De grote gelijkmaker

Het leven leert ons alles over het geld, het geld leert ons alles over het leven. Ziedaar Georg Simmels filosofie van het geld in een notedop. Zijn analyse uit 1900 staat nog altijd overeind en wordt alleen maar actueler. Een essay over levensstijl en geldcultuur
‘IK WEET DAT ik zonder geestelijke erfgenamen zal sterven (en dat is goed). Wat ik nalaat zal als contant geld verdeeld worden onder velen; die zullen het naar eigen goeddunken aanwenden zonder dat de herkomst ervan nog herkenbaar zal zijn.’ Deze geldmetafoor tekende de Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel op in zijn dagboeknotities. Een beetje gelijk heeft hij wel gekregen, maar dat gold vooral tot aan zestig jaar na zijn dood. Want in 1978 verscheen de Engelse vertaling van zijn monumentale, zeshonderd bladzijden tellende Philosophie des Geldes uit 1900 en kort daarna volgden een Italiaanse en Franse vertaling. Een tekstkritische uitgave in 24 banden van Simmels oeuvre is in voorbereiding bij Suhrkamp Verlag.

In Duitsland spreekt men van een Simmel-renaissance, in Frankrijk van een Simmel-hausse en in Amerika van een Simmel-revival. Simmel geniet de twijfelachtige eer dat men hem weer is gaan lezen dank zij het postmodernismedebat; hij zou niet alleen als eerste de moderne levensstijl theoretisch hebben doordacht, maar dat ook nog hebben gedaan in een voor de postmodernisten aantrekkelijke schrijfstijl, die van het impressionistische en fragmentarische essay.
Met zijn tijdgenoten Max Weber en Emile Durkheim wordt Georg Simmel (Berlijn 1858 - Strasbourg 1918) tot de grondleggers van de sociologie gerekend. Maar hij heeft zich niet uitsluitend en zelfs niet overwegend met sociologische vragen beziggehouden. Naast het cultuurfilosofische meesterwerk over de rol van het geld in de moderne cultuur en de niet minder monumentale Soziologie uit 1908 schreef Simmel studies over zulke uiteenlopende onderwerpen als de vreemdeling, de arme, de toneelspeler, de adel, de maaltijd, de brief, het geheim, het sieraad, het avontuur, over koketterie, jaloezie, schaamte en discretie, over de Alpen, de ruine, het jodelen, over vrouwelijke cultuur, de persoonlijkheid van God, de esthetiek van het gelaat, over Goethe, Nietzsche en Rembrandt - om van de grotere thema’s als godsdienst, moraal, kennis en wetenschap maar te zwijgen. En in zijn laatste publikatie, kort voor zijn dood voltooid, heeft hij het zelfs aangedurfd om zijn gedachten over metafysische problemen als leven, dood en onsterfelijkheid op schrift te stellen.
VAN SCHOOLVORMING is geen sprake geweest, maar zijn concrete en essayistische filosofie en de scherpe en hypergevoelige manier waarop hij de cultuur van zijn tijd observeerde, hebben grote aantrekkingskracht uitgeoefend op een hele generatie intellectuelen uit de Weimar-tijd, onder wie Georg Lukacs, Walter Benjamin en Ernst Bloch en later op de generatie maatschappijtheoretici met Max Horkheimer en Theodor W. Adorno ter linkerzijde en Arnold Gehlen en Helmut Schelsky aan de rechterkant van het ideologische spectrum. Simmels Pilosophie des Geldes bevat een analytisch en synthetisch deel, het eerste deel gaat over de wording van geld en de theoretische reflectie op waarden.
Simmels waardentheorie is tot op de dag van vandaag inspirerend. Waarde is niet iets subjectiefs noch iets objectiefs, maar ein Drittes: uit de afstand tussen subject en object ontstaat de waarde van de dingen. Drijvende kracht is en blijft steeds een subject met zijn verlangens en gevoelens, maar in de economie is de ruilvorm het instrument waardoor de totstandkoming van waarden is geobjectiveerd. Economische objecten geven onderling aan elkaar hun waarde. Waardebepaling is zo een kwestie van relativiteit. Deze relationistische theorie loopt als een rode draad door Simmels werk. De vraag naar de subjectiviteit of objectiviteit van een waarde is dan ook een fout gestelde vraag.
