De grote misrekening

HET GROTE AFTELLEN is begonnen. De eerste handboeken en survival-gidsen beginnen te verschijnen. Olielampen, kampeergasjes en waterzuiveringstabletten vormen wel zo'n beetje het minimumpakket om de millenniumovergang te overleven. Er zijn al count-down-agenda’s te koop die de dagen aftellen en horloges die niet alleen de gewone tijd aangeven maar ook terugtikken hoeveel seconden er nog te gaan zijn voor het apocalyptische moment: 24.00 uur 31 december 1999.

Oftewel 31-12-99, zoals wij en de computers die ons leven reguleren sinds jaar en dag de datum aangeven. Die zal 1 seconde na 24.00 uur verspringen naar 1-1-00. Wij snappen heel goed dat we voor het jaartal een 20 in plaats van een 19 moeten denken. Computers niet. Computers kunnen niet denken, die kunnen alleen rekenen. En die gaan zich dadelijk enorm verrekenen.
Nou ja, denk je. Het zal wat. What’s is a name? What’s in a number? De treinconducteur zal heus niet beweren dat je op 5-1-00 afgestempelde kaartje honderd jaar verlopen is en dus niet geldig. Het zal je tekstverwerker echt worst wezen welke datum er kleeft aan je bestanden. En wat zou het als de controlepanelen van de kernreactor aangeven dat het januari 1900 is? Als wij maar weten dat het januari 2000 is. Toch?
Niet helemaal. De treinconducteur zal wel een oogje dichtknijpen, maar het is nog maar de vraag of dat ook geldt voor elke pin-automaat of creditcard-lezer. Een pasje dat geldig is tot 1-7-02 zou best dit jaar al automatisch geweigerd kunnen worden - omdat het al 96 jaar verlopen is volgens de onverbiddelijke berekeningen van de achterliggende computer. En het zal je tekstverwerkingsprogramma inderdaad niet uitmaken welke datum het precies is, maar je boekhoudprogramma wel, want dat houdt er letterlijk rekening mee. Evenals je girotel-betaalplanner. Als je daar überhaupt wat aan hebt in januari 2000, want het is maar de vraag of je je geld die maand binnenkrijgt. De administratiesystemen van werkgevers, banken en uitkeringsinstanties rekenen immers ook op de datum.
En daar zit ’m de kneep. Computers gaan zich dadelijk enorm verrekenen als ze de ene datum van de andere aftrekken of er een periode bij optellen. Want ineens betekent een groter getal niet meer per definitie een latere datum, een kleiner getal niet meer per definitie een vroegere. En de meest simpele rekensommen zijn niet meer te maken als de getallen zich niet meer houden aan hun natuurlijke rangorde.
ALLES WAT REKENT en plant met de datum en niet verder kan tellen dan het jaartal ‘99, zal zich verrekenen zo gauw er ergens een datum in het jaar '00 opduikt. Het cliëntformulier dat de Sociale Dienst uiterlijk twee weken na 28-12-99 binnen moet hebben, zal zelfs een week later niet vallen binnen de beoogde termijn; de computer noteert het als een bericht van jaren en jaren terug, of het valt geheel buiten het systeem. Een salaris dat vier weken na 28-12-99 automatisch moet worden overgemaakt, krijg je waarschijnlijk ook niet binnen, want het boekjaar '00 is allang afgesloten of sowieso irrelevant voor het loonadministratiesysteem van je werkgever. Vergeet je geld maar die maand.
Je kijkt het laatje waarin je je officiële paperassen opbergt, er eens op na. Vrijwel alles blijkt een uitdraai te zijn van datumgerelateerde administratieve systemen. Salarissen, uitkeringen, periodieke afschrijvingen, renteberekeningen, aandelenkoersen, afbetalingsregelingen, belastingaanslagen, hypotheken, pensioenen, verzekeringspolissen, abonnementenregistraties, betalingsaanmaningen, verkiezingsoproepen, ziekenhuisafspraken. Er wordt waarachtig wel heel erg veel gerekend met de datum. Je realiseert je ineens hoe het ritme van het dagelijks leven bestaat uit een veelvoud van periodieke termijnen, gereguleerd door systemen die meestal stilletjes hun werk doen.
Dit is de informatiemaatschappij: arbeid en kapitaal zijn vervangen of gekoppeld aan administratie en informatie. Datumgerelateerde informatie.
