader Asmal. Deze keerde zich dan ook, samen met president Mbeki, verontwaardigd tegen de Johannesburgse leraren, ook nadat hun advies reeds lang en breed was weggewuifd op het lokale niveau.

Anthony Sampson schreef in The Observer niet verwonderd te zijn over deze démarche. Want, zo besloot hij zijn opsomming, «voor Zuid-Afrikanen staat het afwijzen van Shakespeare gelijk aan het afwijzen van een deel van hun eigen geschiedenis, en van (zelfs) hun eigen bijdrage aan de wereldcultuur».

Die conclusie klinkt als een stoere, zelfs wat gezwollen geloofsbrief, overhandigd door de ANC-supporter die Sampson is. Maar het merkwaardige is dat een ANC-supporter en Mandela-biograaf met zoveel voorbeelden iets lijkt te moeten verdedigen, ja zelfs rechtzetten. En waarom laat die rechtzetting zo’n bitter smaakje na in de mond?

Sampson verschaft ons, weliswaar onbedoeld, zelf het begin van een antwoord. «Mensen in alle landen en tijdperken», schrijft hij, «hebben gevonden wat ze wílden vinden in het werk van Shakespeare.» Helaas ondergraaft hij zo zijn eigen stellingen over Mandela, Mbeki et les autres. Want wat betekent de politieke voorliefde nog voor een oeuvre, indien dat oeuvre om het even wat kan betekenen, voor om het even wie, waar ook ter wereld? En toch verklaart de alominzetbaarheid van Shakespeare waarom één relletje in een voorstad van Johannesburg dagenlang de internationale pers haalt. Voor de meesten heeft Shakespeare allang niets meer met literatuur te maken, en vooral niets met zijn eigen werk. Of men hem nu gelezen heeft of niet, Shakespeare is een logo dat het bezit van beschaving suggereert. The Shake is een vaantje geworden dat iedere parvenu kan laten wapperen naar de wind die hij zelf produceert. Een kosteloze zwangerschaps test voor de culturele kredietwaardigheid van burgers zonder boekenkast.

Indien in een voorstad van Londen een groepje leraren hetzelfde advies zou hebben gegeven als de groep in Johannesburg, zou dat net zo goed zijn weggelachen. Maar de lach zou wereldwijd anders hebben geklonken. Losser, guller. Minder vervuld van die merkwaardige cocktail van revanchisme en vrees, die zo vaak onze berichtgeving over Afrika vergiftigt.

Een leraar die op het zwarte continent voorstelt om Shakespeare te schrappen? Dat past in de verwachting van velen die niet op het zwarte continent leven. Hij past in hun beeld van het zwarte onderwijs, en hij past in hun beeld van de geheime vergeldingsagenda van álle zwarten. Tussen de regels van de conservatiefste kranten, zeker de Britse, stond te lezen: «Zie je wel? In voormalig Rhodesië laat Mugabe landerijen van blanken bezetten, en in buurland Zuid-Afrika kondigt zich nu hetzelfde aan. De eerste aanvalsgolf is begonnen! Die op onze cultuur, ónze Shakespeare.» Er sijpelde zelfs een duistere tevredenheid tussen sommige regels vandaan: «Hebben we het niet gezegd? Negers zijn niet te vertrouwen, ook al citeren ze Romeo and Julia waar je bij staat.» Was het daarom dat zo weinig van onze kranten vermeldden dat op de wraaklijst ook boeken stonden van zwarte auteurs? Akkoord, dat een boek van Nobelprijswinnares en apartheidscriticaster Nadine Gordimer ook op de wraaklijst stond, werd wél gul meegegeven. Meestal niet zonder een toefje leedvermaak. Onverbloemd verwoord: «Dat zotte wijf had maar niet de verdediging op zich moeten nemen van die wildemannen. Eigen schuld, dikke bult.»

Waarom werd, in de grootste zwarte handelsstad ter wereld, hoogstaand literair werk van zwarte auteurs door zwarte leraren ongeschikt geacht als leesvoer voor zwarte scholieren? Nog wel met de intentie het zelfbeeld en de emancipatie van die scholieren op te krikken? Dat klinkt even absurd als een Vlaamse school die leerlingen (voor hun eigen bestwil!) verbiedt het werk te lezen van Jef Geeraerts, Pol Boon of Herman Brusselmans. Dat is toch ondenkbaar!

