Ontstaansgeschiedenis van een marketingtoolOver een term die het vroegst wordt teruggevonden in 1976 en nu zijn langste tijd lijkt te hebben gehad.

De grote drie

Al decennialang wordt de Nederlandse literatuur aangevoerd door «de grote drie», al dan niet met beginkapitalen geschreven. Mulisch, Hermans en Reve mogen formeel en inhoudelijk ver uit elkaar staan, toch zijn ze gezamenlijk ingebalsemd. Maar wat zijn de bindmiddelen? Bart Vervaeck concludeert dat de zwachtels waarmee de grote drie bij elkaar gehouden worden, stinken: «‹De Grote Drie› is een menselijke constructie die beantwoordt aan de eisen van het veld en het narcisme van het publiek.» Edwin Praat betoogt dat de term een marketingtool is, die het lang heeft uitgehouden maar waarschijnlijk zijn langste tijd gehad heeft: «Het is heel goed mogelijk dat een groot deel van de schoolgaande jeugd niet meer kan opsommen wie er tot ‹de Grote Drie› van de Nederlandse literatuur worden gerekend.»

«Van de grote drie is nog maar één schrijver in leven», meldde het NOS-Journaal op 9 april. Een dag later was op de voorpagina’s van de Volkskrant en De Telegraaf te lezen dat – voor wie het nog niet wist – de zojuist overleden Gerard Reve met Hermans en Mulisch gerekend wordt tot de grote drie van de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur. Het tijdschrift Intermediair liet twee weken na Reves dood recensenten van NRC Handelsblad, Het Parool, HP/De Tijd en de Volkskrant de vraag beantwoorden wie zich als opvolgers van de grote drie zouden kunnen aandienen. Arjan Peters en Pieter Steinz maakten toen bezwaar tegen het gebruik van de term: «Waar zijn Hella Haasse en Jan Wolkers?»

Bezwaren zijn er voordien al door velen geuit tegen het epitheton «de grote drie». In de loop der jaren zijn voorstellen gedaan voor de grote vier (inclusief Wolkers), de grote vijf (exclusief Wolkers en inclusief Boon en Claus) en de grote zes (Mulisch, Reve, Hermans, Claus, Boon en Haasse). Sinds het overlijden van Hermans en de geestelijke aftakeling van Reve probeert Mulisch af en toe stemmen te winnen voor de grote één, tot nog toe echter zonder veel succes.

Ondanks al deze pogingen is «de grote drie» veruit de bekendste term gebleven. Een kleine test via Google bevestigt dat. Het invoeren van «grote drie», in combinatie met «Reve», «Mulisch» en «Hermans» leverde op 20 mei van dit jaar 746 treffers op, tegenover 178 voor «grote vier», 56 voor «grote vijf» en 23 voor «grote zes».

Ook in Altijd weer vogels die nesten beginnen, Hugo Brems’ recent verschenen literatuurgeschiedenis, komt de term een paar maal voorbij.

De grote drie: Hermans, Reve en Mulisch hadden zich geen betere marketingtool kunnen wensen. Immers, iedere keer dat de term wordt gebruikt zonder dat op het normatieve karakter ervan wordt gewezen, krijgt deze de schijn van objectiviteit mee. Zo is het gebruik van de term een garantie voor het behoud van de waarde die aan het werk van de auteurs wordt toegekend: zolang «de grote drie» in dagbladartikelen, literatuurgeschiedenissen en schoolboeken vrij kritiekloos wordt aanvaard als verzamelnaam voor Mulisch, Reve en Hermans, zolang zijn zij de drie grootste, belangrijkste Nederlandse auteurs van na de Tweede Wereldoorlog. Of zelfs van de hele twintigste eeuw, als we de Volkskrant mogen geloven.

«Sinds jaar en dag», schrijven Wilbert Smulders en Frans Ruiter in hun bekende overzicht Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990, «worden met De Grote Drie W.F. Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve aangeduid.» Sinds welke dag en sinds welk jaar precies laten de auteurs echter wijselijk in het midden. Wel constateren ze dat in de jaren zestig «het moment [lag] waarop ze volgens het ritme van natuurlijk generatieverloop opgevolgd hadden moeten worden». Dat lijkt te impliceren dat de drie schrijvers reeds in de jaren vijftig hun eretitel hadden verworven. Daarin hebben de letterkundigen niet helemaal gelijk.

Reves debuut De avonden wordt in 1947 bekroond met de eerste Reina Prinsen Geerligsprijs, een onderscheiding voor nog niet gedebuteerde auteurs tussen de 20 en 25 jaar oud. De jury schrijft, in een inmiddels klassiek rapport: «Dit is niet een willekeurige zielsgeschiedenis, maar het boek, dat uitbeeldt wat de tijd, die alle illusies vermoordde, heeft aangedaan.» In het juryrapport wordt Reve bovendien omschreven als «stem van de naoorlogse generatie».

