De grote mannelijke narcist

Blake Bailey’s biografie van Philip Roth is het portret van een schrijversleven vol vriendschappen, liefdes, concurrenties, obsessies en neuroses. Roth schreef op onnavolgbare wijze over leugenaars, bedriegers, overspelplegers, opscheppers en seksuele maniakken.

Nicole Kidman en Philip Roth tijdens de verfilming van Roth’s boek The Human Stain, 2003 © Mary Evans Picture Library / ANP

1.

Op 10 mei 1968, om vijf uur in de ochtend, midden in Central Park, verloor Carter Hunter, redacteur bij een sociologische uitgeverij, de controle over het stuur van zijn gloednieuwe Jaguar. De politie snelde toe, Carter leefde nog en dus begonnen ze op hem in te meppen. Carter was zwart, hij hoefde niet op sympathie van de politie te rekenen. Pas na een tijdje merkten de agenten dat er iemand op de passagiersstoel lag: een blonde vrouw, die de klap moest hebben opgevangen. Maggie Martinson, een jonge moeder. Op slag dood.

Haar dochter, Helen, nam contact op met de man die tot voor kort haar stiefvader was, Maggie’s ex-echtgenoot: de jonge, veelbelovende schrijver Philip Roth. Helen was als kind door haar biologische vader mishandeld, had een enorme leerachterstand. Maggie had weinig moederlijke instincten, maar haar nieuwe stiefvader Roth compenseerde dat. Hij speelde met haar, gaf haar cadeaus, hielp haar eindeloos geduldig met lezen en schrijven. Een halve eeuw later, terwijl ze met Roth’s biograaf Blake Bailey sprak, schoot ze er nog steeds van vol. Ze hield van hem. ‘Kus me, Philip’, zei ze op een dag tegen hem, ‘zoals je mamma kust.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Joost de Vries over hoe het werk van Philip Roth de tijd heeft doorstaan (en hoe juist niet). Onze podcast is elke vrijdag gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Roth kuste haar niet, maar zou haar zin decennia onthouden en uiteindelijk in de mond leggen van Merry, de dochter in American Pastoral. De held van dat boek, ‘The Swede’ Levov, zou zijn dochter wel kussen, als geintje, maar in die ene verstoring van de vader-dochterband zou hij later de oorsprong zoeken van Merry’s radicalisering die haar tot links-terrorisme dreef in de jaren zestig. Roth won er de Pulitzer mee.

Aan Roth’s huwelijk was weinig pastoraal. Het was een continue strijd, met krankjorume wendingen. Maggie kocht van een zwangere drugsverslaafde op straat urine, en fakete zo een positieve zwangerschapstest. Ook niet netjes: Roth trouwde met haar op voorwaarde dat ze abortus pleegde.

Roth’s eerste reactie op het nieuws dat Maggie was verongelukt: niet geloven. Het telefoontje was een truc, dacht Roth, een maniertje om hem iets raars te laten zeggen dat dan vast opgenomen werd en in de slepende rechtszaak over alimentatie tegen hem zou worden gebruikt. Pas toen Helen in huilen uitbarstte, zonk de werkelijkheid in. De vechtscheiding was voorbij, niet langer hoefde hij zijn inkomen te halveren. Hij was vrij. Op weg naar het uitvaartcentrum vroeg de taxichauffeur of hij soms goed nieuws had gekregen: de hele weg had Roth zitten fluiten.

2.

Als je een overkoepelend thema zou moeten aanwijzen voor Blake Bailey’s Philip Roth: De biografie – 1040 bladzijdes schoon aan de haak – dan zou ‘bevrijding’ een goeie zijn. Steeds weer wist Roth (1933-2018) zich in situaties te manoeuvreren waarin hij zich in toenemende mate opgesloten voelde, totdat hij niet anders kon dan ontsnappen. Een beetje zoals lava uit een ontploffende vulkaan ontsnapt.

