De grote kladderadatsch na het jordaanoproer werd de wapenkamer van de jordaan voorgoed leeggeruimd: de straten werden geasfalteerd

Een oproer laat zich niet echt organiseren, maar wie het weer en blunderende autoriteiten aan zijn zijde heeft, maakt goede kans van slagen. Hoe groot is de kans dat die factoren volgende week samenkomen rond de Eurotop?
WANNEER WE ALLE aangekondigde protesten en demonstraties rond de Eurotop serieus nemen, krijgt Amsterdam volgende week te maken met de grootste manifestatie van politieke onvrede sinds jaren. Brutaal worden her en der zelfs pogingen gedaan om een Euro-oproer van de grond te krijgen. Als we de organisatoren van de Chaosdagen mogen geloven, blijft er weinig van Amsterdam over. Maar het fenomeen oproer kent zijn eigen wetten. Het is weinigen gegeven om die allemaal naar zijn of haar hand te zetten.

In Sassenheim zitten op 30 april 1980 de ouders met hun kinderen gekluisterd aan de buis om maar niets van het kroningsspektakel te missen. Het mierzoete sprookje dat zich afspeelt op en rond de Dam wordt de hele dag door afgewisseld met nietsverhullende beelden van het oproer dat de stad in de greep houdt. ‘Hé, daar heb je de meester, hij staat stenen te gooien naar de ME!’ Iedereen gaat er nog eens goed voor zitten, maar volgens de kinderen is er geen twijfel mogelijk: hun eigen meester staat vooraan en gooit de ene steen na de andere. Alsof het een oorlogsmisdadiger betreft wordt de jonge onderwijzer onmiddellijk aangegeven bij de politie. Na een veroordeling verdwijnt hij voor twee maanden achter de tralies. Tevens wordt hij op staande voet ontslagen en voorgoed uit het lerarengilde verbannen.
Wat beweegt een keurige onderwijzer uit een klein dorp om zich in een vreemde stad niet zonder gevaar voor lijf en leden in de frontlinies van een oproer op te houden en zijn hele carrière op het spel te zetten door een paar stenen te gooien? Niets zo controversieel als een oproer. Aan de ene kant degenen die je met een niet te verhullen twinkeling in de ogen vertellen over hun oproer, daartegenover de rest van de natie die hun afgrijzen laten blijken in vaak ongehoord reactionaire praat.
ELKE GENERATIE maakt zijn eigen oproer mee. Het kroningsoproer van 1980 is vooralsnog het laatste in een illustere reeks oproeren die Amsterdam door de eeuwen heen gekend heeft. Op gezette tijden wordt de stad eens flink door elkaar geschud. Een oproer is altijd een mijlpaal in de geschiedenis. Het reikt immer verder dan de paar straten waar de confrontatie daadwerkelijk plaatsvindt. In een oproer balt de tijdgeest zich samen.
In de zomer van 1886 staat de Jordaan in lichterlaaie. Met een ongekende repressie wordt een einde gemaakt aan een spontane volksopstand, die de geschiedenis is ingegaan als het Palingoproer. Zoals wel vaker voorkomt bij oproeren, staat de directe aanleiding nauwelijks in verhouding tot het geweld dat er uiteindelijk op volgt. Een politieagent besluit een eind te maken aan het palingtrekken, een verboden volksvermaak waarmee enkele honderden omstanders zich op dat moment vermaken. Boven het water van de Lindengracht is een touw gespannen waaraan een nog levende paling vastgeknoopt is. Gegadigden kunnen geld inleggen en proberen om vanuit een wiebelend bootje het glibberige beest te pakken te krijgen. Hilariteit alom. Het moment dat de politieagent het touw doorsnijdt is het sein voor het uitbreken van een complete anarchie die twee dagen later eindigt met 26 doden en tientallen zwaargewonden.
Enkele weken voor het Palingoproer uitbreekt, is Domela Nieuwenhuis, voorman van de ontluikende Nederlandse arbeidersbeweging, veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens majesteitsschennis. Geen zee gaat hem te hoog wanneer hij opkomt voor 'het mishandelde en vertrapte volk’ en streeft naar algemeen stemrecht. Nog geen twee jaar na het Palingoproer wordt Domela Nieuwenhuis gekozen als eerste socialist in de Tweede Kamer.