Het is overigens nog de vraag of de computers zich netjes met exact honderd jaar zullen gaan verrekenen. Dat zou nog redelijk te overzien zijn. Na een poosje gedraagt de datum zich immers weer als een gewoon getal, en kun je er weer gewoon mee optellen en aftrekken, zonder ineens in het verkeerde millennium of buiten de rekenperiode terecht te komen. Afhankelijk van de termijn waarmee de software rekening houdt, zal de storing op 1-1-00 dan een paar minuten, een paar uur, een paar dagen, weken of maanden duren. Daarna is het weer business as usual.
Maar zo logisch zitten computers helaas niet in elkaar. Veel gewone pc’s zullen tijdens de millenniumovergang niet verspringen naar 1-1-00, maar naar een datum in 1980 of 1984. Dat zit ’m in de systeemklok in het hart van het besturingssysteem. Sommige klokken kunnen zich kennelijk geen voorstelling maken van een tijdstip dat ligt voor hun eigen geboorte. (Je kunt je eigen pc daar simpel op testen door in DOS de datum in te stellen op 31-12-99 en de tijd op 23.59. De computer twee minuten uitzetten, weer opstarten in DOS en kijken op welke datum de zaak nu staat. De twee jaar oude pc’s bij De Groene stonden op 1-4-80. Staat de datum wel op 1-1-2000, controleer dan op dezelfde manier even wat-ie doet op 28-2-2000 - want het jaar 2000 is ook nog een schrikkeljaar. Vergeet trouwens niet de datum terug te zetten voor je een programma start…)
Maar of de computer nu op 00 of op 80 springt, ermee rekenen kan niet meer. Bovendien is de kans groot dat-ie er überhaupt mee kapt: conflicterende instructies. De computer snapt zichzelf niet meer. En als computers zichzelf niet meer snappen, hoe zouden wij dat dan kunnen?
Natuurlijk, software kun je vervangen of repareren - uiteindelijk bestaat programmatuur uit regels code, waar programmeurs in kunnen rommelen. Als de programmeertaal waarin die code is geschreven, althans niet te verouderd is voor de hedendaagse wizzkids. En als de oorspronkelijke ontwerpers een beetje netjes hebben gedocumenteerd en gearchiveerd waar welke elementen en functies te vinden zijn in die miljoenen coderegels. Twee voorwaarden waar bepaald niet alle software aan voldoet. Veel software bevat abacadabra waarvan niemand meer weet waar het voor dient. Programmeurs die onbekend spul tegenkomen, laten dat gewoon zitten - want stel je voor dat de zaak het dan niet meer doet. Zo bestaat vrijwel elk programma uit vele afzettingslagen van telkens nieuw toegevoegde code uit verschillende tijdperken, van verschillende 'handschriften’, zonder dat oude rommel is opgeruimd.
Nee, het repareren van alle regels code waarin een datuminstructie voorkomt, is bepaald geen kwestie van 'zoek-en-vervang’ met een tekstverwerker.
GOED, EEN BEETJE administratief ongemak in zeg de eerste maand van het jaar 2000. Moet te doen zijn.
Maar daar houdt het niet op. Het gaat niet alleen om administratieve systemen. Computers bestaan allang niet meer alleen uit die dingen op bureaus met een beeldscherm en een toetsenbord, met software die je kunt vervangen of repareren. Computers nemen ook de gedaante aan van piepkleine chips. En die hebben zich in alle hoeken en gaten van ons dagelijks leven verstopt. Vrijwel elk elektrisch apparaat herbergt tegenwoordig een chip. En elke chip herbergt een embedded system, een ingebakken programma. En vele embedded systems herbergen standaard een systeemklok. En bijna elke systeemklok telt maar tot het jaartal '99.
Je kijkt eens om je heen, op zoek naar chips.
De magnetron. De video. De wasmachine. De thermostaat. De elektrische wekker. De telefoon. De lift. Pin-automaten. Auto’s. Treinen. Vliegtuigen. Verhip.
Vluchten kan niet meer, tenzij per fiets. Maar waar wou je heen?
Dit is de computermaatschappij: alles is vergeven van de chips.
Wat doen die krengen eigenlijk precies? Zijn ze cruciaal voor het al dan niet functioneren van de apparaten waar ze in zitten? Hebben ze een systeemklok? En reageren ze op tijd- en datumgegevens? Je weet het niet. Okee, de wekker en de videovoorprogrammeerklok, da’s duidelijk. Maar de thermostaat? Ja, die heeft een nachtstand en dus een klok. Maar ook een kalender? En is die millenniumbestendig? Je weet het niet.