Als student wilde hij een serieuze schrijver worden door boven alles heel serieus te schrijven – totdat zijn vrienden opmerkten dat hij eens verhalen moest schrijven zoals hij ze vertelde (door de decennia heen zeiden vriend en vijand Bailey hetzelfde: niemand kon zo leuk anekdotes vertellen als Roth). Dat leidde tot zijn debuut Goodbye, Columbus, de verhalenbundel waarmee hij direct de National Book Award won. Hij bevrijdde zich en passant van de joodse gemeenschap waarin hij opgroeide. De sardonische verhalen over marchanderende, hebberige, zeikerige joden werden hem allerminst in dank afgenomen. Ergens genoot Roth van de boze rabbi’s die hij achter zich aan kreeg, en op zoek naar nog meer bevrijding ging hij achter de serveerster Maggie Martinson aan, die als mooie blonde gescheiden ‘sjikse’ het tegenovergestelde was van de meisjes waarmee hij opgroeide.

Dat huwelijk was weer een opsluiting. Hoewel minder-dan-monogaam wilde Roth zich bewijzen als man, als stiefvader, als iemand die aan zijn carrière werkte en de rekeningen betaalde. Ook zijn fictie leed eronder: hij schreef weer zoals ‘men’ vond dat het hoorde, namelijk klassieke realistische romans die zo dichtgetimmerd waren dat geen zonlicht binnenkwam. Letting Go (1962) en When She Was Good (1967) behoren tot de minst geliefde romans in zijn oeuvre.

In 1969 bevrijdde Roth zich van hoe-het-hoorde-te-zijn met zijn explosief grappige Portnoy’s Complaint: in tien maanden tijd verkocht Random House er 420.000 hardback-exemplaren van, en daarna in vijf jaar tijd nog eens 3,5 miljoen paperbacks. Het verhaal klonk als stand-up comedy, over een jongen die zich zo door zijn joodse milieu opgesloten voelt dat hij zijn uitvlucht zoekt in, vooral, masturbatie. In een van de meer memorabele scènes masturbeert hij met behulp van een lever, die later bij het familiediner wordt geserveerd.

Portnoy maakte van Roth een rijk, maar vooral berucht man. Pas eind jaren zeventig snapte hij hoe hij zich van zijn reputatie kon bevrijden: door via zijn alter ego Nathan Zuckerman te schrijven over de consequenties van het maken van kunst. Dat leidde tot, wat mij betreft, zijn twee meest doordachte en toch kraakheldere romans The Ghostwriter (1979) en The Counterlife (1986). En hij bevrijdde zich door simpelweg naar het buitenland te verhuizen, naar Londen. Omdat echtgenote nummer twee daar woonde, de Engelse actrice Claire Bloom, en omdat hij daar meer anoniem door het leven kon gaan. Daar kon hij naar een restaurant gaan zonder dat een bijdehandje riep: ‘Hé Roth, jij neemt zeker de lever?’

3.

Op de achterkant van de biografie staat een opmerking van Roth tegen Bailey, die hem talloze uren interviewde: ‘Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant.’

Dat deed Bailey met verve. Hij vertelt over boekcontracten, over verkoopcijfers, agenten, uitgeverijen, recensenten – als je geïnteresseerd bent in de literaire cultuur van de laatste zestig jaar is dit boek niet te missen. Gerehabiliteerd wordt hij zeker niet. We leren Roth kennen als wraakzuchtig, vriendschappen worden aan de lopende band opgezegd. Hij lijkt zijn advocaat op nummerherhaling te hebben, om iedereen die negatief over hem schrijft voor smaad aan te klagen.

Roth tegen Bailey: ‘Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant’

Omgekeerd worden vriendschappen ook aan de lopende band gesmeed. Hij voorziet jonge schrijvers van blurbs en andere opkontjes, richt steunfondsen op voor Oostblok-schrijvers die het zwaar hebben, bekommert zich om nalatenschappen, is buitengewoon gul voor vrienden die in nood verkeren.

Ook in zijn privé-leven zijn opsluiting en bevrijding de terugkerende thema’s. Roth was uitgesproken anti-monogaam, maar knoopt toch steeds relaties aan met vrouwen die hij vervolgens op alle mogelijke manieren voorliegt omdat hij blijkbaar niet voor zijn overspel durft uit te komen. Roth eiste zijn vrijheid, maar, niet verwonderlijk, de vrouwen eisten niet voorgelogen te worden.