Een van de laatste keren dat vrouwen hun traditionele organiserende rol binnen de stadsbuurten voor zich opeisten, was eind juni 1917, tijdens de Eerste Wereldoorlog. De distributie van voedsel door de overheid was zo belabberd dat de vrouwen in Amsterdam het initiatief namen om pakhuizen, winkels en treinwagons open te breken en aardappelschuiten te plunderen. Het hierop volgende oproer kon pas na een week het zwijgen worden opgelegd, ten koste van tien doden en tientallen gewonden. Het is het begin van een roerige periode die eindigt als een jaar later Troelstra, de leider van de socialisten, in de Tweede Kamer de revolutie uitroept. Een pijnlijke vergissing, Troelstra’s provocatie eindigt in een massale blijk van aanhankelijkheid jegens de Oranjes.
Een oproer komt nooit zomaar uit de lucht vallen. Het vormt een afsluiting van een periode van aangescherpte tegenstellingen die in de weken voorafgaand aan het oproer zorgen voor een broeierige sfeer. Een oproer houdt het midden tussen een spontane uitbarsting van volkswoede en een politieke demonstratie die stem geeft aan een sluimerende onvrede. Het oproer kan opgevat worden als een definitieve bevestiging van inmiddels in gang gezette maatschappelijke veranderingen die pas later als zodanig erkend worden.
De laatste stenenregen voor de oorlog trof Amsterdam in de zomer van 1934. Vanuit de Jordaan verspreidde het oproer zich over de stad; ook in andere steden was het onrustig. De vlam sloeg in de pan toen werkloze arbeiders voor het eerst hun verlaagde uitkering kregen uitbetaald. Verscheidene communistische mantelorganisaties hadden opgeroepen om gezamenlijk tegen deze 'steunroof’ te protesteren. Het Jordaanoproer kostte in Amsterdam uiteindelijk aan vijf mensen het leven. Na het oproer besloot het stadsbestuur om de wapenkamer van de Jordaan voorgoed leeg te ruimen: de straten werden geasfalteerd.
NA HET BEGRIJPELIJKE intermezzo van de oorlogsjaren krijgen oproeren vanaf de jaren zestig weer een prominente plaats in de geschiedenis van Amsterdam. Maar de verbetering van de materiële levensomstandigheden is niet langer de meest voor de hand liggende aanleiding om de straat op te gaan. Het Bouwvakkersoproer van 1966 illustreert de overgang naar de veranderde maatschappelijke verhoudingen. Het zijn weliswaar de arbeiders die het oproer ’s morgens op gang brengen, maar naarmate de dag vordert worden ze op het strijdtoneel vervangen door een mêlée van vooral door de postmateriële ideeën van de provo’s geïnspireerde jongeren - het 'schorriemorrie’ aldus de omschrijving van de toenmalige burgemeester. Het verloop onder de deelnemers illustreert hoe de traditionele verticale tegenstellingen tussen rijk en arm verdrongen worden door de zogenaamde horizontale klassenstrijd, die veel meer gericht is op de individuele ontplooiingsmogelijkheden. Daartoe moet allereerst afgerekend worden met de 'regentenmentaliteit’.
'Naar De Telegraaf, naar De Telegraaf!’ De bouwvakkers koken van woede. Met ladders en balken als stormrammen slagen ze erin om het gebouw binnen te dringen. Binnen wordt man tegen man gevochten. 'Ik stond met de brandslang klaar, maar ze liepen er dwars doorheen’, aldus de aanwezige portier. 'Ze drongen verder binnen. Het ging hard tegen hard. Ik moest mijn gewonde collega naar boven slepen om hem te kunnen behandelen.’