Het zou wel eens koud kunnen worden in huis, met oud en nieuw 2000.
OKEE, EEN BEETJE huishoudelijk ongemak. De video programmeerde je toch al zelden, de wasmachine was eigenlijk aan vervanging toe, en je hebt ook nog wel ergens een opwindwekker. Verder een paar mobiliteitsproblemen. Voor auto’s en treinen op zich zullen chips wel niet cruciaal zijn, maar wel voor de dienstregeling. Nou ja, aan vertragingen was je al jaren gewend. Eh, spoorwegovergangen en treinseinen? Mm. Niet helemaal betrouwbaar meer, waarschijnlijk. Chauffeurs en machinisten moeten de eerste tijd maar goed uit hun doppen kijken.
Dat wordt wat moeilijker bij vliegtuigen. Zo'n ding zal wel niet direct neerstorten na de millenniumcrash van de chips in de cockpit, maar de controlepanelen zijn niet echt meer te vertrouwen. Evenmin als de vluchtdata die door de tijdzones heen en weer schieten tussen verkeerstorens en satellieten.
O-o, satellieten. Hoeveel chips zitten daar in? Kunnen ze daar wel bij om die te vervangen? En wat doen satellieten eigenlijk nog meer? Televisie, radio, telefonie, Internet? Je weet het niet.
Dit is de communicatiemaatschappij: boodschappen schieten voortdurend heen en weer tussen zenders en ontvangers, in een complexe uitwisseling van data en datums. De wereld barst van de communicatie. Datumgerelateerde communicatie.
Afijn, je oma per telefoon een gelukkig nieuwjaar wensen zal er wel niet in zitten op 1-1-00. Gelukkig dat onze meest fundamentele netwerkinfrastructuur uit die robuuste negentiende eeuw stamt: gas, licht en water. Anders wordt het wel heel koud, donker en stil na de jaarwisseling.
Helaas, elektriciteitscentrales zitten inmiddels net zo tjokvol chips en administratieve software als telefooncentrales en verkeerstorens. Het is dus maar de vraag wat eerder zal uitvallen: je magnetron, je tv of het hele elektriciteitsnet in enen.
Dit is de netwerkmaatschappij: alles is met alles verbonden, alles is van alles afhankelijk. Er komt geen mens meer aan te pas. En geen mens die het totaal of zelfs een deelsysteem kan overzien.
Als de elektriciteit uitvalt, en als dat niet bij een paar lokale centrales blijft, zitten we flink in de problemen, zacht uitgedrukt. Stel je voor, binnen 24 uur, tijdzone voor tijdzone, oprukkend met de datumgrens: wereldwijde stroomuitval. En nogal moeilijk te repareren, want elke lokale millenniumreparatie aan chips of software veronderstelt elektriciteit. Hoe ziet de wereld eruit zonder licht, zonder warmte, zonder energie, zonder communicatie? Zonder alarminstallaties en intensive care-apparatuur, met niet te vertrouwen kernreactoren en -raketten, met steeds schaarser wordende voedingsmiddelen en brandstof? Daar worden mensen heel raar van.
Voor het eerst is een apocalyptische datum geen zuiver willekeurig moment meer, zoals het jaar 1000 dat was, of de jaartallen die Nostradamus-vorsers uit diens poëtische visioenen wisten te destilleren. Elke jaartelling is een artefact, zonder enig verband met de materiële werkelijkheid - al hebben Julius Caesar en paus Gregorius XIII onze kalender netjes laten sporen met de zon- en maanstanden. Maar vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw is onze materiële werkelijkheid steeds sterker gekoppeld aan het artefact van jaartelling en kalender. De oorspronkelijke willekeur doet er niet meer toe, aangezien alle computersystemen rekenen met die willekeurige jaartelling. Willekeur wordt noodlot. Niet voorbestemd, maar voorgeprogrammeerd.
Wie had dat gedacht: het getal van het beest is niet 666 - al is dat getal natuurlijk wel terug te vinden in het omgekeerde van 1999 - het is 00. Beter gezegd: het bestaat uit een gebrek aan twee getalletjes, uit een gebrek aan een vooruitziende blik.