En wat een daverende hoeveelheid vrouwen. Daar moet Bailey hele jaren onderzoek in hebben gestopt. Bailey sprak niet alleen met Roth over zijn eerste fellatio-ervaring, maar interviewde ook de dame die de fellatio-ervaring verleende. Hij beschrijft Roth’s eerste triootje, hij beschrijft de vrijpostige minnares die met een dildo ‘rondmuisde’ (Roth was doodsbang) en Roth’s eerste zwarte minnares (hij bezocht haar ouders en vond hun huidskleur bijna wit – haar moeder vertelde over zwarte mensen die zo licht van kleur waren dat ze zich als wit voordeden; dit zou dertig jaar later de bakermat vormen voor zijn grote roman The Human Stain).

Er was een Playboy Bunny, er was een liaison met Mia Farrow, met Ava Gardner, hij probeerde Nicole Kidman het hof te maken. Ook Roth’s date met Jackie Kennedy, krap een jaar na jfk’s dood, wordt beschreven. Na afloop zaten ze in haar limousine: ‘Wil je mee naar boven?’ vroeg Jackie, eenmaal aangekomen bij haar flatgebouw aan Fifth Avenue. ‘Ach, natuurlijk wil je dat.’ Ze verzekerde hem dat de kinderen al sliepen (bedoel je dat jongetje dat salueerde bij de kist van zijn vader? dacht Roth). Het leidde tot een lange zoen. Ze gaf hem haar privé-nummer, vroeg hem haar eens te bellen. Het zal een van de weinige keren zijn geweest dat Roth voor een vrouw terugschrok: ‘Wat moest hij, met zijn vier paar schoenen en twee pakken, met de weduwe Kennedy?’

Philip Roth in Newark, zijn geboorteplaats, 2003 © Lars Tunbjork / Agence Vu / ANP

4.

Zelden werd in (zeker) de Engelstalige wereld zo naar een schrijversbiografie uitgekeken, en zelden heeft de literaire wereld zo’n plezier om nog eens alle roddels, uitspattingen en sterke verhalen rond Roth uit te pluizen. Maar daarmee hangt bij de verschijning van Bailey’s biografie ook meteen een vraag boven de markt: moet Philip Roth gecanceld worden?

Nog niemand heeft die vraag met een luid schallend ‘ja’ beantwoord, maar die vraag – en het ja – klonk door in verschillende recensies. Een lange vijandige bespreking in tijdschrift The New Republic meende dat Bailey zich opstelt als ‘an adoring wingman’, die negenhonderd bladzijdes lang zijn vriendje probeert vrij te pleiten van zijn seksuele wangedrag. De criticus van de Los Angeles Times concludeerde daarentegen juist: ‘Dankzij Bailey kon ik dit boek dichtslaan en me afvragen hoe lang het zou duren voordat ik de verrotte smaak van deze man uit mijn mond kreeg.’

Het is tijd, werd met zoveel woorden ook in andere recensies gezegd, dat het literaire pantheon eens rekening ging houden met de man die Roth was, en eens goed zou kijken naar het verdriet dat hij had veroorzaakt, hoe hij met vrouwen omging, en hoe hij over ze schreef.

Het is een discussie die inmiddels wat oudbakken begint te worden. Allereerst omdat je deze boom kunt opzetten over zo’n beetje elke kunstenaars- of schrijversbiografie die zich in de twintigste eeuw afspeelt, waarbij de kunstenaar vrij en onverveerd in het leven staat, en niemand oog heeft voor de kunstenaarsvrouw achter de schermen, die de kwasten afspoelde en het lint van de typemachine ververste, om later voor een jongere variant ingeruild te worden. Dat is de ongelijkheid der seksen, die, naar maar waar, nu eenmaal zo lang de maatschappelijke verhoudingen tekende. Die asymmetrie maak je niet ongedaan door die kunstenaars te willen uitgommen. Die kun je beter rechttrekken door het spotlight nu te richten op kunstenaressen en schrijfsters die toen over het hoofd gezien werden.