Sampson suggereert aangaande het Johannesburgse comité een viertal verklaringen. Ten eerste verwijt hij de leraren «semi-geletterdheid en halfbakken opinies», eufemismen voor stompzinnigheid en onkunde. Hij acht die, waarschijnlijk terecht, doorslaggevender dan het tweede punt: de geestdrijverij der «political correctness», onder welke vlag het comité beweerde te varen.

Heel wat discutabeler echter klinkt Sampsons derde uitleg: «Het gebrek aan kennis van (en waardering voor) Engelse literatuur is een tragische erfenis van het (minderwaardige) Bantu-onderwijs (dat de apartheid oplegde aan alle zwarten).» Met andere woorden: die leraren zijn tien jaar na dato nog altijd slachtoffers van het apartheidsregime. Vandaar hun halfbakken opinies. Een grond van waarheid zal daar wel in schuilen, maar mij riekt het te veel naar de praatjes waarmee élk vernieuwend regime ál zijn fouten blijft wijten aan zijn voorgangers, desnoods decennia lang.

Maar het is vooral Sampsons vierde verklaring die ons moet interesseren. Hij peilt, terloops maar afdoende, de politieke affiniteiten van de Johannesburgse leraren. U had die allang zelf geweten indien onze westerse commentatoren indertijd de moeite hadden genomen om zich de volgende vraag te stellen: waarom stond Macbeth niet op de Johannesburgse wraaklijst?

Gezien de uitsluitingscriteria van het comité had Macbeth een ereplaats verdiend. We kunnen dat Schotse treurspel moeilijk «optimistischer» of «verheffender» noemen dan Hamlet. En vrij van «wanhoop of geweld» is het ook al niet — in geen ander stuk van Shakespeare komt het woord «bloed» zo vaak voor. Om maar te zwijgen van de «onwaarschijnlijke plot»! Mag ik hem in een notendop wurmen? Op een mooie nacht en een mistige heide gelooft een Schotse oorlogsheld drie mottige toverkollen op hun heksenwoord: hij zal koning worden, wat er ook gebeurt! Door die ene warrige voorspelling laat hij zich met echtgenote en al verleiden tot moord op zijn vorst, zijn boezemvriend en een paar kerngezinnen, tot zijn eigen uitschakeling erop volgt… Wat een wreedaardig bijgeloof! Echt een sprookje uit Barbaars Afrika! Inclusief medicijnmannen, fetisjen en rituelen — als we tenminste uit het oog willen verliezen dat ook Scandinavische, Germaanse, Limburgse en Hollywood-sprookjes ongerijmde wreedheden niet uit de weg gaan, om van toverkollen en bokkenrijders maar te zwijgen… Maar terzake! Waarom stond Macbeth niet op die wraaklijst?

Macbeth is sinds jaar en dag het favoriete stuk van de Zulu’s. En sommige van de leraren uit het comité hadden op z’n minst Zulu-sympathieën.

De Zulu’s vormen een van de grootste zwarte bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika. Ze hebben een sterk nationalistische traditie die zich maar al te vaak heeft verzet tegen het communistisch en centralistisch geïnspireerde ANC. Zulu’s hebben een heus koningshuis en een nationalistische partij, de Inkatha Freedom Party. De meeste mannen houden van optochten waarbij ze de toyi-toyi dansen, zingend en schijnvechtend, pronkend met hun onafscheidelijke traditionele wapenen: de korte assegaai en een klein schild bekleed met dierenhuid.

De grote vaderlandse held van de Zulu’s heet niet Wellington of Willem de Zwijger, maar Shaka, bloeddorstig alleenheerser over een immens Afrikaans rijk ten tijde van de voorlaatste kolonisatiegolf. Gewapend met assegaai en schild hakten de Zulu’s toen menig goedbewapend Engels leger in de pan… Zoiets doet patriottische harten honderden jaren later nog lekker zwellen. En zo doen meedogenloze oorlogshelden het bij de Zulu’s nog altijd even goed als Henry V of Richard «Bomber» Harris bij de Britten. Niet toevallig dus werd uitgerekend het bloedige Macbeth in het Zulu vertaald. En nog minder toevallig door Robert Sobukwe, een leider van het radicale Pan African Congres (PAC).