HOE HEEFT HET zo ver kunnen komen? Sociologen hadden het al langer over de twintigste eeuw als de eeuw van de voortjakkerende tijdruimtecompressie, en het ziet er naar uit dat we dat voor de misrekening van de eeuw letterlijk moeten nemen. De tijd is gewoon samengeperst in te weinig ruimte - twee postities voor het jaartal in plaats van vier. 'De tijd dringt’, heeft Jan Timmer, tegenwoordig voorzitter van het Millennium Platform, op zijn visitekaartje staan. Zeg dat wel.
Het komt allemaal door een gebrek aan geheugen. Computergeheugen, maar vooral: menselijk geheugen. In de tijd dat de eerste chips werden gebakken en de eerste software gebreid, was computergeheugen vele malen duurder en dus schaarser dan tegenwoordig. Op complexe systemen met miljoenen datumregels in de code maken twee datumbytes meer of minder echt uit. Bovendien, hoe meer geheugen er werd gebruikt, hoe trager het systeem. En tijd is geld. De datum draaide voorlopig ook wel met zes posities.
En vervolgens werd hij vergeten. Computers werden kleiner en sneller, geheugens groter en goedkoper, vrijwel elke hedendaagse handeling werd gedigitaliseerd, de meest malle multimediatoeters en -bellen toegevoegd - allemaal laag voor laag geplamuurd op antieke chips en software, waar de datum nog altijd rekende met zes posities. In de race om de vooruitgang begint men nu eenmaal nooit van nul af aan en is de blik altijd voorwaarts gericht. Voorwaarts, maar beperkt. De beperkte blik is niet in staat over de eigen eeuw, de eigen tijd, de eigen ruimte heen te kijken.
DIT IS NIET zomaar een programmeursprobleem, dit is de huidige condition humaine. In de ultieme metafoor van het millenniumprobleem wordt pijnlijk duidelijk wat het betekent een gebrek aan geheugen en aan historisch bewustzijn te hebben. Vroeg of laat krijgen we daarvan de rekening gepresenteerd. En die krijgen we binnenkort, van de computer, want die is onverslaanbaar als het gaat om het tot in de uiterste consequenties doortrekken van efficiëntie, van marktmechanisme, van tijd-is-geld, van bot doorrekenen tot je erbij neervalt.
Maar hebben ze dat dan niet kunnen voorzien? Ach gos, 'ze’. De postmoderne en deconstructivistische filosofen riepen het al veel langer: 'ze’ zijn er allang niet meer. De plaats van de macht is leeg, het Subject is dood. Er zijn slechts tijdelijke programmeurs die telkens even voor Subject mogen spelen. Om de telkens opduikende software-foutjes te repareren of om alweer een nieuwe update van een progamma maken - in de race om de vooruitgang en de markt. Maar dit type Subject heeft geen geheugen, laat staan een moraal. De ondoorzichtigheid en complexiteit van de systemen die zo gemaakt worden, maakt elke controle hooguit lokaal mogelijk. En zelfs die weg is de pas afgesneden met de vernetwerking van de systemen. Een piepkleine lokale fout komt vroeg of laat terecht in een aanpalend netwerk.
Nu was controle over de sociale loop der dingen in feite al millennia lang een illusie, maar daarmee was goed te leven. Het is precies die illusie die ons nu ontnomen wordt. Vooruitgang betekende lange tijd een steeds grotere mate van beheersing, maar die is inmiddels uitbesteed aan onbeheersbare systemen. En we weten het, want voor het eerst tellen we de tijd niet meer vooruit maar af: nog zo'n vierhonderd dagen te gaan…
De dringende tijd, het gebrek aan geheugen en controle, de overmaat aan complexiteit - het zijn kortom niet alleen de kenmerken van het technische millenniumprobleem maar ook, en vooral, die van de sociale conditie in het algemeen. Met als meest fundamentele eigenschap: gebrek aan zekerheid. Je weet het niet. Je weet niet waar chips zitten, je weet niet wat ze doen. Je weet niet of een systeem het zal begeven. Niemand weet het, ook 'ze’ niet.
O JA, 'ZE’ WERKEN eraan. Dat moet ook wel, want afhankelijk van de termijn waarmee de software rekent, is de millenniumovergang al eerder opgedoken. Hypotheeksystemen moesten een paar decennia geleden al gaan rekenen in het volgende millennium, en ook ziekenhuisafspraaksystemen waren al eerder spaak gelopen (bij bijvoorbeeld oncologen is het niet ongebruikelijk om een afspraak te maken voor over drie jaar). De meeste creditcard- en pinpaslezers zullen inmiddels ook wel klaar zijn, want die begonnen al in 1996 kaarten te weigeren die tot later dan 31-12-99 geldig waren. Ik gebruik al een paar jaar zonder problemen een creditcard die geldig is tot 01-00, en al een half jaar een pinpas die afloopt op 07-2000.
