Essay: Het Kraus-project

De Grote Hater

Karl Kraus, schrijver, uitgever en satiricus, ging fel tekeer tegen alles wat hem niet aanstond aan Wenen in 1910. In zijn hunkering naar een betere wereld, waarin waarachtig individualisme mogelijk was, bleef hij het zuur van zijn woede gieten op alles wat vals was. Jonathan Franzen ziet niet alleen overeenkomsten tussen Amerika in 2013 en Wenen in 1910, maar herkent ook Kraus’ boosheid.

Karl Kraus was een Oostenrijks satiricus en een centraal figuur in het notoir rijke geestelijke leven in het Wenen van het fin de siècle. Van 1899 tot aan zijn dood in 1936 redigeerde en publiceerde Kraus het gezaghebbende tijdschrift Die Fackel; vanaf 1911 was hij tevens de enige schrijver in dat blad. Al had Kraus vast een gloeiende hekel gehad aan blogs, Die Fackel was een soort blog, dat door vrijwel iedereen die ertoe deed in de Duitssprekende wereld, van Freud tot Kafka tot Walter Benjamin, werd gelezen en waarover iedereen een mening had. Kraus was vooral bekend door zijn aforismen – bijvoorbeeld: ‘Psychoanalyse ist jene Geisteskrankheit, für deren Therapie sie sich hält.’ En op het toppunt van zijn populariteit trok hij met zijn lezingen duizenden toehoorders.
Bij eerste lezing is Kraus heel moelijk te volgen – opzettelijk moeilijk. Hij was de plaag van de weggooi-journalistiek, en voor zijn navolgers (hij genoot cultachtige navolging) vormde zijn dichte, ingewikkelde gecodeerde stijl een welkome barrière; het hield de niet-ingewijden buiten. Kraus zelf merkte in een aanval op de criticus en toneelschrijver Herman Bahr op: ‘Als hij één zin van dit essay begrijpt, trek ik het hele ding terug.’ Als je de zinnen van Kraus meer dan één keer leest, zul je ontdekken dat ze veel te zeggen hebben in ons eigen door media verzadigde, door technologie doorgedraaide, apocalyptische tijdsgewricht.

Dit is bijvoorbeeld de eerste paragraaf van zijn essay Heine und die Folgen: ‘Twee oriëntaties in de geestelijke onbeschaafdheid: onmacht jegens inhoud en onmacht jegens vorm. De ene ervaart bij kunst alleen het onderwerp. Die is van Duitse herkomst. De andere ervaart in de materie het kunstige al. Die is van Romaanse afkomst. Voor de ene is kunst een instrument, voor de andere is het leven een ornament. In welke hel wil de kunstenaar gebraden worden? Hij woont vast liever tussen de Duitsers. Want al hebben ze de kunst op het procrustesbed van hun bedrijvigheid gelegd, ze hebben daarmee het leven ontnuchterd, en dat is een zegen: de fantasie wint er bij, en in de lege venstergaten stopt eenieder zijn eigen licht. Maar geen slingers! Niet de goede smaak, die het oog op-en-top verrukt en de verbeelding hindert. Niet die melodie van het leven, die mijn eigen muziek verstoort, welke pas klinkt in het gedruis van de Duitse werkdag. Niet dat algemene hogere niveau, vanwaar je zo makkelijk kunt constateren dat de krantenverkoper in Parijs meer charme heeft dan de Pruisische uitgever.’

Eerste voetnoot: Kraus’ achterdocht jegens de ‘melodie van het leven’ in Frankrijk en Italië snijdt nog steeds hout. Zijn bewering – dat door een straat lopen in Parijs of Rome een esthetische ervaring op zich is – wordt bevestigd door de aanhoudende populariteit van Frankrijk en Italië als vakantiebestemmingen en door de ‘benijd mij’-toon waarop Amerikaanse francofielen en italofielen je hun reisplannen meedelen. Als je zegt dat je op reis naar Duitsland gaat, doe je er goed aan erbij te zeggen wat je daar precies van plan bent te doen, anders zal men zich afvragen waarom je niet ergens naartoe gaat waar het leven mooi is. Ook nu nog hecht Duitsland meer aan inhoud dan aan vorm. Als het begrip coolness in Kraus’ tijd had bestaan, had hij kunnen zeggen dat Duitsland niet cool is.

Dit brengt me op een meer eigentijdse versie van Kraus’ tweedeling: Mac versus pc. Is niet de essentie van het Apple-product dat je al cool bent eenvoudigweg door het te bezitten? Het doet er zelfs niet toe wat je op je MacBook Air maakt. Gewoon een MacBook Air gebruiken, het elegante design van de hardware en software ervaren, is een genoegen op zich, zoiets als door een Parijse straat lopen. Terwijl het enige genot wanneer je op een klungelige, bruikbare pc werkt de kwaliteit van je werk zelf is. Zoals Kraus dat zegt over het Duitse leven, de pc ‘ontnuchtert’ wat je doet; hij staat je toe het onversierd te zien. Dit ging met name op in de jaren van de dos-besturingssystemen en de vroege Windows.