De avond ervoor, maandagavond 13 juni, waren de bouwvakkers samengekomen om hun onvrede te laten blijken over de vakbondsbonzen die de ongeorganiseerde bouwvakkers de compensatie onthielden van de twee procent administratiekosten op de vakantietoeslag. Het ging minder om die paar gulden dan om de kleinering en de bevoogding door de vakbonden. Met het nodige machtsvertoon komt de politie poolshoogte nemen van het opstootje. Het loopt meteen uit de hand. Over en weer vallen rake klappen. Als de rust weerkeert, ligt bouwvakker Jan Weggelaar levenloos op de grond. In de loop van de nacht blijkt niet direct politiegeweld maar een hartverlamming de doodsoorzaak. Die wetenschap komt echter te laat om de arbeiders nog te kalmeren.
Een woedende menigte trekt de volgende ochtend naar de burelen van De Telegraaf op de Nieuwezijds Voorburgwal. Deze krant heeft het gewaagd om het verband te ontkennen tussen de dood van Jan Weggelaar en het politieoptreden tijdens de demonstratie. Het gebouw van de krant krijgt het flink te verduren. De demonstranten hebben vrij spel, er is nergens politie te bekennen. Wanneer die uiteindelijk alsnog komt opdagen, verplaatst het oproer zich naar het Damrak. En het bleef nog lang onrustig in de stad.
VOOR EEN FLINK oproer zijn blunderende autoriteiten onmisbaar. Het tekortschietende optreden van de politie bij onder andere het Palingoproer en het Bouwvakkersoproer is daar een goed voorbeeld van. Het ingrijpen was vaak zo erbarmelijk dat het het oproer eerder aanwakkerde dan de kop indrukte. Op elk oproer in Amsterdam is dan ook een grondige reorganisatie van het politieapparaat gevolgd. Na het Palingoproer kreeg de communicatie tussen de verschillende politie- en legereenheden de nodige aandacht. En na het Jordaanoproer werd de 'Stormbrigade’, de voorloper van de ME, ingesteld. Het Bouwvakkersoproer betekende zowel voor burgemeester Van Hall als voor hoofdcommissaris Van der Molen einde oefening.
De traditie van de blunderende overheid wordt voortgezet wanneer Amsterdam wordt aangewezen als het toneel van de troonswisseling op 30 april 1980. Inmiddels zijn de provo’s afgelost door de krakers. Ver van de koninklijke plichtplegingen bouwen de krakers hun eigen feestje op het kruispunt voor het diezelfde morgen gekraakte pand op de hoek van de Kinker- en de Bilderdijkstraat. Men is nog maar net bezig om de zelf meegebrachte kraampjes op te bouwen wanneer als een donderslag bij heldere hemel de ME de straat in rijdt en rücksichtslos op alles wat los en vast zit begint in te hakken. Na een half uur verdwijnt de ME weer, even plotseling als ze gekomen is. Wanneer je voor je ogen iemand door een hele rits anonieme politierobotten in elkaar geramd ziet worden, is er weinig voor nodig om goed gemotiveerd het strijdtoneel te betreden. Zo vormt de frustratie over het politieoptreden de inspiratie voor een oproer. De krakers geven ’s middags en masse gehoor aan een oproep van de Autonomen voor een demonstratie vanaf de Dokwerker naar de Dam.
Er waren natuurlijk wel eens pogingen, met name van de communisten, maar het is uiteindelijk geen enkele organisatie ooit gelukt om een oproer naar haar hand te zetten. Integendeel, maar al te vaak bleken organisaties waarvan de belangen met het oproer het meest direct gearticuleerd leken te worden, zich af te keren van het geteisem en het gepeupel dat daadwerkelijk de straat op ging. Na elk oproer buitelt iedereen over elkaar heen om maar niet in het rijtje van zich distantiërende organisaties te ontbreken. Domela Nieuwenhuis kon het niet laten om zich af te wenden van het volk dat 'om zo iets onwaardigs als het palingtrekken in opstand komt, terwijl het anders zo zeldzaam warm te krijgen is voor zijn rechten’. Hoewel in de annalen het bouwvakkersoproer ondubbelzinnig met provo en het kroningsoproer met de krakers verbonden is, hebben beide groeperingen zich op niet mis te verstane wijze gedistantieerd van hun oproer. Niet alle provo’s en niet alle krakers, maar wel de woordvoerders die ten overstaan van de natie een wit voetje wilden halen. Maar die overdreven angst om publiekelijk in verband met een oproer gebracht te worden, is nogal overdreven. Want als de gemoederen weer wat bedaard zijn, slaat de balans van afkeur door naar begrip voor de opstandelingen. Een oproer is nooit voor niks.