De etter die ons aldus uit het fait divers tegemoet komt siepelen, is herkenbaar, zeker voor een Vlaamse Belg als ik. Onder het mom te strijden tegen sociaal onheil (geweld!, seksisme!, onveiligheid!, neerslachtigheid!) probeerden enkele leraren hun leerlingen te modelleren naar hun eigen nationalistische voorkeuren, terzelfdertijd de favorieten van de centrale staat per schietstoel verwijderend.

Derhalve luidt ons dissectierapport als volgt. Een deel van het comité verweet de ANC-regering dat zij, net als het vorige regime met zijn «Bantu Education», haar politieke visie wilde doordrukken via haar pedagogisch beleid. Ongetwijfeld hadden die paar leraren zelfs gelijk. Politieke visies doordrukken via een beleid? Dat is wat álle regeringen proberen te doen.

Doch wat het comité beoogde, was geen revolte tegen dat beginsel maar juist een toepassing ervan, gegrondvest op de éigen voorkeuren. Hier werd dus — op het veld van scholing en schone letteren, en op de kap van Shakespeare en Sol Plaatje — minder om principes gevochten dan om de macht. De Grote Bard werd misbruikt om een kleine rekening te vereffenen. Zoals de westerse media Hem misbruikten om een reeds vertekend beeld nog wat meer te vertekenen.

We mogen het fait divers dan hebben ontdaan van zijn etter, laten we het nu ook eens onder een microscoop leggen. Er vallen dan tal van bontgekleurde beestjes te ontdekken. Ik wil u een beschrijving niet onthouden. Maar vergun mij dat ik daartoe gebruik maak van een omweg.

Daarnet verzon ik, als tegenwicht van het comité in Johannesburg, een lerarencomité in Londen. Dat had niet gehoeven. Ik had een parallel kunnen trekken tussen twee waargebeurde faits divers. Enerzijds: het voorval in Zuid-Afrika. Anderzijds: de heisa in Oostenrijk omtrent Schlachten, de Duitse vertaling van Ten oorlog, de Shakespeare-adaptie van regisseur Luk Perceval en mijzelf. Na de première op de Salzburger Fest spiele, enige jaren terug, werd kinderen onder de zestien jaar verboden de voorstelling bij te wonen. Het provinciale Salzburgse Bureau voor Sociale en Welzijnszaken had een klacht ingediend vanwege «ordinair taalgebruik», «obscene scènes», «expliciet geweld» en «verheerlijking van machtsmisbruik».

In Zuid-Afrika had president Mbeki, na de feiten en tegen het lerarencomité in, alsnog zijn stem laten horen. In Oostenrijk had president Klestil, daags voor de première, het Bureau voor Sociale en Welzijnszaken zélf de pap in de mond gegeven. In een speech bij de opening van het festival (de stemming werd al dagen opgeklopt door Weense tabloids) pleitte Klestil, alluderend op ons werkstuk, voor «meer harmonie en humanisme in de kunst», «meer aandacht voor het cultuureigene van Oostenrijk» en «minder aandacht voor het duistere dat geen uitweg biedt».

Ik geef subiet toe dat het verbod, na een vloedgolf van protest en moppen, helaas niet langer dan twee dagen heeft standgehouden; dat het achteraf bekeken om een pedagogische meesterzet ging (opeens wilde de voltallige Oostenrijkse jeugd met alle macht naar een toneelvoorstelling), en dat uiteindelijk de staatstelevisie örf Schlachten integraal heeft uitgezonden — zij het ’s nachts, maar een kniesoor die daarop let. Toch is het relletje te mooi om er verder geen aandacht aan te besteden, op het gevaar af dat ook ík Shakespeare misbruik om het bestaande beeld nog meer te vertekenen van een operetteland, dat zich van hoogfatsoen en eigenwaan al eeuwen een rolberoerte walst op de properste stoep van Midden-Europa.

Aan ordinair taalgebruik en obscene scènes pleitten regisseur Perceval en ik schuldig, zij het niet schuldiger dan het eerste de beste rapgroepje of het gemiddelde Duitse misdaad feuilleton. Maar Shakespeare zónder geweld? Zónder smakelijk machtsmisbruik? Verdammt, noch mal! Het Bureau voor Sociale en Welzijnszaken mocht in zijn handjes knijpen dat we geen bewerking hadden gemaakt van Shakespeares jeugdwerk Titus Andronicus. De Romeinse veldheer Titus neemt wraak voor de moord op zijn telgen door de twee zonen van de keizerin op een galabanket letterlijk als pâté en croute te serveren aan hun eigen moeder. Pas als het brave mens bij wijze van spreken al in haar tanden zit te peuteren, onthult hij haar het recept van zijn pièce de résistance. Het is eens wat anders dan Mozartkugeln.