Een van de ontwikkelingen die Kraus zal afkeuren – het opleuken van de Duitse taal en cultuur met decoratieve elementen die zijn geïmporteerd uit de Romaanse taal en cultuur – heeft een equivalent in recentere edities van Windows, die steeds meer aan Apple ontlenen maar het feit dat Windows wezenlijk niet cool is niet kunnen verhullen. Erger nog, in de jacht op de elegantie van Apple verraden ze de oude, strengere schoonheid van de functionaliteit van de pc. Ze werken nog altijd niet zo goed als Macs, en ze zijn niet alleen niet cool maar ook in gebruik onaangenaam. En toch, om Kraus te herhalen, houd ik me liever op tussen pc’s.

Ik zou tekortschieten als ik er niet bij zei dat het begrip cool zo totaal is ingelijfd door de technologische wereld dat een vergelijkbaar woord als ‘hip’ nodig is. De rustloosheid van wie of wat nu als hip wordt beschouwd, is misschien een gedrocht dat Marx, zoals bekend, zag als de ‘rusteloze’ aard van het kapitalisme. Een van de ergste dingen van internet is dat het iedereen verleidt om sophisticated te zijn – om standpunten in te nemen over wat hip is en op het gevaar af niet-hip te worden gevonden de standpunten te overwegen die ieder ander inneemt. Kraus had zich misschien niet druk gemaakt over dat hippe op zich, maar hij vond het beslist heerlijk standpunten in te nemen en was heel alert op de standpunten van anderen. Hij was sophisticated, en dat is een van de redenen waarom Die Fackel aan een blog doet denken. Kraus stak een heleboel tijd in het lezen van stof die hij haatte, teneinde het met gezag te kunnen haten.

‘In culturen waarin iedere domkop individualisme bezit, wordt individualisme iets voor domkoppen’

‘Geloof me, kleurengekken, in culturen waarin iedere domkop individualisme bezit, wordt individualisme iets voor domkoppen.’

Tweede voetnoot: zulke dingen mag je vandaag de dag in Amerika niet zeggen, hoe ook de miljard (of is het al twee miljard?) ‘geïndividualiseerde’ Facebook-pagina’s je misschien doen popelen om ze te zeggen. Kraus stond in zijn tijd bij vele vijanden bekend als de Grote Hater. Volgens de meeste verhalen was hij privé een zachtaardig en hartelijk man en had hij vele, trouwe vrienden. Maar als hij eenmaal het roer van zijn polemische retoriek vast heeft, wordt zijn toon uiterst harsh, ja scherp, messcherp.

***

De geïndividualiseerde ‘domkoppen’ die Kraus hier in gedachten heeft zijn niet hoi polloi. Al kon Kraus elitair overkomen, het ging hem er niet om de massa’s of de lage cultuur zwart te maken; de uitgekiende moeilijkheid van zijn schrijven was geen barricade tegen de barbaren. Ze was integendeel gericht tegen slimme, wel opgevoede culturele autoriteiten die een valse vorm van individualisme omarmden – mensen van wie Kraus dacht dat ze beter moesten weten.

Het is niet duidelijk of Kraus’ snerpende, ex cathedra geformuleerde aanklachten de meest effectieve manier waren om harten en gedachten te veranderen. Maar ik geef toe dat ik iets van zijn teleurstelling navoel wanneer een romanschrijver van wie ik denk dat hij beter had moeten weten, Salman Rushdie, zwicht voor Twitter. Of als een politiek geëngageerd gedrukt blad, n+1, gedrukte bladen uitmaakt voor terminaal ‘mannelijk’, internet verheerlijkt als ‘vrouwelijk’, en hoe dan ook verzuimt stil te staan bij de hand over hand toenemende verpaupering van de freelance-schrijvers vanwege internet. Of als keurige linkse professoren, die ooit weerstand boden aan de vervreemding – die het kapitalisme bekritiseerden vanwege z’n onvermoeibare aanval op iedere traditie en iedere gemeenschap die in de weg stond – het corporatistisch geworden internet ‘revolutionair’ gaan noemen.

‘En niet het schilderachtige gewemel op een oude gorgonzolakorst boven de eerlijke monotonie van witte roomkaas! Moeilijk te verteren is het leven sowieso. Maar het Latijnse dieet verfraait de walging, je bijt en bent er geweest. De Duitse leefregel maakt schoonheid en stelt ons op de proef: hoe herstellen wij de schoonheid? De Latijnse beschaving maakt van iedereen een dichter. Daar is de kunst geen kunst. En de hemel een hel.’

‘De Latijnse beschaving maakt van iedereen een dichter. Daar is de kunst geen kunst. En de hemel een hel’