Simmel heeft de basis voor zijn studie over het geld gelegd met het aangeven hoe waarden tot stand komen; dan volgt een uitvoerige uiteenzetting van hoe dit proces, waarbinnen de economie zich afspeelt, verder verloopt. Langs tal van wegen laat Simmel zijn lezers zien hoe het verschijnsel geld moet worden begrepen uit de psychologische en sociologische eigenschappen van het leven van individuen en groepen. In het tweede deel volgt hij de omgekeerde weg door te laten zien hoe het geld inwerkt op het leven van alledag tot in de diepste vezels van het individu, de samenleving en de cultuur in het algemeen.
Filosofie van het geld is Simmels levensfilosofie: het leven leert ons alles over het geld, het geld leert ons alles over het leven. Dit boek heeft weinig aan actuele betekenis ingeboet. Vooral het tweede deel, over de invloed van het geld op de levensstijl van de moderne samenleving, had bij wijze van spreken gisteren geschreven kunnen zijn. Het verbaast dan ook niet dat in de hernieuwde belangstelling voor Simmel zijn cultuurdiagnose veel weerklank vindt. Niet zozeer om zijn betekenis voor de economische theorievorming maar wel om zijn bijdrage aan het actuele debat over waarden wordt Philosophie des Geldes weer gelezen.
HET EERSTE WAT WE van geld kunnen zeggen, is dat het de grote gelijkmaker is. Wat ongelijk aan elkaar is, wordt door dit universele middel aan elkaar gelijk en daardoor voor transactie geschikt gemaakt. Hoe abstracter dat middel is, hoe minder het zelf een sta-in-de-weg is bij deze transacties of ruilrelaties. Hoe abstracter geld is, hoe meer het beantwoordt aan zijn functie en des te gemakkelijker kunnen dingen worden ingewisseld, geruild of vervangen.
Dat dit zo is, blijkt uit de geschiedenis van het geld. Naarmate geld meer geld wordt, komt het losser te staan van de materie die als geld dienst doet en van de substantie waar het van gemaakt is - tot het zelfs onzichtbaar wordt. Hoe minder geld zelf is, hoe beter en sneller het zijn werk doet. Van vee, zout en schelpen naar muntgeld en van muntgeld via papiergeld en giraal geld naar de creditcard betekent eigenlijk dat geld steeds meer van zijn individualiteit heeft moeten inleveren ten gunste van zijn functionaliteit.
Deze ontwikkeling in de richting van toenemende abstractie gaat gepaard met een groter beroep op het onderlinge vertrouwen in de samenleving. In meer dan enkel economisch opzicht is een op de geldeconomie gebaseerde samenleving van krediet afhankelijk. Omdat de relaties tussen mensen zakelijker, functioneler en minder persoonlijk zijn geworden, weten mensen minder van elkaar en neemt de betekenis van vertrouwen in de persoon van de ander sterk toe. Weinig relaties tussen mensen zullen blijven bestaan als vertrouwen niet even sterk zou zijn als of nog sterker zou zijn dan rationeel bewijs of persoonlijke observaties. Francis Fukuyama was beslist niet de eerste die met zijn jongste boek Trust hierop wees. Moderne staten zijn inderdaad high-trust staten. Fukuyama verwijst overigens niet naar Simmel.
Verlies van individualiteit door toenemende abstractie - de lange weg die de geldontwikkeling heeft afgelegd - is volgens Simmel symbolisch voor veel eigentijdse verschijnselen en ervaringen. Zo ontleent het stadsleven zijn atmosfeer en karakter aan het feit dat de ontelbare relaties die er zich dagelijks afspelen, niet zozeer op individualiteit maar in toenemende mate op functionaliteit zijn gebaseerd. Hoe meer dit het geval is, hoe sterker het stedelijk klimaat zich aan ons opdringt. Het stadsleven dwingt deelnemers automatisch tot reserve en distantie, dwingt hen in de rol van ‘mensen zonder eigenschappen’, tot verhulling en bescherming van de eigen individualiteit om des te beter de rol van stedeling te kunnen spelen.
Geld sluit hier goed bij aan en doet eigenlijk niet anders. Het drukt de geldwaarde van de dingen uit en niet hun individualiteit of kwaliteit. Individualiteit schrijven we toe aan datgene wat een ondeelbare eenheid of vorm bezit en omwille daarvan wordt gewaardeerd. Geld nivelleert de kwalitatieve verschillen tussen de dingen door deze te reduceren tot kwantiteitsverschillen: hoeveel meer of minder waard ze zijn.
Ook de waarde van het geld zelf wordt afgemeten aan zijn kwantiteit, want de eerste en belangrijkste associatie die mensen hebben als het om geld gaat, is toch zeker de vraag: hoeveel? Geld kan om geen andere reden worden gewaardeerd, want het bezit geen andere waarde dan zijn deelbare kwantiteit. Het mist dan ook iedere vorm van individualiteit, die immers op eenheid en ondeelbaarheid betrekking heeft.
