Ed Franck

De grote liefde van een kleine broer

Ed Franck , Mijn zuster draagt een heuvel op haar rug

Uitg. Averbode 75 blz., ƒ 29,50

De Vlaming Ed Franck (1941) is van oorsprong docent Nederlands en Engels. Na een laat debuut groeide hij uit tot een actief en veelzijdig jeugdboekenschrijver. De laatste jaren hield hij zich onder andere bezig met het bewerken van klassieke verhalen, waaronder beroemde liefdesgeschiedenissen als die van Romeo en Julia, Dido en Aeneas, en Tristan en Isolde. Opvallend daarin is het zuinige en afgewogen taalgebruik. Hetzelfde geldt voor Francks meest recente eigen werk, getiteld Mijn zus draagt een heuvel op haar rug.

Het kleine boek met de omvang van een novelle is perfect uitgegeven. Tom Schamp maakte intrigerende surrealistische schilderingen en bestrooide de bladzijden bovendien ruimhartig met kinderlijke tekeningetjes. Al deze beelden vormen een mooi decor voor het ik-verhaal van een kleine jongen die vertelt over zijn mismaakte zusje. Anderen spreken over een bochel of een bult, maar volgens de verteller draagt zus «een heuvel op haar rug». Misschien zal er ooit zelfs een engelenvleugel uitgroeien. De ik beziet zijn grote zuster en haar handicap met een onbevangenheid die nog niet is aangetast door volwassen etiketteerzucht: «Ik heb de heuvel van zus niet zien groeien, hij was er ineens, zoals papa en mama er ineens waren. Natuurlijk waren ze er altijd al, maar op een dag zag ik ze. Zo ging het ook met de heuvel van zus.»

Het is dit perspectief dat de zeggingskracht van het verhaal bepaalt. Vanuit zijn positie als jonger broertje kijkt de verteller tegen zijn zusje op en verdraagt hij haar onaangename kuren. Alleen tegen de rol als proefkonijn bij intense tongkusoefeningen komt hij in verzet. Hij beschermt zijn zusje tegen de wrede buitenwereld, hij drinkt haar mysterieuze verhalen in en op haar onbegrepen verdriet dat geen jongen haar ooit «graag zal zien» verzint hij een aandoenlijk verhaal over een jongen met een deuk: «De maan dacht dat ze maar één mens waren, zo goed pasten ze in elkaar.» En wanneer zus de dood lijkt te hebben gekozen — de zorgvuldige lezer zag hem aangekondigd — verzwijgt broer uit solidariteit de plek, omdat zijn kinderogen daar geen onheil zien maar vrede met het bestaan. Alleen de magische blik maakt het gebeurde aanvaardbaar.

Het knappe is dat het gewicht van het vertelde nergens ontaardt in melodrama. Franck wordt nooit expliciet. Hij suggereert in kale zinnetjes en hij laat de lezer de mogelijkheid tot lucht en adem, omdat deze even oningevuld kan kijken als de verteller. Afhankelijk van levensbagage en voorstellingsvermogen zal de treurigheid in min of meer dere mate doorsijpelen, maar weinig lezers zullen niet geraakt worden door de grote liefde van een kleine broer. Je zou hem toewensen dat zijn droom tijdens een zeldzaam moment van harmonie had kunnen uitkomen: «Zus sloeg haar armen om me heen en wiegde me. ‹Jij bent de andere helft van de engel›, zei ze. ‹Ooit vliegen we samen weg.› Ik deed mijn ogen dicht. Zus bleef me wiegen en ik voelde al een beetje hoe mooi het zou worden. Altijd maar hoger en verder en blauwer.»