En wie zou, president Klestil ter ere, Shakespeare überhaupt kúnnen ensceneren met «meer aandacht voor het cultuureigene van Oostenrijk»? Dat is pas één keer gelukt. Door een Oostenrijkse amateurschilder, in een periode dat het cultuureigene van de Alpenrepubliek zodanig samenviel met «het duistere» dat er geen andere uitweg overbleef dan genocide, wereldbrand en een wagneriaanse hang naar zelfvernietiging.

Zo. Dat moest even van de lever. Andermaal terzake! Ondanks de internationale uitstraling van de Festspiele vond ons relletje alleen weerklank in Duitsland (waar men houdt van Oostenrijkermoppen), in de Nederlanden (waar men houdt van geshockeerde Duitstaligen) en in Oostenrijk zelf (waar men er, zoals in elke bourgeoisie, geweldig op geilt om geshockeerd te worden, omdat men weinig anders heeft om op te geilen). Duitsland, Oostenrijk, Nederlanden, daar bleef het bij. In Zuid-Afrika bijvoorbeeld — ik heb dat zelf gecheckt — heeft niemand er ooit van gehoord. Terwijl ik in een Weense tabloid wél een smalend verslag mocht lezen over het lerarenadvies in Johannesburg. Hoe komt dat toch? Dat een Shakespeare-rel in Zuid-Afrika de wereld rondgaat en een Shakespeare-rel in Salzburg niet? Terwijl het toch in beide gevallen ging om het zielenheil van de lokale jeugd?

De nieuwsindustrie! Zij is, net als muziek- en filmnijverheid, een louter Angelsaksisch bedrijf. En de lingua franca in Zuid-Afrika ís nu eenmaal het Engels. Beroerd Engels; maar niet zó beroerd of het wordt door de New Yorkse persbureaus verstaan en dus vlotter op de globale markt gegooid. Daarom lijken de meeste faits divers alleen maar plaats te vinden in het Engelse taalgebied. Wat daarbuiten durft plaats te vinden, had net zo goed kunnen geschieden op Mars. Of in Salzburg, wat — toegegeven — vaak op hetzelfde neerkomt.

Maar de verleiding is groot om de verklaring ook buiten de mediamarkt te zoeken, en dan komen we uit bij de beeldvorming. Niet alleen in de werkelijkheid, maar ook in het oeuvre van de meester zelf. In Shakespeares oeuvre torsen de schurken een teken van hun slechtheid, fysiek of genealogisch. Ze zijn bastaarden. Of karikaturale joden, inclusief haakneus en kromme klauwen. Ze zijn van overzeese komaf of hebben een horrelvoet en een bochel — ook al bezat het historische personage waarop ze zijn gebaseerd geen van beide.

De goedheid daarentegen is bloedmooi, piepjong en van een ijzingwekkende onschuld. Het percentage vrouwen ligt hier veel hoger dan onder de schoften, zeker als het meiske de huwbare leeftijd nog niet heeft gehaald. En omdat (zeker sinds de uitvinding van alcoholhoudende dranken) ook onder acteurs de schoonheid maar dun gezaaid is, draagt in traditionele ensceneringen het Goede voor alle duidelijkheid een wit kostuum. Terwijl de Boze zich steevast hult in kleuren van de nacht… Wit is altijd schoon, zwart is steeds verdacht. De studio’s van Walt Disney passen die regel nog altijd toe, en ook de Marsen der spontane volkswoede houden van wit als laatste eerbetoon aan de letterlijk vermoorde onschuld.

Othello, de Moorse legerleider uit het gelijknamige stuk, vormt een intrigerende uitzondering. Hij is roetzwart en toch niet slecht. De onvolprezen Shakespeare-vertaler Willy Courteaux noemt Othello zelfs «de enige compleet heroïsche en vlekkeloze figuur die Shakespeare in zijn tragedies heeft gecreëerd. Zijn karakter is nobel en simpel, zijn gemoed vrij van elke smet.»