Bovendien, zo’n beschuldigende manier van een biografie lezen suggereert dat je tot een moreel eindoordeel over de gebiografeerde moet komen. Dat voelt niet aan als iets wat recht doet aan wat een leven is, hoe rommelig dat nu eenmaal verloopt, hoezeer je je best kunt doen – en toch te kort kunt schieten.

Neem Roth’s relatie met de Engelse actrice Claire Bloom. Ook nu lijken veel critici in de recensies van Bailey’s boek hun huwelijk op te vatten alsof het een sportwedstrijd is tussen twee partijen, waarbij goals en tegengoals kunnen worden geteld, en een van de twee partijen als morele winnaar uit de bus kan komen. Roth ging vreemd, dus 1-0 voor Bloom. Toen Roth doodsbenauwd in het ziekenhuis werd geprepareerd voor een vijfvoudige bypass maakte Bloom zich zorgen over wat dat zou betekenen niet voor zijn, maar voor haar leven: ‘What about me?!’ Is het dan 1-1?

Roth verhuisde voor Bloom naar Londen, Bloom verhuisde later voor Roth naar de VS: 2-2. Roth maakte ruzie met Blooms studerende dochter, Anna, die hem niet in haar huis accepteerde, en suggereerde dat ze maar uit huis moest. Niet vriendelijk, dus 3-2 voor Bloom. Bloom maakte talloze antisemitische opmerkingen: 3-3. Roth probeerde een vriendinnetje van Anna te versieren, die was blijven logeren, want: ‘Wat heb je aan een mooie meid in huis als je er niet mee neukt?’: oef, juk, 4-3. Toen Roth zijn hoogbejaarde, stervende en daardoor incontinente vader in huis haalde en Roth zijn kleren en lakens moest verschonen, zei Bloom met onverholen weerzin: ‘Waarom kan hij het niet leren om het op te houden?’ 4-4.

Slaat dat ergens op? Is die score nu echt een weergave van de liefde, de band, de dynamiek, de emotionele reikwijdte tussen twee personen? ‘Waar twee vechten, hebben twee schuld’ is een cliché, maar iedereen weet dat hoe een relatie er van buiten uitziet niet per se recht doet aan hoe het van binnen aanvoelt. Zo lijkt Bloom Roth’s overspel een stuk minder erg te hebben gevonden dan veel critici nu. Roth en Bloom maakten elkaar gek, maar gingen er allebei ook volkomen vanzelfsprekend vanuit samen oud te worden. Tot het allerlaatste moment dachten ze allebei dat het goed zou komen en ze een manier konden vinden om samen te blijven. Ze waren achttien jaar bij elkaar voordat ze de handdoek in de ring gooiden.

Niemand zou Roth nu actief cancelen, eerder zou hij achteloos opzijgeschoven worden

Na hun huwelijk publiceerde Bloom een tell-all memoir: Leaving a Doll’s House, waarin ze Roth door het slijk haalde. Kort daarna schreef Roth I Married a Communist, waarin hij Bloom met gelijke munt terugbetaalde. 5-5, of eigenlijk, als je Bailey’s boek leest, staat het dan inmiddels iets van 150-150.

Bovendien is zo’n beschuldigende manier van naar een biografie kijken juist cru als het om Roth gaat: in de kleine zestig jaar dat hij publiceerde, schreef hij op onnavolgbare wijze over leugenaars, bedriegers, overspelplegers, opscheppers en seksuele maniakken. Het heeft iets hypocriets wel al die jaren van die verhalen te hebben genoten, maar vervolgens je neus op te halen voor de man die die verhalen (deels) beleefde.

5.

In zekere zin is Roth natuurlijk al gecanceld. Neem een boek als Sabbath’s Theatre, uit 1995. Roth schreef het met een ongeëvenaard gevoel van vrijheid. De verstrengeling met Bloom was eindelijk doorbroken, vrienden hadden hem opgehaald uit de provincie en naar zijn leegstaande appartement in New York gebracht. Toen hij de voordeur opende zag hij het zonlicht glanzen op de parketvloer – zoals het zonlicht glansde in het huis waar hij was opgegroeid. ‘Het komt wel goed met je’, dacht hij, en binnen een half uur was hij aan het werk aan Sabbath.

