China’s expansiedrang

De Grote Dwarsligger

President Hu verzekerde vorige week in Washington: China streeft niet naar hegemonie. Haaks op de soft power-campagne om goodwill te kweken staat de militaire assertiviteit.

SOMMIGEN NOEMEN het groeiende invloed. Anderen spreken van toenemende assertiviteit. En weer anderen zeggen recht voor z'n raap: ze worden steeds agressiever, die Chinezen. Feit is dat China, na zich jarenlang gedeisd te hebben gehouden, met veel bombarie op het internationale toneel is teruggekeerd. Wat zit daar achter?
Deng Xiaoping had het nog zo gezegd: China moet al zijn energie besteden aan zijn economische ontwikkeling en daarom internationaal niet de aandacht te trekken. De architect van de in 1978 begonnen economische revolutie had het goed gezien. China hield zich koest in de Verenigde Naties, nam geen internationale politieke initiatieven, schroefde de begroting voor defensie terug en rukte intussen vrijwel onopgemerkt op naar de economische voorhoede. Dat China, misschien nog vóór 2020, de eerste plaats zal overnemen van de Verenigde Staten trekt vrijwel niemand meer in twijfel.
Inmiddels is van China’s internationale low profile weinig meer over. Voor defensie wordt al sinds geruime tijd ieder jaar meer geld uitgetrokken. Dat is logisch. Het primitieve Volks-bevrijdingsleger was niet meer geschikt voor een staat die steeds grotere economische belangen te verdedigen had. Het landleger is ingekrompen tot 2,3 miljoen man, terwijl marine en luchtmacht in snel tempo worden uitgerust met hightech wapens en apparatuur. Nog altijd zijn de Chinese defensie-uitgaven maar een fractie van de zevenhonderd miljard dollar die de VS aan defensie uitgeven. Niettemin is het Pentagon erg bezorgd over China’s militaire modernisering. De Amerikaanse militaire leiders vragen zich hardop af: waar zijn de Chinezen op uit?
De afgelopen maanden is die vraag in stilte beantwoord: Peking wil ook militair de dominerende mogendheid van Oost-Azië worden. Daarvoor is het nodig de westelijke Pacific in de Chinese invloedssfeer te brengen en de Amerikaanse oorlogsvloot op een zo groot mogelijke afstand te houden. Die bedoelingen blijken bijvoorbeeld uit een bijna uit de hand gelopen conflict met Japan na de arrestatie van een dronken Chinese vissersbootkapitein. De man had een schip van de Japanse kustwacht geramd in de wateren bij een omstreden eilandengroep (Diaoyu in het Chinees, Senkaku in het Japans) tussen Okinawa en Taiwan. Die bedoelingen blijken ook uit de krachtig aangezette aanspraken op de Spratly-eilanden ver in de Zuidchinese Zee. Deze onbewoonde riffen en koralen worden geheel of gedeeltelijk opgeëist door acht landen. Een daarvan is China, dat de Spratly’s tot even onvervreemdbaar Chinees grond-gebied heeft verklaard als Tibet of Taiwan. Zolang China niet de volledige soevereiniteit over die beide eilandengroepen heeft, voelt de Chinese marine zich belemmerd in de vrije toegang tot de Pacific.
Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt het westelijke Pacific-gebied militair beheerst door de VS, die met de meeste staten een afzonderlijk militair verdrag hebben. Controle over dit zeegebied is voor China van enorm belang. Hier lopen immers de voor de Chinese economie vitale routes van olietankers en vrachtschepen. Hier ligt het eiland Taiwan, dat vroeg of laat, goedschiks of kwaadschiks, met het moederland moet worden verenigd. Hier liggen ook landen die China om diverse redenen scherp in de gaten moet houden: de onberekenbare communistische vriend Noord-Korea, de Amerikaanse vriend Zuid-Korea, de oude vijand Japan en de landen van Zuidoost-Azië, die als leveranciers van grondstoffen aan China en als afnemers van Chinese producten steeds hechter aan de Volksrepubliek gekluisterd raken.
China is vooral gefocust op Taiwan. Hoewel de spanningen onder de huidige Taiwanese president Ma Ying-jeao flink zijn verminderd, gaan van beide kanten de militaire toebereidselen door. Vorig jaar kondigden de VS militaire leveranties aan Taiwan aan. China reageerde met onevenredig grote woede en verbrak de militaire relaties met Washington. Deze maand probeerde de Amerikaanse minister van Defensie Gates in Peking die relaties te herstellen. Tijdens zijn bezoek lieten de Chinese militairen hun spierballen zien: de eerste testvlucht van China’s eigen radar-ontwijkende stealth-gevechtsvliegtuig. Kort tevoren waren er berichten dat China bezig was een ballistische raket te ontwikkelen die een vliegdekschip kan uitschakelen. Bovendien heeft China antisatelliet-systemen en kernonderzeeërs voor het afvuren van ballistische raketten gebouwd. En het eerste Chinese vliegdekschip zal binnenkort in de vaart komen.