EEN VAN DE MEEST opmerkelijke karakteristieken van de oproeren is dat ze niet plaatsvinden in de gure winter of de druilerige herfst. Zonder uitzondering spreekt de overlevering bij alle bekende oproeren over stralend zonnige en warme dagen. Van die dagen dat de sleur en het chagrijn spontaan plaatsmaken voor euforische lichtzinnigheid en saamhorigheid. De dag van een oproer moet een dag zijn waarop de oproerkraaiers het gevoel hebben de wereld aan te kunnen. De politieke en economische elites zal het goed uitkomen dat de bereidheid tot revolte in de Lage Landen afhankelijk blijkt te zijn van het weer.
Deze nadere beschouwing van de weersgesteldheid ten tijde van oproer verlegt de aandacht naar het perspectief van de deelnemer aan een oproer. Een 43-jarige corrector komt op 30 april 1980 na zijn werk op de krant in het rumoer op het Rokin terecht. Geen haar op zijn hoofd die eraan denkt om aan het oproer mee te doen. 'Even een pilsje drinken. Maar toen we naar huis wilden, konden we geen kant meer op. Er werd ontzettend hard gevochten. Ik raakte enorm opgewonden. Toen moet er iets bij me gebeurd zijn. Moeilijk te omschrijven. Ik voelde een enorme emotie door al dat geweld. Iedereen gooide. En die angstaanjagende politielinies. Ik dacht dat ik uit elkaar barste. Ineens moest het eruit.’ De ene steen die hij in de richting van de ME gooide kwam hem nog duur te staan. Korte tijd later wordt hij door twee rechercheurs uit een café geplukt alwaar hij van zijn ontladende bijdrage aan het oproer zit bij te komen.
Van alle arrestanten op 30 april was er uiteindelijk niet één bij de kraakbeweging bekend. Juist omdat je nooit kunt rekenen op buitenstaanders komt een oproer altijd onverwacht. Hoeveel groots aangekondigde krakersprotesten zijn uiteindelijk niet gesmoord als een kleine binnenbrand?
Elke poging om een oproer te organiseren is tot mislukken gedoemd als de buitenstaanders aan de kant blijven staan. De intense ervaringen van de corrector leggen de vinger op het voor een oproer cruciale criterium dat de buitenstaander deelnemer wordt. In De slag om de Blauwbrug, de proloog van De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden, zwalkt Albert Egberts doelloos rond op het slagveld van 30 april. Als een buitenstaander vraagt hij 'onophoudelijk naar het motief van de betoging’. Maar steeds minder wordt hem duidelijk waarvoor of waartegen gedemonstreerd werd, 'en niemand die hem wijzer kan maken’. Maar wijzer word je pas door eraan mee te doen. Als deelnemer aan een oproer loop je tegen de grens aan die de orde afbakent. De orde is het domein van wetten en voorschriften, van normen en waarden, van rangen en standen. Deze grens wordt tijdens het oproer gesymboliseerd door de ME-linie. Met het gooien van een steen wordt gepoogd een opening te forceren om zicht te krijgen op datgene wat zich aan gene zijde van de linie en in die zin buiten de orde bevindt. Dat is niet alleen het rijk van de vrijheid, het rijk van de onbegrensde mogelijkheden, het is tegelijkertijd het rijk van de chaos.
Het oproer heeft met de revolutie gemeen dat ze beide op zoek zijn naar de vrijheid, maar onderscheidt zich daar weer van door het feit dat het altijd weer terugdeinst voor de chaos. In een revolutie wordt gestreefd naar een permanente doorbreking van de bestaande orde, om vervolgens met een doordachte organisatie een nieuwe orde aan te brengen in de chaos. Het oproer daarentegen neemt genoegen met een tijdelijke opschorting van de heersende orde. Aan een oproer komt altijd een einde. Na hooguit een paar dagen gaat iedereen weer over tot de orde van de dag. Een oproer is dan ook in de kern een reformistische, geen revolutionaire uiting van de burgers.