Daarom is volgens Simmel het geld de grootste vormverstoorder. Zelf mist het individualiteit en daarmee iedere vorm, maar het laat ons bovendien de dingen op hun kwantitatieve geldwaarde beoordelen en dat betekent eigenlijk een minachting voor hun individualiteit tonen of een zekere mate van onverschilligheid. Kwantiteit en vormloosheid gaan samen zoals kwaliteit en vorm bij elkaar horen. De vormverstorende werking van geld blijkt nog het duidelijkst als men de dingen weegt en het gewicht waardebepalend laat zijn. Dan wordt de vorm van de dingen volkomen genegeerd. Volgens Simmel moet juist in de principiele vormloosheid en de vormverstoring van het geld als geld de wortel worden gezocht van het diepverankerde antagonisme tussen enerzijds de esthetische houding die de waarde van de dingen in hun vorm zoekt, in hoe ze zijn en anderzijds de interesse in geld, die van de dingen wil weten hoeveel ze waard zijn.
PRIKKELEND IS SIMMELS STELLING dat de behoefte aan esthetisering van het dagelijks leven toeneemt naarmate de rol van de geldeconomie groter wordt, terwijl geld en esthetiek toch in vele opzichten elkaars tegenpolen zijn.
We zien dat in de stedebouw en architectuur, de winkelcentra en de detailhandel, in de vormgeving van dingen, in de reclame die zich tot affichekunst heeft ontwikkeld - fenomenen die men volgens Simmel allemaal kan scharen onder de noemer van Schaufenster-Qualitat van de dingen. De economie moet naast nut de dingen ook een verleidelijke buitenkant geven en door de presentatie met andere dingen - het arrangement in etalages en op beurzen en tentoonstellingen - de belangstelling van kopers zien te wekken.
Er is dus in de cultuur in toenemende mate sprake van een verdere expansie van de esthetische dimensie. Tegelijkertijd met de vergroting van de ruilwaarde van dingen die er mooi uitzien of in een fraaie omgeving worden uitgestald en tentoongespreid, wordt de ruil- en geldwaarde ervan versluierd. Bourdieu heeft gewezen op de ontkenning van de economie in de wereld van de esthetiek; Simmel wijst juist op de esthetiserende tendensen in de wereld van de economie.
Mensen in een door de geldcultuur beheerste samenleving vertonen een eigen levensstijl waarin de eigenschappen en de werking van het geld duidelijk herkenbaar zijn. Simmels cultuur- en tijdsdiagnose spitst zich toe op de problematische verhouding tussen het individuele, het persoonlijke en het kwalitatief bijzondere aan de ene kant en het algemene, het vergelijkbare en optelbare aan de andere kant, anders gezegd: tussen individualiteit en vorm enerzijds en meer van hetzelfde en vormloosheid anderzijds.
We hebben al met Simmel geconstateerd dat geld kwaliteiten in kwantiteit omzet en daardoor de individualiteit van iedere betrokkene of elk ding afzonderlijk negeert en ondermijnt. Maar de individualiteit van personen en dingen wordt nog minstens door twee andere factoren van de geldcultuur ondergesneeuwd of veronachtzaamd. Ten eerste door de enorme stijging van de hoeveelheid cultuurprodukten en ten tweede door de snelle wisseling van deze produkten.
De eerste factor heeft betrekking op het gigantische aanbod van de dingen dat zo sterk is toegenomen dat geen mens nog in staat is, ook niet op beperkt gebied, alles bij te houden of zich erbij betrokken te voelen. Hoe groter en gedifferentieerder het aanbod, hoe moeilijker mensen het ermee hebben met de dingen vertrouwd te raken en er een band mee te krijgen. Deze diagnose is aan het einde van de eeuw nog steeds geldig. Internet-gebruikers zullen deze ervaring kunnen beamen.
De tweede factor heeft betrekking op de steeds kortere levensduur en de versnelde circulatie van produkten, waarvan de wisselende modes voldoende bewijs leveren. Hoe intenser en vlugger modes elkaar afwisselen, hoe sterker het tegenwoordige-tijdgevoel zich bij mensen ontwikkelt. Simmel vermeldt hiervan als voorbeeld het in zijn tijd actuele feit dat de trage sigaar werd vervangen door de snelle sigaret, symbool bij uitstek van de vaart en gretigheid die de consumentencultuur zo kenmerken. Het moderne bewustzijn maakt van de geschiedenis een aaneenschakeling en blinde wisseling van inhoudelijk elkaar volledig onverschillig latende trends.