Alleen al het curriculum vitae van Othello bij het begin van het stuk spreekt boek delen. De sterke en dappere Moor wordt gelauwerd door de doge van Venetië en aan het hoofd van het leger geplaatst, vanwege zijn onkreukbaarheid en zijn populariteit bij de manschappen. Venetiaanse dames krijgen een appelflauwte als zijn naam valt en zijn vele vrienden dragen hem op handen vanwege zijn onbaatzuchtigheid. Afijn: Othello is Denzel Washington meets Moeder Theresa.

Alsof dat niet voldoende is, mag Othello (als ietwat oudere peer) trouwen met Desdemona. Deze is Miss Venetië maar dan mét hersens, echte tieten en een intact maagdenvlies. Britney Spears meets Emma Thompson. Ook in andere opzichten is Desdemona een vrouw zoals er té weinig worden gemaakt. Charmant, geestig, meertalig en toch kort van stof, goed voorzien van slappe was en, tegen de tijdgeest in, smoor op een Moor. Ze benadert die zwarte man zoals echtgenotes dat zelfs tijdens de Verlichting niet meer deden: met een zekere onderdanigheid. Onnodig te zeggen dat Othello in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid zeer zelden op het repertoire stond.

Maar pas op: het wegmoffelen van Othello door een racistische regering impliceerde niet dat het stuk van de weeromstuit populair werd bij het ANC. Zelfs niet bij de Zulu’s. Daarvoor bevat het toch te veel racistische uithalen, ook al vallen die (in een Politiek Correcte Reflex avant la lettre) enkel uit de mond van onsympathieke personages. Rodrigo, bijvoorbeeld. Deze domme edelman is evenzeer smoorverliefd op onze Miss Venetië. Hij schuimbekt dan ook bij de gedachte dat zij zich overgeeft aan «de beestenkussen van (die) geile neger», die «dik-lip» zoals hij Othello noemt. Rodrigo’s vriend, meester-intrigant Jago, gaat aan Desdemona’s onwetende vader zelfs verklappen dat zijn kuise dochter zich «laat dekken door een Berberhengst». Jago zinspeelt daarbij op de oorsprong van het woord Berber: «Barbaar», in het Engels «A Barbary horse». En Jago wrijft nog meer zout in de vaderlijke wonde. Door haar liefdesdaad zadelt Desdemona haar héle stamboom op met beestenbloed, tot schandvlekking van papa:

Uw neefjes zullen naar u hinniken,

U krijgt niet één kozijn, alleen maar koers -

paarden,

Geen broers maar hitsige knollen en ezels.

Desdemona’s vader krijgt bijna een toeval, hij noemt de liefde van zijn oogappel «tegennatuurlijk», «bedrog», «bloedverraad» en veroorzaakt door (uiteraard) zwárte magie. Zelf briesend als een hengst draaft papa linea recta naar Othello en spuwt zijn gal:

Op al wat rede kent, beroep ik mij:

Zou ooit een maagd zo teer, zo schoon, zo blij

— Tenzij jouw toverij haar had geketend —

Het huwelijk zozeer verachten dat

Zij blonde krullenbollen van ons eigen volk

Verstoot? En mij, tot spot van iedereen,

Ontvlucht? En steun zoekt op de zwarte borst

Van jou — een ding! Een gruwel, geen genot!

Kortom, niet het soort verzen dat je als ANC-gevangene op Robbeneiland aanstreept om van buiten te leren.

Aanvankelijk komt het goed met Othello en Desdemona. Ze trouwen. Hun liefde schittert. Goddank voor de theaterbezoeker waakt Jago over een ongelukkige afloop die, pauze inbegrepen, een uur of twee kan aanslepen en seizoenen lang op het repertoire kan blijven staan.

Jago is dan ook de modernste van alle Shakespeare-schurken. Hij doet denken aan het oordeel dat Joachim Fest, de biograaf van Albert Speer, velde over de bewapeningsminister van Hitler: «Een man met vele kwaliteiten, maar zonder eigenschappen.» Jago is koud, berekenend, opportunistisch, en hij is in de eerste plaats seksueel door Othello gefrustreerd — de echte white man’s burden hangt nu eenmaal ter hoogte van zijn kruis. Zo verdenkt Jago zelfs zijn eigen vrouw ervan dat ze met Othello overspel pleegt, al is daar niet één aanwijzing voor.