Onder de oppervlakte van deze alinea speelt de gedachte dat Wenen, Kraus’ hoofdonderwerp, een tussengeval was – zoals Windows Vista. Qua taal en oriëntatie was het Duits, maar het was de medehoofdstad van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, dat rooms-katholiek was en zich ver naar Zuid-Europa uitstrekte, en het was verliefd op z’n eigen besef van de bijzondere, bekoorlijke Weense esprit en levensstijl. (‘De straten van Wenen zijn geplaveid met cultuur’, luidt een van Kraus’ aforismen. ‘De straten van andere steden met asfalt.’) Voor Kraus kwam die vermeende culturele charme van Wenen neer op een web van schijnheiligheden dat breeduit lag gespreid over diepe en steeds rampzaliger tegenstellingen, die hij met zijn satire wilde ontmaskeren. In de openingsalinea van het essay lijkt hij de Latijnse cultuur harder aan te vallen dan de Duitse, maar in werkelijkheid ging Kraus heel graag op vakantie naar Italië en had hij daar zijn meest romantische ervaringen. De plaats waar de kloof tussen inhoud en vorm echt gevaar opleverde, was voor hem Wenen, dat snel moderniseerde en industrialiseerde, maar vasthield aan vroeg-negentiende-eeuwse politieke en maatschappelijke modellen. Kraus was geobsedeerd door de rol van de moderne kranten om de tegenstellingen te verdoezelen. Net als het Hearst-concern in Amerika had de burgerlijke Weense pers immens veel politieke en financiële invloed en was ze aantoonbaar corrupt. Ze profiteerde grotelijks van de Eerste Wereldoorlog en leende zich om in jaren van werktuiglijke slachting bekoorlijke Weense mythen als de ‘heldendood’ in stand te houden. De Grote Oorlog was de Oostenrijkse Apocalyps die Kraus almaar had voorspeld en hij hekelde de medeplichtigheid van de pers meedogenloos.

***

Wenen 1910 was dus een speciaal geval. En toch kun je volhouden dat Amerika 2013 net zo’n speciaal geval is: opnieuw een verzwakt imperium dat zichzelf van alles wijsmaakt over z’n uitzonderlijkheid terwijl het op weg is naar een Apocalyps, of die nu fiscaal of epidemiologisch is, een milieuramp of een thermonucleaire ramp. Ons Extreem Links mag religie haten en denken dat we Israël vertroetelen, ons Extreem Rechts mag illegale immigranten haten en denken dat we zwarten vertroetelen, en niemand mag weten hoe de economie geacht wordt te werken nu de banen in onze verwerkende industrie naar de andere kant van de oceaan zijn gegaan, de kern van ons dagelijks leven nu bestaat uit algehele verstrooiing. We slagen er niet in de echte problemen onder ogen te zien; we staken onverrichter zake een biljoen dollar in Irak dat niet echt een probleem was; we kunnen het er niet eens over eens worden hoe we moeten voorkomen dat de gezondheidszorg het bruto nationaal product opslokt. Waar we het allemaal wél over eens kunnen worden is dat we onszelf uitleveren aan de nieuwe media en technologieën, want cool, aan Steve Jobs en Mark Zuckerberg en Jeff Bezos, en hen op onze kosten laten profiteren. Onze situatie lijkt behoorlijk op die van Wenen 1910, behalve dat de krantentechnologie is vervangen door digitale technologie en Weense charme door Amerikaanse coolheid.

In zijn essay Apokalypse (1908) schrijft hij: ‘De cultuur kan niet meer op adem komen, en uiteindelijk ligt er een dode mensheid naast haar werken, waarvan het uitvinden zoveel van ons intellect heeft gevergd dat we niets meer over hebben om er gebruik van te maken. We waren ontwikkeld genoeg om machines te bouwen, maar te primitief om ervoor te zorgen dat ze ons dienen.’ Voor mij is wellicht het meest imponerende bij Kraus als denker dat hij zo vroeg en zo duidelijk de tweespalt tussen technologische vooruitgang enerzijds en morele en intellectuele vooruitgang anderzijds onderkende. Een eeuw die volgde op die eerste, met wetenschappelijke ontdekkingen die niet lang geleden wonderbaarlijk zouden hebben geleken, heeft geresulteerd in perfecte smartphone-video’s van eikels die Mentos in een literfles Pepsi light gooien en ‘Wouww!’ schreeuwen als het spul eruit spuit. Visionaire techneuten in de jaren negentig beloofden dat internet zou leiden tot een nieuwe wereld van vrede, liefde en begrip, en hoge pieten bij Twitter blijven de utopische trommel roeren en maken er aanspraak op de grondlegger van de Arabische lente te zijn. Wanneer je hen hoort, vraag je je af hoe het mogelijk was dat Oost-Europa zich van de sovjets heeft kunnen bevrijden zonder mobiele telefoons, of hoe een stelletje Amerikanen in opstand kon komen tegen de Britten en de Amerikaanse Constitutie kon produceren zonder de mogelijkheid van 4G.

Tegenwoordig is het eeuwige refrein: ‘Onze krachtige nieuwe technologieën zijn niet tegen te houden.’ Verzet vanuit de bevolking beperkt zich bijna volledig tot kwesties over gezondheid en veiligheid en intussen blijven allerlei ‘logics’ – oorlogstheorie, technologie, de markt – zich automatisch ontvouwen. We leven in een wereld met waterstofbommen, omdat uraniumbommen niet voldoende waren voor wat ze moesten doen; als we wakker zijn, besteden we de meeste tijd aan sms’en en e-mailen en tweeten en facebooken op kleurenschermpjes van allerlei gadgets, omdat de Wet van Moore zegt dat we dat kunnen. We krijgen te horen dat we, om economisch concurrerend te blijven, de alfavakken moeten vergeten en onze kinderen ‘passie’ voor digitale technologie moeten bijbrengen en ze erop voorbereiden dat ze zich hun leven lang onafgebroken moeten bijscholen om er gelijke tred mee te houden. We dienen even rusteloos te worden als het kapitalisme zelf.