Kortom, door de veelheid van de dingen naast elkaar en de snelheid van de dingen na elkaar kunnen moderne mensen zich maar moeilijk met deze objectieve cultuur verbonden voelen. Hechte en duurzame aanknopingspunten worden niet meer geleverd.
Geld, aldus Simmel in zijn analyse van de moderne levensstijl, draagt ertoe bij dat veel mensen leven met de ervaring van een zoekgeraakt evenwicht tussen zichzelf en de hen omringende cultuur.
VOLGENS SIMMEL LIGT HIERIN de tragiek van het leven: dat het datgene voortbrengt wat aan zichzelf tegengesteld is. In zijn cultuurfilosofie gebruikt hij hiervoor het begrippenpaar subjectieve en objectieve cultuur. Van een cultuurconflict en cultuurcrisis is sprake wanneer individuen zichzelf niet meer in de vormen van de cultuur kunnen herkennen, die zij zelf in de loop van het cultuurproces hebben voortgebracht. De dynamiek is dus tevens de tragiek van de cultuur. De discrepantie kan tot grote spanningen en daarmee tot psychische en maatschappelijke conflicten leiden.
De atrofie van de individuele cultuur en de hypertrofie van de objectieve cultuur beschouwde Simmel als typerend voor zijn tijd, vooral merkbaar in de grote steden, waarin het leven oneindig gemakkelijker lijkt te zijn, omdat in de metropool van alle kanten stimuli worden aangeboden waarmee individuen hun tijd en bewustzijn vullen. Het is, aldus Simmel, alsof mensen met een stroom worden meegenomen waarin zij nauwelijks zelf hoeven te zwemmen.
Geen cultuurpolitiek kan volgens Simmel voorbijgaan aan deze tragische discrepantie tussen een snel groeiende en onbegrensd toenemende objectieve cultuur en een maar zeer langzaam te cultiveren subjectieve cultuur. De cultuurpolitiek kan wel bijdragen aan de verkleining van de discrepantie door veel waarde te hechten en aandacht te schenken aan de culturele vorming van individuen, iets wat grote culturen volgens Simmel altijd zeer bewust hebben gedaan, in het besef dat de hoogte van een cultuur uiteindelijk niet wordt afgelezen aan de ontwikkeling van de objectieve cultuur, maar aan de betekenis daarvan voor de culturele ontwikkeling van individuen.
Het zou overigens een te eenzijdig beeld oproepen van Simmels cultuurfilosofie als alleen de tragische kanten van de invloed van de geldeconomie worden benadrukt. Simmel wijst ook vaak op de emancipatorische kansen die de geldeconomie aan mensen biedt. De individuele vrijheid is door het toenemend belang van geld als ruilmiddel in tal van opzichten toegenomen. Geldbezit maakt mensen vrijer dan welk ander bezit dan ook. Door arbeidsverdeling en geldeconomie mogen de dingen om ons heen weliswaar veel verder ontwikkeld zijn dan de persoonlijkheid. Maar, zo merkt Simmel op, als de inhoud van het leven steeds zakelijker en onpersoonlijker wordt, betekent dat ook dat het besef toeneemt dat er een kern van de persoonlijkheid resteert waarop het geld geen greep heeft. Als het geld zowel symbool als oorzaak van gelijkschakeling en veruiterlijking is van alles wat gelijk te schakelen en te veruiterlijken is, wordt het daarmee onbedoeld ook beschermer van het meest persoonlijke domein, de individualiteit van ieder persoonlijk.
ALS IK ME AAN EEN samenvatting van Simmels geldfilosofie durf te wagen zou ik het zo formuleren: geld maakt niet gelukkig, maar gelukkig maken ze wel geld. Aan een collega-filosoof stuurde Simmel zijn boek met het leesadvies om, als hij er tijd voor had, toch vooral het laatste hoofdstuk te lezen, zijn cultuurkritische diagnose over de invloed van de geldeconomie op de levensstijl. Ik geef dit advies graag door aan de lezers van nu.
En voor wie een afkeer heeft van allesomvattende cultuurdiagnosen, blijft er nog genoeg te genieten over in Philosophie des Geldes. Fraai zijn Simmels excursies over de gierigaard, de vrek, de verkwister, de arme, de cynicus en het blase-type.
Het laatste hoofdstuk telt wel bijna honderd bladzijden en is - voor wie de Duitse tekst te veel afschrikt - te vinden in: Georg Simmel, The Philosophy of Money. Edited by David Frisby, Routledge, London and New York, Second edition 1990, blz. 537.