Ze werken er aan. Informatietechneuten en programmeurs worden op alle fronten ingezet om bedrijfssystemen millenniumbestendig te maken. De werkgelegenheid in de automatisering heeft een meer dan leuke impuls gekregen door het Y2K-probleem (Year-2000 - K is duizend in computerlingo).
In Nederland heeft de overheid het Millennium Platform in het leven geroepen om de zaak te coördineren en te 'communiceren’. Het Platform inventariseert en rapporteert hoe ver bedrijven en openbare diensten zijn in hun Y2K-projecten. Niet zo ver dus, en telkens schuiven de planningen op omdat er voortdurend meer gevoelige 'objecten’ (computers, chips, software) opduiken. 'Hoe meer inzicht, hoe minder optimisme’, somberde Jan Timmer onlangs bij de derde rapportage.
In de wetenschap dat het sowieso eerder uitzondering dan regel is dat automatiseringsprojecten op tijd afkomen en dat het millenniumprobleem echt een onwrikbare deadline heeft, concentreert het Platform zich nu op 'vitale functies’: energie, gezondheidszorg, transport en dergelijke. Al met al gaat dat geintje Nederland een slordige twintig miljard kosten (aansprakelijkheidskosten, bedrijfsschade en vervroegde afschrijvingen niet meegerekend).
Het Millennium Platform heeft ook een arbeidspool gecreëerd van een paar duizend programmeurs, met daarin vooral ouderen - die kennen de verouderde programmeertalen immers nog. Toch wordt er weinig gebruik gemaakt van die standby-krachten. Kennelijk is het millenniumbewustzijn nog niet volledig tot wasdom gebracht.
Nu is dat ook geen eenvoudige klus. Wat dat betreft heeft het Millennium Platform in feite een paradoxale taak: het tot stand brengen van 'beheersbare paniek’. Er wordt flink wat vergaderd, gecongresseerd en geadviseerd, maar 'Brand!’ roepen in het volle theater is er niet bij. Nee, Jan Timmer voelt niets voor het publiceren van een zwarte lijst van bedrijven en diensten die dramatisch op het schema achterliggen. En een wettelijk gagarandeerd millenniumcertificaat zit er ook niet in. Niet alleen omdat zo'n plakkertje valse zekerheid geeft - want het is in feite niet te garanderen - maar vooral omdat het ontbreken van zo'n certificaat op voorhand de nekslag zal betekenen voor de betreffende bedrijven. Er wordt sowieso verwacht dat zo'n tien procent van de bedrijven failliet zal gaan aan het millenniumprobleem. Want de economie is niet alleen millenniumgevoelig, maar vooral paniekgevoelig.
En dat geldt natuurlijk nog sterker voor ons, consumenten, gewone mensen. Journalisten die voor die groep boekjes willen schrijven en informatie inwinnen bij het Millennium Platform, krijgen het dringende verzoek af te zien van hun project. En er zit warempel wel wat in. Want als wij de boodschap maar half begrijpen, staan wij in december 1999 al in eindeloze rijen voor de pin-automaten en komen de banken nog voor 1-1-00 in de problemen.
MAAR HET IS al te laat. Er zijn al bedrijfjes gesignaleerd die van plan zijn het loon van december 1999 en januari 2000 in één keer, en wel contant, uit te betalen. Naar verluidt heeft de Amerikaanse Federal Reserve Board alvast vijftig miljard extra dollars laten drukken. Het Internet staat al vol met serieus en grappig bedoelde millennium-survival-tips over het hamsteren van voedsel en kaarsen, en het opbouwen van je lokale community. En niet te vergeten: met complottheorieën ('De overheid houdt informatie achter! Ze zijn bang dat wij het heft in eigen hand nemen!’). En het schiet helemaal lekker op als schrijvers van millenniumpaniekboekjes beweren hun geld intussen in goud te hebben belegd (Luc Sala) of met hun gezin de bergen in zijn getrokken in afwachting van betere en minder interessante tijden (Edward Yourdon).
Het is dus maar de vraag waardoor de systematiek van de wereld het eerder zal begeven: de millenniumovergang, het beperkte collectieve bewustzijn of het beperkte individuele bewustzijn.
Je weet het niet. Niemand weet het.
Je kunt alleen maar hopen dat 'ze’ het redden.