‘Die snelheid is alleen bedoeld om aan zichzelf te ontsnappen, maar dat beseft niemand. Lijfelijk aanwezig, geestelijk weerzinwekkend, perfect zoals hij is, hoopt deze tijd te worden ingehaald door komende tijden en dat de kinderen die verwekt zijn door de vereniging van sport en machine en met krant zijn gevoed, dan nog beter kunnen lachen… Hen bang maken lukt niet; wanneer zich een spook meldt, klinkt het: we hebben alles wat we nodig hebben. De wetenschap is erop gericht hen te garanderen dat ze hermetisch afgesloten zijn van alles van gene zijde. Met wat zich wereld noemt omdat het zichzelf in vijftig dagen rond kan reizen, is het afgelopen zodra het zichzelf kan berekenen. Om de vraag “wat dan?” resoluut onder ogen te zien rest haar nog het vertrouwen dat zij ook klaar zal komen met wat onberekenbaar is. En het brein heeft nauwelijks enige notie van het feit dat de dag van de grote droogte is aangebroken. En dan verstomt het laatste gegorgel, maar de laatste machine raast nog door totdat ook zij stil blijft staan omdat de operateur het Woord vergeten is. Want het verstand begreep niet dat het, als de geest afwezig was, weliswaar binnen de eigen generatie kon groeien, maar het vermogen om zich voort te planten zou kwijtraken. Wanneer twee keer twee werkelijk vier is, zoals ze zeggen, dan is dat te danken aan het feit dat Goethe het gedicht Meeresstille heeft geschreven. Maar nu weten ze zo precies hoeveel twee keer twee is dat ze het over honderd jaar niet meer kunnen uitrekenen. “Er moet iets op de wereld zijn gekomen dat vroeger nooit heeft bestaan. Een duivelse machine van de mensheid.”’

‘Er moet iets op de wereld zijn gekomen dat vroeger nooit heeft bestaan. Een duivelse machine van de mensheid’

Van al Kraus’ regels zijn dit waarschijnlijk de woorden die het meest voor mij betekend hebben. In deze passage roept Kraus de Tovenaarsleerling op – het onbedoelde ontketenen van bovennatuurlijke consequenties. Hoewel hij het heeft over de moderne krant is zijn kritiek zo mogelijk nog meer van toepassing op het eigentijdse technoconsumentisme. Voor Kraus school het helse machine-achtige van kranten in hun frauduleuze koppelen van verlichtingsidealen aan het onophoudelijke, ingenieuze jagen op winst en macht. Met het technoconsumentisme steunt de humanistische retorica van ‘empowerment’, ‘creativiteit’, ‘vrijheid’, ‘verbinding’ en ‘democratie’ het brutale monopolisme van technotitanen; de nieuwe helse machine lijkt in toenemende mate niets anders te gehoorzamen dan zijn eigen ontwikkelingslogica, en is veel verslavender dan kranten ooit geweest zijn en exploiteert veel meer het slechtste in de mens. Wat Kraus later over Nestroy zal zeggen, zou nu over Kraus zelf kunnen worden gezegd: ‘Hij attaqueert zijn bescheiden omgeving met een bitterheid die een latere zaak waardig is.’ De winst en het bereik van de Weense pers waren heel armzalig gemeten aan de normen van de huidige techno- en mediagiganten. De vloed van triviale, foute of zinloze gegevens is nu duizenden keren groter. Kraus voorzag alleen een toekomst waarin hij een dag zag aanbreken dat de mensen vergeten zouden zijn hoe ze moesten optellen en aftrekken; tegenwoordig kun je moeilijk een etentje met vrienden hebben zonder dat iemand naar zijn iPhone grijpt om een gegeven op te zoeken dat onze hersens vroeger geacht werden zich te herinneren. De technoprofeten zien daar natuurlijk geen greintje kwaad in. Zij wijzen erop dat de mensen hun geheugen altijd hebben uitbesteed – aan barden, historici, echtgenotes, boeken. Maar ik ben voldoende een kind van de jaren zestig om een verschil te zien tussen je vrouw de verjaardag van je nicht te laten onthouden en elementaire geheugenfuncties in handen te geven van een mondiaal controlesysteem.

‘Een uitvinding om de Koh-i-Noor in stukken te slaan ten einde zijn licht toegankelijk te maken voor iedereen die het niet heeft. Vijftig jaar draait hij nu al, die machine waar de Geest aan de voorkant in wordt gestopt om er aan de achterkant uit te komen als drukwerk – verdunnend, verbredend en vernietigend. De gever verliest, de ontvangers verarmen en de tussenpersonen voorzien in hun levensonderhoud…’

Dit is dus krausiaans proza. Waar ik me nu mee bezig wil houden is de vraag: waarom was Kraus zo boos? Hij was de jongste uit een welvarend, goed geassimileerd joods gezin met een bedrijfsinkomen dat groot en stabiel genoeg was om hem zijn leven lang financieel onafhankelijk te maken. Dit stelde hem weer in staat om Die Fackel precies zo uit te brengen als hij het wilde, zonder concessies te doen aan adverteerders of abonnees. Hij had een nauwe kring van goede vrienden en een veel grotere kring bewonderaars, velen van hen fanatiek, sommigen van hen beroemd. Al is hij nooit getrouwd, hij had een paar luisterrijke affaires en een intense, langdurige relatie. Zijn enige serieuze gezondheidsprobleem betrof een kromming in de ruggengraat, en zelfs dat had het voordeel dat hij zo uit militaire dienst kon blijven. Dus hoe werd een zo extreem fortuinlijk persoon de Grote Hater?