In de extreme botsing tussen de staat en de burgers blijkt de samenleving niet die door God gegeven, onveranderlijke orde waaraan niemand ooit hoefde te twijfelen. Het oproer opent het zicht op de chaos. Dat boezemt de gegoede burgerij zulk een angst in dat koste wat kost de orde hersteld moet worden en alles wat herinnert aan de chaos met wortel en tak moet worden uitgeroeid. Ondertussen hebben de oproerkraaiers kunnen ruiken aan de vrijheid, want er blijkt wel degelijk leven buiten de bestaande orde en dat geeft de burger moed. Het is in deze zin dat Harry Mulisch in zijn behandeling van de provotijd, Bericht aan de rattenkoning, het bouwvakkersoproer kan karakteriseren als 'het bevrijdende oproer’. Om vat te krijgen op een oproer moet je eraan meedoen. En dat is wat Mulisch met de strijd van Provo deed en hoe hij het bouwvakkersoproer beleefde.
Net als Albert Egberts hebben buitenstaanders voortdurend de neiging om te vragen naar de zin en het nut van een oproer. Maar het is nog niet vaak voorgekomen dat door een van de deelnemers een bevredigende verklaring werd gegeven voor hun geweldsuitbarsting. De ongrijpbaarheid van het oproer heeft altijd voor de nodige hoofdbrekens gezorgd.
De Nederlandse regering liet na het kroningsoproer van 1980 door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een onderzoek uitvoeren waarin de 'diepere oorzaken’ van het oproer aan de oppervlakte moesten worden gebracht. Op die manier probeerde men ondanks alles begrip te krijgen voor het 'onaanvaardbare geweld’ van de raddraaiers. Er springen twee conclusies in het oog. Het eerste is dat het huisvestingsbeleid van de gemeente Amsterdam inderdaad te wensen overliet. Op de tweede plaats wordt herhaald verzet niet uitgesloten. Men beveelt daarom een 'structurele verbetering van de huidige democratische besluitvorming’ aan die 'meer recht doet aan eigen initiatief en zelfverwerkelijking’. Het kan even duren, maar als buitenstaanders denken het begrepen te hebben, wordt er uiteindelijk altijd wel geluisterd naar de stem van het oproer. Maar of ze het juiste antwoord gevonden hebben?
EEN OPROER IS niet alleen een ingrijpende historische gebeurtenis die vaak pas jaren later op zijn merites kan worden beoordeeld, het is ook een spannend en opwindend tijdverdrijf. De tijdens de Eurotop aangekondigde openbare danspartijen, de zogenaamde streetraves, doen in de verte denken aan de provo-happenings die meer dan dertig jaar geleden wekelijks op het Spui werden gehouden. Van alles wat voor en tijdens de Eurotop aan protest georganiseerd wordt, lijkt de streetrave de meest authentieke uitlaatklep van de huidige generatie. In 1965 was er niemand die bij aanvang vermoedde dat de ogenschijnlijk vriendelijke happenings binnen de kortste keren zouden bijdragen tot een openbare commotie die zijn weerga niet kende. Ook bij de het afgelopen jaar gehouden streetraves geeft de politie steeds vaker blijk van irritatie over de obstructie van de openbare orde. Maar de afgelopen weken houdt de politie zich opvallend rustig. Koste wat kost moet voorkomen worden dat wie dan ook ook maar ergens aanstoot aan kan nemen. Ondertussen wordt de binnenstad net als in 1980 weer tot een groot spergebied omgebouwd en dat roept nu eenmaal in Amsterdam niet de meest gezagsgetrouwe emoties op.
En hoe is het afgelopen met onze werkloze onderwijzer uit Sassenheim? Die heeft het geschopt tot professionele bergbeklimmer, die twee jaar geleden deel uitmaakte van de eerste Nederlandse expeditie die de K2 in de Himalaya succesvol beklom. En hij behoorde vorige maand tot de eerste Nederlanders die na een tocht van duizend kilometer de Noordpool bereikten. Het is met oproeren net als met bergbeklimmen en expedities naar de Noordpool: het nut is ver te zoeken, maar ondertussen ligt wel de wereld aan je voeten.