De uitreiking van de dan al prestigieuze Geerligsprijs veroorzaakt een stortvloed aan recensies en debatten. Dat laatste zelfs zodanig dat het maartnummer van Podium in 1948 nagenoeg geheel gewijd wordt aan De avonden. De redactie geeft voor in het nummer een toelichting op haar keuze: «Dat we bijna een geheel nummer aan Simon van het Reve’s roman ‹De Avonden› wijden gebeurt niet zozeer om het boek als zodanig (…) dan wel omdat wij het noodzakelijk achten onze positie ten opzichte van een literair klimaat te bepalen, waarvan deze roman een der kenmerkendste exponenten vormt.» In navolging van de Geerligs-jury ziet de redactie het boek dus als kenmerkend voor «een literair klimaat». Wat dat literaire klimaat precies inhoudt, wordt uit de vele besprekingen van de roman in dit nummer niet geheel duidelijk. Bijna wanhopig proberen critici en collega-auteurs Reve te plaatsen in een literaire traditie. Reve hoort volgens Fokke Sierksma thuis in het rijtje Klant, Hermans en Charles («omdat hij wat kán»). Bovendien komt Reve volgens Sierksma duidelijk «uit de school» van Vestdijk. Piet A. Neeteson meent dat de jonge auteur «Du Perron weet voort te zetten zonder in een kwalijk epigonisme te vervallen». Ook vindt hij hem «een Sartre met een hazenhart op Hollandse klompen, hoewel zijn stijl meer aan Camus doet denken». Door Paul Rodenko, die verbanden ziet met Valéry en wederom met Camus, wordt De avonden ten slotte vergeleken met Conserve van Hermans, dat in hetzelfde jaar verscheen. Als enige is Rodenko duidelijk over wat hij kenmerkend acht voor de jongste generatie schrijvers, waarvan hij Hermans en Reve als vertegenwoordigers ziet: «verveling, absurditeit, sadisme, rhetoriek, preoccupatie met de tijd en krankzinnigheid».

Grofweg verdelen de critici zich over twee kampen: zij die in navolging van de Geerligs-jury en de _Podium-_redactie het boek zien als exemplarisch voor het defaitisme van een nieuwe, door de oorlogsjaren getekende lichting jongeren, en zij die het wensen te beschouwen als een psychologisch, individualistisch document. De laatste groep, aangevoerd door Sierksma en Vestdijk, meent dat «in de tekst vrijwel niets op de speciale geestelijke nood der oorlogsgeneratie betrekking heeft».

Maar het beeld van De avonden als generatieroman blijkt hardnekkig. Het is een van de eerste voorbeelden van de toenemende invloed van de media op literaire reputaties en plaatsbepalingen na de oorlog. Reve heeft geen groep van jonge gelijkgezinden om zich heen verzameld en is niet de opsteller van een manifest waarin hij nieuwe literatuuropvattingen verkondigt met de bedoeling deze tot dogma’s te promoveren. Integendeel: de auteur opereert geheel solistisch, maar wordt – tegen wil en dank – gebombardeerd tot voorman van een groep jongeren die, want zo hoort dat bij groepen, eenzelfde levenshouding zouden vertonen. Of die groep daadwerkelijk bestaat, doet er niet zoveel toe. Het is de zucht van de gearriveerde schrijvers en critici naar een ander, eendrachtig geluid die «de» nieuwe generatie schept. Reve is er duidelijk over dat hij zichzelf niet als leider van een nieuwe lichting ziet. In februari 1948 schrijft hij in De Groene Amsterdammer: «Wie tweehonderd pagina’s proza heeft geschreven, waarover in de kranten lawaai is gemaakt, krijgt een volledig onredelijke hoeveelheid gezag toegedacht.»

Juist omdat Reve aanvankelijk geen actieve rol speelt in de totstandkoming van zijn reputatie, en zelf dus ook niet aangeeft wat kenmerkend zou zijn voor de literatuur van «zijn» lichting, kunnen critici en collega-auteurs geheel naar believen de wezenskenmerken van «de nieuwe generatie» invullen. Dat is prettig, want zo vormen schrijven en jong-zijn welhaast de enige noodzakelijke voorwaarden om iemand tot exponent van die nieuwe generatie te kunnen rekenen.