Ik vraag me af of hij zo boos was omdat hij zo bevoorrecht was. In zijn latere essay Nestroy und die Nachwelt verdedigt de Grote Hater zijn haat als volgt: ‘Zuur wil glans, en roest zegt dat het alleen maar bijtend is.’ Kraus haatte slechte taal omdat hij hield van goede taal – omdat hij zowel intellectueel als financieel de gaven had om die liefde te koesteren. En iemand die mazzel heeft gehad in het leven kan niet anders dan van de wereld verwachten dat hij blijft draaien zoals hij wil; als de wereld per se op verkeerde, op corrupte en smakeloze manieren wil draaien, voelt hij dat als verraad. En dus wordt hij kwaad, en die woede isoleert hem nog meer en verhoogt het gevoel dat hij alleen staat.

***

Net als iedere kunstenaar wilde Kraus bovenal een individu zijn. Een groot deel van zijn leven was Kraus uitdagend antipolitiek; het leek welhaast of hij beroepsmatige verbanden aanging met de bedoeling ze later op spectaculaire wijze te torpederen. Aangezien ook bekend is dat King Lear Kraus’ favoriete toneelstuk was, vraag ik mij af of hij zijn eigen lot niet kan hebben herkend in Cordelia, de geliefde jongste dochter die van de koning houdt en die, juist omdat zij de bevoorrechte dochter was geweest en verzekerd van de liefde van de koning, de persoonlijke integriteit heeft om te weigeren het met de taal op een akkoordje te gooien en tegen hem te liegen in zijn verdwazing. Zijn bevoorrechte positie baande de weg voor Kraus naar individuele onafhankelijkheid, maar de wereld leek erop uit hem te dwarsbomen. Ze stelde hem teleur op de manier waarop Lear Cordelia teleurstelt, en bij Kraus werd dit een recept voor woede. In zijn hunkering naar een betere wereld, waarin waarachtig individualisme mogelijk was, bleef hij het zuur van zijn woede gieten op alles wat vals was.

Ik wilde de tegenstrijdig- heden van Amerika blootleggen zoals Kraus die van Oostenrijk had blootgelegd

Laat me naar mijn eigen voorbeeld gaan, want ik heb het sowieso al met Kraus’ verhaal verbonden. Ik was de jongste in een liefdevol gezin dat, al was het bij lange na niet welvarend genoeg om een rentenier van me te maken, genoeg geld had om me in een goed schooldistrict te plaatsen en naar een voortreffelijke vervolgschool te sturen, waar ik van literatuur en taal leerde houden. Ik was een blanke, mannelijke, heteroseksuele Amerikaan met goede vrienden en een volmaakte gezondheid. En toch werd ik, ondanks al deze privileges, een extreem boos persoon. De tijd dat woede over me daalde zat zo dicht bij die waarin ik verliefd werd op Kraus’ schrijven dat de twee gebeurtenissen praktisch niet te scheiden zijn.

Ik was niet boos geboren. Integendeel, als het erop aankomt. Het mag overdreven klinken, maar volgens mij klopt het als ik zeg dat ik voor mijn 22ste geen weet had van woede. Als puber was ik wel eens weerspannig en opstandig tegen gezag, maar ik had, net als Kraus, hoegenaamd geen conflict met mijn vader, en het ergste wat kon worden gezegd over mijn moeder en mij is dat we kibbelden als een oud getrouwd stel. Echte woede, woede als levenswijze, was me vreemd tot op die ene namiddag in april 1982. Ik stond op een verlaten perron in Hannover. Ik kwam uit München en wachtte op mijn trein naar Berlijn, het was een donkere, grijze, Duitse dag, en ik haalde een handvol Duitse munten uit mijn zak en begon ze op het perron te keilen. Daarin zat iets vijandigs ten aanzien van Duitsland, want ik had kort tevoren een gruwelijke ervaring met een vrekkig, oud Duits wijf, en het deed me goed me voor te stellen hoe andere vrekkige, oude Duitse wijven zich bukten om de munten op te rapen, zoals ik wist dat ze zouden doen, en zo de pijn in hun knieën en heupen verergerden. De manier waarop ik de munten neersmeet was echter meer in het algemeen boos. Ik was boos op de wereld als nooit tevoren. De directe oorzaak van mijn woede was het feit dat ik had gefaald seks te hebben met een ongelooflijk mooi meisje in München, al was het niet echt falen, het was mijn eigen beslissing geweest. Een paar uur later, op het perron in Hannover, markeerde ik mijn entree in het leven na die beslissing door mijn munten weg te gooien. Toen stapte ik in een trein en ging terug naar Berlijn, waar ik op een Fulbright-beurs leefde, en waar ik me inschreef voor een college over Karl Kraus.