Getroebleerd in de lust is Jago des te lucider in achterbakse manipulaties. Hij slaagt erin zijn afgunst uitgekookt en uitvergroot over te dragen op Othello totdat deze, aan monsterlijke jaloezie ten prooi, de kuise en nog immer op hem verliefde Desdemona wurgt. Bij de ontmaskering van Jago’s gekonkel slaat Othello de hand aan zichzelf, gebroken maar eervol, zoals het een held betaamt die spreekt in vijfvoetige jamben.

Maar zelfs al sterft Othello in stijl, en zelfs al wint hij zo opnieuw het respect van zijn vrienden en de gunst van de toeschouwer, toch is hij nooit populair geworden onder zwarte acteurs of activisten. Per slot van rekening hééft hij zijn knappe onschuldige jonge blanke vrouw vermoord. Nog meer dan de moord zelf echter, zijn het Othello’s goedgelovigheid en ontvlambaarheid die hem op het westelijk halfrond zoveel populairder maken dan in Afrika. Vooral zwarte politici beseffen maar al te goed wat Othello belichaamt: het beeld dat westerse politici hebben van hén. Boven de evenaar wordt de furieuze achterdocht van Othello nooit verbonden met de angst van de oudere man om zijn jongere vrouw te verliezen — iets waarin nochtans menig westers politicus zich gemakkelijk zou moeten herkennen. Des te meer leggen ze een verband met de onberekenbare, en tegelijk zo gemakkelijk te manipuleren natuur van de zwarte oermens. Het amper getemde dier. De maar net geschoolde primitief — en met «primitief» wordt dan niet bedoeld de stijl van een Oostenrijkse amateur-schilder.

Willy Courteaux vatte het terecht zo samen: «Een simpel gemoedsleven vindt men in mensen van alle rassen. Maar de omstandigheid dat Othello een neger is verscherpt het conflict, maakt Jago’s intrige aanvaardbaarder en Othello’s reacties natuurlijker. Onder dat bedaarde en majestueuze uiterlijk brandt nog de gloed van een vulkaan.» Dat is een zeer hoffelijk verwoorde variant op wat in Amerikaans blank Suburbia wordt gefluisterd over zwarte bruiden uit the inner city: «You can take the bitch out of the ghetto, but you can’t take the ghetto out of the bitch.» Een zwarte mag het schoppen tot Venetiaans legerleider, hij mag zich onderscheiden op het slagveld of heersen in atletiek en jazz en rhythm & blues, hij mag wedstrijden winnen voor (soms) Ajax en (heel soms) Oranje, maar als puntje bij paaltje komt, is hij niet klaar voor de liefde van een gesofisticeerde vrouw als Desdemona. En hij is vooral niet opgewassen tegen het intellectuele, cynische machtsspelletje van Jago. De Moor Othello is imposant en knap en tot op zekere hoogte geliefd en gelauwerd. Maar wie een béétje afweet van psychologie en «Drie-op-een-rij» kan hem bespelen als een marionet. Hij is en blijft een groot kind.

Ook al haten we de schurk Jago, hem begrijpen in zijn slechtheid doen we wél. Om zijn zin te krijgen mengt hij pragmatisme met opportunisme, en die cocktail zien we iedere dag om ons heen, indien al niet in de spiegel — of de media, zoals onze hedendaagse spiegel heet.

Anders dan Jago is Othello geen personage van vlees en bloed. Hij is meer een speelbal, een embleem. Een rekwisiet met de januskop die iedere Vreemdeling nu eenmaal draagt, op de planken én in het theater van alledag: nu eens onbezoedeld natuurmens, dan weer onberekenbaar beest. Le sauvage noble, ou la bête sauvage. Wij roemen hem, jazeker. Maar op een veilige afstand. En vooral omdat geen van zijn twee imaginaire gezichten lijkt op dat ene werkelijke van ons. Othello moet te allen prijze de Vreemdeling blijven, van wie wij — als wij eerlijk zijn — de knullige doodslag op Desdemona beter begrijpen dan haar oprechte liefde voor hem. En zelfs op het einde, bij zijn zelfdoding, houden we hem ver van ons verwijderd, dankzij de geniepigste aller straffen. Compassie, dat wrede synoniem voor neerbuigendheid.

Ik had zo graag, op het einde van het stuk, de grote Moor de eer kunnen bewijzen van hem even fel te haten als Jago. Maar een zwarte Bambi-op-twee-poten laat zich niet haten. Zelfs niet met een moord op zijn geweten.