Een andere jonge auteur die eind jaren veertig veel opzien baart, is W.F. Hermans. Hij debuteert in 1947 met Conserve, maar is in die periode al recensent bij Vrij Nederland en is uitgegroeid tot een vooraanstaand redacteur van Criterium – A. Marja noemt hem zelfs de «leading man» van het tijdschrift. In het Podium-_nummer van maart 1948 wordt hij door Sierksma en Rodenko al genoemd in verband met Reve. Vijf jaar na Reve en Hermans debuteert Harry Mulisch met _Archibald Strohalm. Net als De avonden wordt dit boek bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs. Vanaf dat moment wordt in literaire tijdschriften en dagbladen het rijtje «Reve, Hermans, Mulisch» steeds vaker opgelepeld als het gaat om belangrijke auteurs van «de naoorlogse generatie», soms overigens in gezelschap van hun Vlaamse collega Claus. Dikwijls poogt men daarbij overeenkomsten in hun oeuvre aan te wijzen; overeenkomsten die kenmerkend zouden zijn voor de literatuur van de nieuwe generatie. Uitzichtloosheid, verveling en landerigheid zijn termen die vaak vallen. Dit alles kan niet op de goedkeuring rekenen van de jonge schrijvers zelf. Zo schrijft Mulisch hierover in Voer voor psychologen (1961): «Na de bekroning en de publicatie [van Archibald Strohalm] werd mijn naam nu en dan genoemd in verband met mijn twee z.g. ‹generatiegenoten›: Hermans en Van het Reve. Maar iedereen voelde eigenlijk, dat ik weinig of niets met hen gemeen had. (…) Afgezien namelijk van de onmetelijke karakterologische verschillen, afgezien ook van de onmetelijke verschillen in milieu, waaruit wij voortgekomen zijn, – hollands burgerdom tegenover kosmopolitische avonturiers en halve bohémiens, – afgezien van dit alles zijn wij ook niet even oud.»

In de jaren vijftig ligt dus de oorsprong van het driemanschap Reve-Hermans-Mulisch, het driemanschap dat gerust kan worden beschouwd als het resultaat van generalisatiedrift van critici en recensenten. «De grote drie» worden de schrijvers dan echter nog niet genoemd. Eén auteur overtroefde het driemanschap namelijk moeiteloos in roem en invloed: Simon Vestdijk. «Altijd maar weer Hermans, altijd maar weer Van het Reve, altijd Claus. Dat zijn de rotsen waartussen ik sta», zegt Mulisch in 1959 tegen Jessurun d’Oliveira. «Als ze in een reusachtig goede bui zijn, dan zeggen ze dat je zelfs wel soms iets aan Vestdijk doet denken.»

Want dat was de toenmalige realiteit: Simon Vestdijk had, zowel als schrijver als als criticus, in de eerste decennia na de oorlog een in onze tijd niet meer voorstelbare monopoliepositie als grand old man van de Nederlandse literatuur. Die status had hij mede bereikt doordat invloedrijke schrijvers als Du Perron, Marsman en Ter Braak de oorlog niet overleefden. Vestdijk deed zich meteen na de oorlog opnieuw als romancier gelden met Ierse nachten (1946), De vuuraanbidders (1947) en Pastorale 1943 (1948). Bovendien was hij een zeer actief en gezaghebbend criticus en essayist (denk aan De Poolse ruiter (1946) en De glanzende kiemcel (1950)). Herhaaldelijk werd de auteur voorgedragen als Nederlandse kandidaat voor de Nobelprijs, voor het eerst in 1957. Ter indicatie van Vestdijks toenmalige monopoliepositie kunnen de literatuuroverzichten dienen die vanaf 1951 in het Grote Winkler Prins jaarboek verschenen. Deze overzichten werden samengesteld door vooraanstaande letterkundigen en claimden een zekere mate van objectiviteit. In de overzichten neemt de literatuur van «de Grote Onvermoeibare» bijna ieder jaar een prominente plek in. De jaarboeken vanaf 1966 beginnen nagenoeg zonder uitzondering met het antwoord op de vraag of Simon Vestdijk het afgelopen jaar al dan niet productief is geweest.

Lag de conceptie ervan dus ergens in de jaren vijftig, de geboorte van de term «de grote drie» hangt onmiskenbaar samen met Vestdijks dood in 1971. Na het wegvallen van de oude meester moest de macht overgedragen worden en lagen Reve, Mulisch en Hermans het meest voor de hand. Men kon vanaf dan toevoegingen als «jonge schrijvers» en «van de naoorlogse generatie» achterwege laten. De vroegste door mij teruggevonden bron waarin zonder omhaal geschreven wordt over de grote drie stamt uit 1976. Dan heeft Govaerts het in het Grote Winkler Prins jaarboek, de literaire productie uit het jaar daarvoor overziend, over «de grote drie», doelend op Mulisch, Reve en Hermans. Ook de Literama schrijverskalender meldt in 1977: «Volgens velen behoort Mulisch tot ‹de grote drie› van de hedendaagse Nederlandse letteren. De twee anderen zijn Willem Frederik Hermans en Gerard Reve.»

Het in de jaren zeventig gelanceerde epitheton «de grote drie» heeft het tot op de dag van vandaag uitgehouden en geniet inmiddels brede bekendheid. Of de term nog lang zal overleven is echter de vraag. Ter indicatie: van de vijf meest gebruikte literatuuroverzichten voor het onderwijs in de tweede fase vermeldt slechts één dat Reve, Hermans en Mulisch bekendstaan als de grote drie. Het is dus heel goed mogelijk dat een groot deel van de schoolgaande jeugd niet meer kan opsommen wie er tot de grote drie van de Nederlandse literatuur worden gerekend. Het zou een eerste teken kunnen zijn dat de term zijn langste tijd gehad heeft. Ook marketingtools zijn vergankelijk. * Edwin Praat studeerde moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht