Kevin C. Powers De gele vogels

De Grote Gelijkmaker

Oorlogswoelingen zijn nooit aan de Amerikaanse literatuur voorbijgaan, integendeel. Of het nu gaat om de Burgeroorlog van 1860-1865, de twee wereldoorlogen, de Vietnamoorlog of welke maatschappelijke worsteling ook, wegkijken was er nooit bij. Stephen Crane en William Faulkner schreven indringend over de strijd tussen de Noordelijken en de Zuidelijken. Dos Passos en Ernest Hemingway publiceerden over veel meer dan de Eerste Wereldoorlog. Kurt Vonnegut, Thomas Pynchon en Joseph Heller behoorden tot de zeer vele betrokken auteurs die de Tweede Wereldoorlog vanuit een bijzonder standpunt bekeken. En de Vietnamoorlog kreeg zeer scherpe literaire aandacht van Norman Mailer, Michael Herr, Tim O’Brien, Tobias Wolff, Denis Johnson en vele anderen. Kon ik maar hetzelfde zeggen over de Nederlandse literatuur en de koloniale oorlog tussen 1945 en 1950 in Indonesië…

Vietnam lag in Amerika, en Afghanistan en Irak liggen nog steeds in de VS. Over die laatste oorlog schrijft ex-soldaat Kevin C. Powers zijn debuut De gele vogels, een eersteling die eigenlijk, van binnenuit, over álle oorlogen gaat. Powers was zeventien toen hij het Amerikaanse leger in ging. Een paar jaar later werd hij naar Irak gestuurd. Weer terug in Amerika paste hij aanvankelijk niet meer in de maatschappij en worstelde jarenlang met zijn oorlogstrauma (ptss). Hij ging Engels studeren aan de Universiteit van Virginia, zijn thuisstaat, en doceert tegenwoordig poëzie in Austin, Texas.

De ogenschijnlijke eenvoud van De gele vogels is meteen de kracht van het verhaal. Powers kiest één plaats van (gevechts)handeling uit – Al Tafar (= Tal Afar), in de streek Ninive in Noord-Irak bij de Tigris en de Syrische grens – en drie soldaten die een band met elkaar hebben: hoofdpersoon John Bartle, die in een blokhut ergens in Amerika achteraf zijn oorlogsverhaal schrijft; zijn jongere maatje Daniel Murphy (Murph), die in Irak sneuvelt; sergeant Sterling, die samen met Bartle tegen alle militaire voorschriften in Murphs toegetakelde lijk de Tigris in duwt. Ik zei: ogenschijnlijke eenvoud, want De gele vogels is bewust achronologisch opgebouwd. De lezer begint in september 2004 op een dak aan de rand van Al Tafar, waarna de schrijver terugblikt naar het oefenkamp Fort Dix in New Jersey in 2003 en vooruitkijkt naar de terugkeer naar ‘thuishaven’ Richmond, Virginia in maart 2005, via de Amerikaanse legerbasis in het Duitse Kaiserslautern. Maar daartussendoor keert de schrijvende ex-soldaat in de veilige blokhut telkens terug naar het oorlogs­toneel van Al Tafar.

De Irakoorlog is als alle oorlogen: die probeert de soldaten in alle seizoenen te doden. ‘De oorlog zou pakken wat hij pakken kon. Hij was geduldig.’ Hij is de Grote Gelijkmaker én ook een egoïstenmaker: eerst mijn eigen hachje. De grootste vijanden zijn niet de Irakezen (steevast ‘hadji’s’ genoemd) maar slaap, uitputting en angst. Powers slaat in De gele vogels de ideo­logische kant van de vijand bewust over en de historisch geïnteresseerde lezer zal niets vinden over de recente geschiedenis van Irak en hoe het kwam dat de Amerikanen in 2003 het land binnenvielen en meenden dat land makkelijk te kunnen veroveren. Daar gaat het Powers niet om. Hij wil laten zien dat er in een guerrillastrijd om stad en platteland maar dát hoeft te gebeuren of een soldaat slaat op tilt en wordt een ongeleid projectiel. En dat gebeurt ook met Murph, als hij van het thuisfront slecht nieuws krijgt te horen en hij zichzelf niet meer in de hand heeft. Ondanks de belofte van zijn maat Bartle om voor hem te zorgen (een belofte waarvan de ervaren Sterling weet dat hij die niet kan houden), loopt Murph letterlijk op de vijand in de stad af, die hem op gruwelijke wijze te grazen neemt. Het knappe van Powers’ vertelling is dat de lezer al snel weet dat Murph het niet haalt maar dat de dosering van zijn sterfverhaal zo effectief is dat zijn dood én de afwikkeling ervan toch schokkend blijven. De vijand maakt gebruik van vuile en vuige middelen. Dat is al eeuwen bekend. En de Amerikanen zelf? ‘We waren ons niet langer bewust van onze barbaarsheid: het aftuigen van mensen en het schoppen van honden, de gewelddadige huiszoekingen en de algehele bruutheid van ons optreden. Alles wat we deden leek routine…’ Wie dit als verontschuldiging leest, vergist zich.

Net zo belangrijk als de oorlog is de traumatische thuiskomst van Bartle, zijn ontreddering en zijn totale apathie. Hij ‘bungelt’ als het ware ergens tussen oorlog en vrede in en weet niet hoe hij (verder) moet leven. Het is een opluchting als hij, vereenzaamd, wordt opgehaald door de militaire politie, die hem verantwoordelijk stelt voor het verdonkeremanen van Murphs lijk.

De gele vogels is een roman die het moet hebben van de kleine geschiedenis, van de scherpe waarneming dankzij stoten adrenaline, van de dagelijkse overlevingsstrijd van de gewone soldaat. En als er één niet overleeft, is er drama, persoonlijk verlies. Maar met dit debuut kán Powers nog niet uitgeschreven zijn over de oorlog, over zijn oorlog. De kernvraag die de dichter/schilder Kenneth Patchen stelde in zijn anti-oorlogsboek Het dagboek van Albion Moonlight (1941) is nog steeds niet beantwoord: ‘Iedereen zegt: waar kunnen we ons verstoppen als de oorlog komt? Niemand zegt: waar kunnen we de oorlog verstoppen?’