Mijn leraar Duits op college, George Avery, gaf me als huwelijksgeschenk drie maanden na mijn terugkeer uit Berlijn een gebonden editie van Kraus’ Die Dritte Walpurgisnacht. George, die mijn ogen had geopend voor het verband tussen literatuur en leven, was iets als een tweede vader voor me geworden, een vader die romans las en er erg om gaf; een substituut-vader die elk genoegen omarmde. Ik was een goede student van hem en het moet mijn wens zijn geweest om te laten zien dat ik hem waard was, om mijn liefde te tonen – waardoor ik in de maanden na mijn bruiloft probeerde de twee moeilijke essays van Kraus te vertalen die ik uit Berlijn mee naar huis had genomen.

Ik deed dit werk laat in de middag, na zes of zeven uur schrijven aan korte verhalen, in de slaapkamer van het kleine appartement in Somerville dat mijn vrouw en ik huurden voor driehonderd dollar per maand. Toen ik een versie van beide vertalingen klaar had, stuurde ik ze naar George. Hij stuurde ze een paar weken later terug met summiere kanttekeningen in zijn microscopische handschrift en met een brief waarin hij mijn poging toejuichte maar zei dat hij kon zien hoe ‘duivels moeilijk’ het was om Kraus te vertalen. Ik nam de wenk serieus, bekeek de resultaten met een frisse blik en constateerde ontmoedigd dat ze hoogdravend en nagenoeg onleesbaar waren. Bijna iedere zin behoefde bewerking en ik was zo uitgeput van al het verrichte werk dat ik de blaadjes in een map opborg.

Maar Kraus had me veranderd. Toen ik het korte verhaal eraan gaf en mijn roman weer ter hand nam, had ik zijn morele gloed, zijn satirische woede, zijn haat jegens de media, zijn zorg om de Apocalyps en zijn moed als aforistisch schrijver in gedachten. Ik wilde de tegenstrijdigheden van Amerika blootleggen zoals hij die van Oostenrijk had blootgelegd, en ik wilde dat doen via de roman, het populaire genre dat hij had versmaad maar ik niet. Ik hoopte nog steeds ook mijn Kraus-project te voltooien, nadat mijn roman me beroemd en tot miljonair had gemaakt. Om deze hoop te voeden verzamelde ik knipsels uit de zondagse Times en de dagelijkse Boston Globe waarop mijn vrouw en ik geabonneerd waren. Om een of andere reden – misschien om mezelf gerust te stellen dat andere mensen ook trouwden – las ik de bladzijden met huwelijksannonces aandachtig, terwijl ik koppen uitknipte als: ‘CYNTHIA PIGOTT GETROUWD MET LOUIS BACON’. En, mijn favoriet: ‘MISS LEBOURGEOIS IN HUWELIJKSBOOT MET SCHRIJVER’.

Kraus’ grootste klacht – dat de verbinding van technologie en media mensen vergeetachtig maakt over het verleden – lijkt nog steeds even terecht

Ik las de Globe met een specifiek kil Kraus-oog, en werd prompt woest om de onbenulligheid en slordige redactie en duffe, woordspelige koppen. Ik was zo verstoord door de van de pot gerukte, zielloze ‘geestigheid’ van FRONTALE KLAP, waarvan de familie van iemand die bij een autobotsing is omgekomen de grap leek mij niet zou inzien, en van AUTUMNIC BALM, wat mij kwetste in mijn besef van de ernst van de nucleaire dreiging, dat ik ten slotte een krausiaanse brief op poten naar de uitgever stuurde. De Globe plaatste de brief wel, maar kreeg het met kenmerkende slordigheid voor elkaar de zin waarom het ging te verbasteren tot ‘Automatic Balm’, waarmee mijn punt onbegrijpelijk werd. Ik was zo woest dat ik in mijn tweede roman nog eens bladzijden wijdde aan gegniffel over wat een lullig dagblad de Globe was. Mijn woede toen – niet alleen gericht tegen de media, maar tegen Boston, chauffeurs in Boston, de mensen op het lab waar ik werkte, de computer op het lab, mijn familie, mijn vrouws familie, Ronald Reagan, George H.W. Bush, literaire theoretici, de minimalistische fictieschrijvers die toen in de mode waren, en mannen die van hun vrouw scheidden – is me nu vreemd. Ik moet het te kwaad hebben gehad door het diepe isolement als getrouwd man en de meedogenloosheid waarmee ik mijzelf, in mijn ambitie en armoede, plezier ontzegde.

Een rol speelde, zoals ik eerder betoogde, waarschijnlijk ook de woede van de bevoorrechte persoon op de wereld omdat die hem teleurstelt. Als bleek dat ik niet genoeg van dergelijke woede voelde om een junior Kraus te worden, kwam dat door het genre dat ik had gekozen. Als een harde satiricus erin slaagt enige populariteit te verwerven, kan dat alleen betekenen dat zijn lezers hem niet begrijpen. Het gebrek aan lezers die Kraus konden respecteren was een uitgemaakte zaak, dus hoefde hij nooit op te houden met boos zijn: hij kon de Grote Hater achter zijn bureau zijn, en vervolgens kon hij zijn pen neerleggen en een gezellig persoonlijk leven leiden met zijn vrienden. Terwijl als een romanschrijver lezers vindt, al zijn het er weinig, hij of zij er in een andere relatie toe staat, omdat de relatie gebaseerd is op erkenning, niet op misverstand. Met zo’n relatie, met zulke lezers, wordt het domweg oneerlijk om zo boos te blijven. En het denkwerk dat fictie in de grond vereist, dat wil zeggen bedenken wat het is om iemand te zijn die je niet bent, ondermijnt mijn woede op den duur. Hoe meer romans ik schreef, hoe minder ik mijn eigen oprechtheid vertrouwde en hoe meer ik geneigd was om te sympathiseren met mensen als de zetters bij de Globe. Bovendien, toen het internet aan de macht kwam en berichtgeving verspreidde die net zo weinig kon worden vertrouwd als het moeite kostte om haar te lezen, werd ik bladen als de Times en de Globe zo dankbaar dat ze nog bestonden en half en half verantwoordelijke verslaggevers bleven betalen om verslag te doen, dat ik alle belangstelling verloor om ze dwars te zitten.