De Sabbath in kwestie is Mickey Sabbath, een misantropische poppenspeler die seks hanteert zoals een pyromaan vuur. Hij gaat door tot alles vernietigd is, elke relatie, elke vriendschap – hij is het soort man die opgevangen wordt door vrienden, en ze vervolgens beloont door het ondergoed van hun tienerdochter te stelen. Sabbath stelt zich zijn grafsteen voor als: ‘Morris Sabbath/ “Mickey”/ Dierbare Hoerenloper, Verleider, / Sodomist, Vrouwenmisbruiker,/ Zedenbederver, Kinderlokker,/ Moordenaar van echtgenote, / Zelfmoordenaar/ 1929-1994.’

Sabbath’s levenscrisis wordt opgewekt door de dood van zijn langjarige maîtresse, de onpeilbaar promiscue hoteleigenares Drenka, de enige vrouw die hem in zijn vunzigheid naar de kroon steekt. Zelfs na haar dood geilt hij nog op haar, zozeer dat hij als hij naar haar grafsteen gaat om te masturberen hij een van haar andere minnaars al in flagrante delicto aantreft. Drenka had Sabbath alles verteld over deze amant, die ze de ‘regenboog’ noemde, want ‘zijn pik is vrij lang en een beetje gebogen’. Alles deelde ze met hem, ze waren tweelingzielen. Uiteindelijk, ook tot zijn eigen verbazing, likt hij het zaad van haar grafsteen, terwijl hij ‘Ik ben Drenka! Ik ben Drenka!’ roept.

Roth zou Sabbath’s Theatre zien als zijn meesterwerk, en zo werd het vrijwel unaniem ook ontvangen. Het haalde de shortlist van de Pulitzer en won de National Book Award.

Maar even hypothetisch; stel dat je Sabbath nu zou schrijven. Een roman vol oversekste lyriek, waarin elke vrouw wordt teruggebracht tot wat zich onder haar kleren bevindt. Hoe zou de ontvangst zijn? Heel misschien, als je mazzel hebt, zouden één of twee recensenten je stijl prijzen, maar bovenal zou het boek gezien worden als een provocatie. Als een aanval op politiek correct feminisme, als een pesterige viering van een ouderwets soort mannelijkheid. Eén of twee columnisten zouden het boek wegzetten als gratuite aandachtsmekerij, de vrouwelijke Twitter-sfeer zou daarin meegaan. De figuren waarvan je juist niet zou willen dat ze je beschermen, zouden het voor je opnemen en alles en iedereen ‘woke’ en ‘PC-gedachtenpolitie’ noemen. Waarschijnlijk zou je niet eens actief gecanceld worden, niemand zou oproepen je boeken te verbranden, geen vagevuur op het Spui. Eerder zou je achteloos opzijgeschoven worden, als een irrelevante dinosaurus, en weggezet worden in het rijtje van Maxim Hartman en de bronstige heren van Voetbal Inside.

Het is niet zo dat de boeken die Roth schreef vandaag de dag niet meer geschreven worden, maar de vanzelfsprekendheid waarmee ze tot het epicentrum van het literaire veld werden gerekend is voorbij. De achting voor ‘The Great Male Narcissists’ – zoals David Foster Wallace de dominante generatie van Roth noemde – die hun eigen werk en (witte, mannelijke, heteroseksuele) wereldbeeld boek na boek centraal stelden is veranderd. Literatuur is oneindig veel breder geworden, diverser, en daarmee rijker.

Dat is trouwens ook een klacht die nu in sommige hatelijke recensies weer doorklinkt: dat Roth alleen oog had voor mannen, niet serieus over vrouwen schreef.