Al deze militaire assertiviteit staat haaks op de soft power-campagne waarmee China wereldwijd goodwill probeert te kweken. President Hu heeft het nog vorige week in Washington verzekerd: China’s ontwikkeling zal vreedzaam zijn, China streeft niet naar hegemonie, China is wars van een expansionistische politiek. In Japan, Zuid-Korea en Zuidoost-Azië wordt daar hard aan getwijfeld. Als reactie op de Chinese dreiging hebben deze landen hun militaire banden met de VS aangehaald, wat toch niet de Chinese bedoeling kan zijn geweest. Japan ziet niet langer Rusland maar China als de grootste militaire bedreiging en heeft daarom zijn defensiestrategie omgegooid. De VS zijn handig in het gat gesprongen: de vrijheid van scheepvaart in het omstreden gebied in de Zuidchinese Zee, aldus minister Clinton, is een Amerikaans ‘nationaal belang’. Applaus van de Zuidoost-Aziaten, maar een woeste reactie van Peking: dit is een diplomatieke 'aanval op China’.
Ook internationaal laat China het ene assertieve staaltje na het andere zien. Op de klimaatconferentie in Kopenhagen eind 2009 werd president Obama geschoffeerd door Chinese functionarissen van de tweede garnituur. Peking ligt dwars bij het treffen van internationale sancties tegen zijn belangrijke handelspartner Iran. En het weigert maatregelen te nemen tegen de provocaties van Noord-Korea, zoals de torpedering van een Zuid-Koreaans oorlogsschip (46 doden) en de beschieting van een Zuid-Koreaans eiland (vier doden). Vanwaar die extreme terughoudendheid? Peking wil niets doen om het regime van Kim Jong Il te destabiliseren, uit angst dat Noord-Korea wordt geabsorbeerd door Zuid-Korea. China zou dan immers komen te grenzen aan een land met Amerikaanse militairen, en miljoenen Noord-Koreanen zouden naar China vluchten en daar voor nog meer etnische onrust zorgen. Dus liever de status-quo handhaven dan Noord-Korea’s nucleaire ambities indammen. Daarom hamert China zo op de hervatting van het zeslandenoverleg, een ideaal forum voor Noord-Korea om de rest van de wereld aan het lijntje te houden.
En zo is er meer. Bijvoorbeeld de Google-affaire, die begon toen Google-China werd gehackt (zoals later bleek op bevel van een van de leden van het Vaste Comité van het Politbureau) en uitliep op Google’s - verloren - protestactie tegen de censuur. Of neem China’s buitenproportionele verontwaardiging over de ontmoeting van Obama met de dalai lama, de hysterische en totaal contraproductieve reactie op de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan de Chinese dissident Liu Xiaobo, of de benoeming van een Chinese bisschop zonder instemming van het Vaticaan, iets wat in vier jaar niet was voorgekomen. Hoe is deze systematische afwijking van de prudente lijn van Xiaoping te verklaren? Nationalisme? Ongetwijfeld. Onnadenkendheid? Waarschijnlijk. Iets anders? Zeer zeker: de financiële wereldcrisis.
China heeft zich snel van die crisis hersteld, met een economische groei van alweer 10,3 procent in 2010. Het is de bankier van de VS geworden, dat een kwart van zijn staatsschuld in Peking heeft uitstaan. Logisch dat China zich in die positie niets meer door Washington laat gezeggen, of het nu gaat om de koers van de yuan, de scheve handelsbalans, handelsbarrières, Tibet, mensenrechten of wat dan ook. Tegelijk heeft China de VS tot nader order nodig voor handel, investeringen, technologische kennis en de aanpak van allerlei gemeenschappelijke problemen, zoals de strijd tegen het terrorisme, de nucleaire proliferatie en de klimaatcrisis. Omgekeerd kan Amerika niet zonder China. Ze kunnen dus niet echt een vuist tegen elkaar maken. Die dubbelslachtigheid droop er vanaf tijdens het staatsbezoek van Hu vorige week aan de VS. Hu en Obama waren het eens over wat hen bindt, en bleven ver van elkaar in praktisch alles wat hen verdeelt.
Maar ook China zelf is verdeeld. Er is geen absolute leider meer. Sinds de Kleine Stuurman Deng is het leiderschap collectief en de partijleider een primus inter pares, die vooral tot taak heeft de rivaliserende fracties op één lijn te krijgen. Zelf kan hij niet anders dan een grijze figuur zijn. Dat geldt voor Hu Jintao, het geldt ook voor de man die hem in 2012 gaat opvolgen, de huidige vice-president Xi Jinping. Het blijkt echter steeds lastiger de schijn van eenstemmigheid hoog te houden, vooral op het gebied van de buitenlandse politiek. Op dat terrein roeren zich allerlei machtsgroepen, mede met het oog op de verdeling van de hoogste posten volgend jaar. Het minst te vertellen heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken. De minister is niet eens lid van het Politbureau.
De belangrijkste machts-groep zijn de militairen. Dankzij China’s economische expansie en de recessie in de VS zijn ze zeer assertief geworden. Soms stellen ze zelfs Hu voor voldongen feiten, zoals in het geval van de proefvlucht van het stealth-vliegtuig. Zijn de Chinese militairen bezig zich aan het gezag van de partij te onttrekken? Komt binnenkort de macht in China weer uit de loop van een geweer?

In de lente verschijnt van Jan van der Putten bij uitgeverij Nieuw Amsterdam het boek Verbijsterend China: Wereldmacht van een andere soort