En dus haalde ik ergens in de jaren negentig mijn slechte Kraus-vertalingen uit de dienstdoende dossierkast en stopte ze dieper weg. Kraus’ uitspraken bleven door mijn hoofd spelen, maar ik had het gevoel dat ik Kraus was ontgroeid, dat hij een boze jongeman-achtige schrijver was, hoe dan ook geen romanschrijver. Wat me nu naar hem heeft teruggedreven is, deels, mijn knagend besef dat de Apocalyps, nadat ze even leek te wijken, nog steeds in beeld is.

***

In mijn eigen kleine hoekje van de wereld, dat wil zeggen Amerikaanse fictie, is Jeff Bezos van Amazon misschien niet de antichrist, maar hij ziet er beslist uit als een van de Vier Ruiters. Amazon wil een wereld waarin boeken of zelf gepubliceerd zijn of gepubliceerd door Amazon zelf, met lezers die voor hun boekenkeus afhankelijk zijn van Amazon-kritieken en met auteurs die verantwoordelijk zijn voor hun eigen promotie. Het werk van yakkers en tweeters en braggers, en van mensen met het geld om iemand te betalen om honderden vijfsterrenkritieken voor hen te produceren, zal in die wereld gedijen. Maar wat gebeurt er met hen die schrijver werden omdat babbelen, twitteren en de held uithangen ze voorkwam als onduldbaar oppervlakkige vormen van maatschappelijk engagement? Wat gebeurt er met hen die in de diepte willen communiceren, van individu tot individu, in de kalmte en duurzaamheid van het gedrukte woord, en die zijn gevormd door hun liefde voor schrijvers die schreven toen publicatie nog enige vorm van kwaliteitscontrole inhield en literaire reputaties meer waren dan een kwestie van zo veel mogelijk decibellen bij de zelfpromotie? Als hoe langer hoe minder lezers, te midden van het kabaal en de teleurstellende boeken en nepkritieken, hun weg nog weten te vinden naar het werk dat komt van de nieuwe generatie van dit soort schrijvers, is Amazon goed op weg om schrijvers te veranderen in het soort uitzichtloze loonslaven dat door hun contractbazen in hun magazijnen te werk wordt gesteld om harder te zwoegen voor minder, zonder arbeidszekerheid, omdat de magazijnen op plekken staan waar ze het enige kantoorverhuur vormen. En hoe groter het deel van de bevolking is dat als die loonslaven leeft, hoe groter de neerwaartse druk op de boekenprijzen en hoe groter die op conventionele boekverkopers, want als je niet veel geld verdient wil je je vermaak voor niks, en als het leven hard is wil je instant bevrediging (‘Gratis verzending binnen twaalf uur!’).

Maar als het fysieke boek op de lijst van bedreigde soorten komt, als de serieuze boekbesprekers uitsterven, als onafhankelijke boekwinkels verdwijnen, als literaire romanschrijvers verplicht zijn tot Jennifer Weiner-achtige zelfpromotie, als de Grote Zes van de uitgevers worden gedood en opgeslokt door Amazon: dan ziet dat er alleen maar als een Apocalyps uit wanneer de meesten van je vrienden schrijver, uitgever of boekverkoper zijn. Bovendien is het verhaal mogelijk nog niet afgelopen. Misschien dat het internet-experiment om consumenten besprekingen te laten maken zo’n schandelijke bende blijkt te zijn (al een derde van alle kritieken op online-producten zou nep zijn) dat men gaat roepen om de terugkeer van beroepscritici. Misschien dat allengs een economisch beduidend aantal lezers de menselijke en culturele prijs van de hegemonie van Amazon inziet en teruggaat naar lokale boekwinkels of op z’n minst naar barnesandnoble.com, die dezelfde boeken en een superieure e-reader levert en waarvan de eigenaren een progressiever beleid voeren. Misschien wordt men even misselijk van Twitter als ooit van sigaretten. De laatste voorbeelden van Twitter en Facebook om geld te verdienen lijken mij vooralsnog één deel piramidevorming, één deel wishful thinking en één deel stuitend, panoptisch toezicht.