Het is een klacht die niet standhoudt als je Roth’s romans leest. Ja natuurlijk, niet elk boek was even sterk en niet elk personage kwam even levendig uit de verf. Stoeipoes Jinx Possesski uit Operation Shylock was inderdaad net zo oppervlakkig als haar naam cartoonesk was. Maar kijk eens naar Sabbath’s Drenka. Roth beschrijft Drenka als ‘een gevulde, stevig gebouwde vrouw met het prikkelende van iemand die nog net niet te dik is, en met vormen die, als ze op haar zwaarst was, deden denken aan die rond 2000 voor Christus geboetseerde kleifiguurtjes, die mollige poppetjes met grote borsten en brede heupen die van Europa tot helemaal in Klein-Azië worden opgegraven en onder wel tien verschillende namen werden aanbeden als de oermoeder van de goden’.

Dat laatste zegt alles: Drenka is een oermoeder van de goden. Ze is volkomen vrij, van moraal, van sociale verwachtingen. Ze is onverslaanbaar, durft haar eigen seksualiteit te volgen, schaamt zich nergens voor, is hilarisch en vol liefde. Ze is een soort erotische Falstaff, die Sabbath continu uitdaagt verder te gaan in zijn geiligheid. Ja, kun je als Roth-hater zeggen, deze Drenka is weer eens seksseksseks – maar als personage zit ze boordevol leven, ze spat van de pagina’s af, larger than life en toch volkomen levensecht.

6.

In de herfst van zijn carrière volgde nog een bevrijding: waar hij voorheen altijd satirisch over de maatschappij en dan vooral de joodse gemeenschap schreef, schudde Roth de spot van zich af. In zes jaar tijd (1998-2004) schreef hij een serie romans die allemaal tot de canon van de Amerikaanse literatuur zijn gaan horen, overladen met prijzen bovendien. American Pastoral, I Married a Communist, The Human Stain en The Plot against America.

Stuk voor stuk gaan ze over hoe gewone levens worden platgewalst door de politieke geschiedenis, maar in hun kern bevatten die boeken allemaal uitgesproken Amerikaanse idealen, over familiegeluk, over democratie en burgerschap, over vrijheid van meningsuiting. Waar in Portnoy’s Complaint (1969) de joodse ‘memme’ een nachtmerrie was, is ze in The Plot against America (2004) niets minder dan een heilige. Waar hij in zijn eerste romans de claustrofobische maatschappelijke mores beschimpte, bezong Roth in American Pastoral de energie van het Amerika van zijn jeugd: ‘Is het niet verbazend? Geleefd te hebben – in dit land, in onze tijd, als wie we waren. Verbazend.’

Wat gaf Roth de rust, de mildheid, het patriottisme? Leeftijd, nostalgie, zoveel overleden vrienden en familieleden die hij miste, een volle prijzenkast. En hoewel Roth nog verschillende keren verliefd werd op veel jongere vrouwen was hij wel degelijk verlost van zijn seksuele drive, zegt Bailey.

Het was deze mildere, grappige, wijsgerige Roth die aan het woord kwam in Roth Unbound (2014), het bijzondere boek van New Yorker-journaliste Claudia Pierpont Roth (geen familie) – ook al zo mooi uitgegeven door De Bezige Bij. Zij ging inhoudelijk diep op Roth’s romans in, en interviewde hem over hoe hij ze schreef. Bailey trekt minder ruimte uit voor de romans. Zijn biografie is op de eerste plaats een portret van een leven, en dat kan ook niet anders: zelden zat een schrijversleven zo vol met vriendschappen, liefdes, concurrenties, obsessies en neuroses. Hij laat ons Roth weer zien hoe hij was toen hij nog als jongeling aan zijn beklimming van de Olympus begon. Nog niet rijk, oud en wijs, maar ambitieus, verbeten, onzeker, in het bezit van een gigantische dosis talent, waar hij zelf nog niet een vorm voor had gevonden. Kortom, als echt mens. Bailey heeft een goed oog voor menselijke details, kleine veelzeggende anekdotes. Dat het boek zo helder is geschreven, en zo soepel is vertaald, maakt het alleen nog maar lezenswaardiger.

Hoewel Bailey duidelijk gehecht is aan Roth geeft hij geen waardeoordeel, pleit hij hem nergens van vrij. Dat is aan de lezer zelf. Ik ging er Roth niet sympathieker van vinden, maar, belangrijker, wel interessanter.