Ik zou, dat is waar, in het kader van de Apocalyps kunnen hameren op de logica van de machine, die nu wereldwijd geldt en op de toenemende terugdringing van de natuur op aarde en de sterilisatie van haar oceanen. Ik zou kunnen wijzen op de verandering van het noordelijk woud in Canada in een giftig teerzandmeer voor bijproducten, de kap van de resterende bossen in Azië voor China made ultralaag geprijsde verandameubelen bij Home Depot, de indamming van de Amazone en de eindspel-achtige kap van de bossen daar ten behoeve van rundvlees en minerale productie, de hele mentaliteit van ‘schijt aan de gevolgen, we willen een hoop rotzooi kopen en we willen het goedkoop hebben, met gratis verzending binnen twaalf uur’. En ondertussen de oververhitting van de atmosfeer, het rampspoedig grootschalige gebruik van antibiotica in de landbouwsector, het wijdverbreide geknoei met celkernen, dat wel eens even noodlottig zou kunnen blijken te zijn als geknoei met atoomkernen. En ja, de thermonucleaire raketkoppen zitten nog steeds in hun silo’s en onderzeeërs.

***

Maar de Apocalyps betekent niet noodzakelijkerwijs het fysieke einde van de wereld. In feite impliceert het woord eerder een element van het laatste kosmische oordeel. In Kraus’ boekstaving van misdaden jegens de waarheid en taal in Die letzten Tage der Menschheit wijst hij niet alleen op fysieke vernietiging. Eigenlijk zou de titel van zijn toneelstuk beter kunnen worden vertaald als De laatste dagen van de menselijkheid: ‘ontmenselijkt’ betekent niet per se ‘ontvolkt’, en als de Eerste Wereldoorlog het einde van de mensheid in Oostenrijk betekende, was het niet omdat daar helemaal geen mensen meer waren. Kraus was ontzet door de slachting, maar hij zag die als het gevolg, niet als de oorzaak, van een verlies aan menselijkheid bij mensen die nog steeds in leven waren. In leven maar verdoemd, kosmisch verdoemd.

Maar een oordeel als dit hangt duidelijk af van wat je onder ‘menselijkheid’ verstaat. Of ik het nu leuk vind of niet, de wereld die door de helse machine van het technoconsumentisme is geschapen, is nog altijd een wereld die is gemaakt door menselijke wezens. Terwijl ik dit schrijf ziet het ernaar uit dat de helft van de reclame op televisie mensen laat zien die zich buigen over smartphones; er is één bij uitstek verderfelijke spot waarin alle twintigers op een huwelijksreceptie niks doen dan foto’s maken met hun smartphone en die onmiddellijk aan elkaar doorsturen. Dit trieste schouwspel in apocalyptische termen beschrijven als een ‘ontmenselijking’ van een bruiloft betekent een particuliere morele opvatting van menselijkheid opdringen; en als je Nietzsche volgt en het morele oordeel afwijst ten gunste van een esthetisch oordeel word je onmiddellijk geconfronteerd met Bourdieu’s welbespraakte verband tussen esthetiek en klasse en privilege; en voor je het weet ben je De laatste dagen van de mensheid aan het vertalen als De laatste dagen van bevoorrechting van de dingen die ik persoonlijk mooi vind.
En misschien is dit niet eens zo erg. Misschien is de Apocalyps paradoxaal genoeg altijd individueel, altijd persoonlijk. Mij is een kort verblijf op aarde gegund, aan beide kanten ingesloten door het absolute niets, en gedurende het eerste deel van dit verblijf hecht ik aan een particuliere reeks menselijke waarden die onvermijdelijk zijn vormgegeven door mijn maatschappelijke omstandigheden. Als ik was geboren in 1159, toen de wereld bestendiger was, had ik heel goed op mijn 53ste het gevoel kunnen hebben dat de volgende generatie mijn waarden zou delen en dezelfde dingen zou waarderen als ik had gewaardeerd; er was immers geen Apocalyps op handen. Maar ik werd geboren in 1959, toen televisie iets was waar je alleen op topuren en in de weekenden naar keek, en mensen brieven schreven en postten, en elk blad en elke krant een forse boekenbijlage had, en eerbiedwaardige uitgevers langetermijninvesteringen deden in jonge schrijvers, en New Criticism de vakgroepen beheerste, en het stroomgebied van de Amazone intact was, en antibiotica alleen werden gebruikt om ernstige infecties te bestrijden, niet gepompt in gezonde koeien. Het was niet per se een betere wereld (we hadden schuilkelders tegen de bom en gescheiden zwembaden), maar het was de enige wereld die ik kende om te proberen mijn plaats als schrijver in te vinden.

En nu, 53 jaar later, lijkt Kraus’ grootste klacht – dat de verbinding van technologie en media mensen dwangmatig geconcentreerd houdt op het heden en vergeetachtig maakt over het verleden – nog steeds even terecht. Kraus was het eerste grote voorbeeld van een schrijver die volledig ervoer hoe de moderniteit, met als wezen het versnellende veranderingstempo in zichzelf, de voorwaarden creëert voor een persoonlijke Apocalyps. Omdat hij de eerste was, kwamen de veranderingen hem specifiek en uniek voor, maar in feite registreerde hij iets wat een vast element van de moderniteit is geworden. De ervaring van iedere navolgende generatie is zo verschillend van die van de vorige dat er altijd mensen zullen zijn wie het voorkomt dat kernwaarden verloren zijn gegaan. Zo lang de moderniteit voortduurt, zullen alle dagen iemand voorkomen als de laatste dagen van de menselijkheid.

Jonathan Franzens meest recente romans zijn The Corrections _en Freedom. Deze week verschijnt zijn boek _Het Kraus-project in de vertaling van Nelleke van Maaren en Barber van de Pol (Prometheus, 240 blz., € 19,95)