Dieter Lesage, Vertoog over verzet

De grote ommekeer

De Vlaamse filosoof Dieter Lesage ziet wel iets in een andersglobalistische partij. Maar dan zal men hard moeten werken om de interne fricties te overwinnen.

Dieter Lesage

Vertoog over verzet

Meulenhoff/Manteau, 364 blz., € 21,50

In zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens verkondigde Francis Fukuyama dat de kapitalistische liberale democratie het eindpunt vormde van een historische evolutie. Volgens Fukuyama betekende dit niet dat er geen grote schokkende gebeurtenissen meer zouden plaatsgrijpen, maar wel dat de liberale democratie steeds het resultaat zou zijn van de menselijke evolutie. Deze gedachtegang inspireerde tal van neoliberale en libertaire denkers die de rol van de overheid wilden terug dringen tot een absoluut minimum. Ze kozen resoluut voor privatisering, deregulering en een minimale staat. Het leidde tot een vorm van zelf genoegzaamheid waarin marktfundamentalisme de hoofdtoon voerde.

Intussen weten we dat een absoluut geloof in de vrije markt haaks staat op de rechtvaardigheid en een billijke verdeling van de welvaart. Het ongenoegen over de zogenaamde Washington Consensus, waarbij elk land zich zou moeten plooien naar de richtlijnen van het IMF, en dus indirect naar rijke landen, is wijdverbreid en inspireert steeds meer intellectuelen om zich te kanten tegen elke vorm van Amerikaans imperialisme op sociaal, economisch en cultureel vlak.

In zijn boek Vertoog over verzet probeert de Vlaamse filosoof Dieter Lesage een antwoord te bieden op de kapitalistische liberale democratie. Hiervoor baseert hij zich op het boek Empire van de omstreden Italiaanse filosoof Antonio Negri en de Amerikaanse literatuurtheoreticus Michael Hardt, dat zowat beschouwd wordt als het manifest van het antiglobalisme. Tegelijk noemt de auteur het ook «een stevige communistische repliek» op het heersende neoliberale denken. Die repliek is inderdaad stevig, maar overtuigend is het boek niet echt en of alle anti- en andersglobalisten het als de bijbel van hun beweging beschouwen valt te betwijfelen.

Het uitgangspunt van Negri en Hardt is dat het neoliberale denken een nieuwe supernationale wereldmacht is die ze aanduiden als het Imperium. Het zorgde voor een verval van de macht van de natiestaten, deregulering op internationale markten en supranationale instellingen die steeds meer invloed krijgen op het economische gebeuren, denk aan het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie. De oorlog in Irak, die niet was goed gekeurd door de VN, toont ook aan dat de VS zich de rol van politiemacht van de wereld aanmeten.

Tot daar zullen de meeste anti- en andersglobalisten het eens zijn. Maar Negri en Hardt gaan in hun kritiek op het «Imperiale systeem» nog verder en verwerpen de rol die tal van ngo’s en actiegroepen binnen de antiglobaliseringsbeweging spelen. Die zouden te veel optreden als een soort middenveld dat wil bemiddelen tussen de burgers en de politici. Lesage ziet de forums en conferenties die door politici van de Derde Weg georganiseerd worden zelfs als een vorm van recuperatie teneinde de ware problemen te ontmijnen als voorwerp van de echte politieke strijd. En dat zien ook de revolutionaire denkers Negri en Hardt niet zitten. Zij willen geen aanpassing van het bestaande systeem maar een tabula rasa. Daarmee gaan ze verder dan andersglobalis tische auteurs als Naomi Klein en Noree na Hertz. Ze bepleiten een compleet andere maatschappelijke structuur in de marxistische traditie. Lesage zelf heeft het over een verzet tegen de heersende kapitalistische liberale democratie.

Dat verzet gaat uit van de «menigte». Dit begrip kent geen territoriale grenzen zoals het «volk» en is moderner dan het marxistische begrip «proletariaat». Volgens Negri en Hardt heeft de menigte «het potentieel getransformeerd te worden in een autonome massa van intelligente productiviteit, in een absolute democratische macht». In die radicale democratie die ze voorstaan is geen plaats voor het mechanisme van representatie zoals het geval is in een liberale democratie. Hoe die radicale democratie dan in haar besluitvormingsprocessen moet functioneren is niet duidelijk, maar alle experimenten van de zo bezongen «autonome massa» zijn in het verleden uitgedraaid op nachtmerries. Zowel in het communisme en het fascisme als het religieus extremisme werd het individu ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de menigte of de autonome massa. Beter dan wie ook besefte Adolf Hitler de impact van de menigte (Die Menge) en haar verpletterende kracht tegen over het individu. Binnen de menigte wordt het kritisch denken van het individu uitgeschakeld en conformeren de deelnemers zich naar «ordewoorden» die door organisatoren van acties en demonstraties worden voorgekauwd. Ordewoorden die vaak generaliseren tot anti-Amerikanisme, antisemitisme, antikapitalisme of leiden tot een overgave aan hogere machten zoals verwoord in «Allah akbar».

Dat de andersglobalistische beweging niet voluit meestapt in dit bedenkelijke discours van Negri en Hardt is dan ook hoopgevend. Lesage heeft het in zijn inleiding over een «contradictoire cocktail van verzet en van reformisme dat zich uitdrukkelijk tegen dit verzet verzet». Hij lijkt het te betreuren, maar het bewijst dat niet alle andersglobalisten blind zijn voor de pogingen tot recuperatie door neomarxisten, communisten en maoïsten van een al bij al democratische beweging. Bedenkelijk is ook dat de auteur – die het wil opnemen tegen alle vormen van onrechtvaardigheid in de wereld en voor de belangen van de armen – met geen woord rept over krachten binnen de andersglobalistische beweging die dat juist verhinderen. Zoals vakbonden en landbouwlobby’s die pleiten voor meer protectionisme, subsidies en steunmaatregelen waardoor onze markten afgeschermd worden voor arme landen en die ten koste gaan van miljoenen mensen, vooral landbouwers, in de Derde Wereld. Een belangrijke groep betogers uit de historische demonstratie van antiglobalisten in Seattle bestond uit arbeiders uit de staalindustrie die meer protectionisme eisten en dat enkele maanden later ook kregen, in de vorm van een heffing van dertig procent op alle buitenlandse staalproducten die werden ingevoerd in de VS en die ten koste ging van talloze banen in Rusland, Brazilië, Zuid-Korea en Europa. Een maatregel die na wereldwijd protest en een veroordeling door de WTO weer werd ingetrokken.

Dit voorbeeld geeft aan dat veel protest van de andersglobalisten wel terecht is, maar dat de oplossingen die ze voorstaan vaak diffuus, verkeerd of misleidend zijn. De oplossing ligt doorgaans in het systeem dat ze zelf het meest bestrijden, namelijk het liberalisme. In heel zijn boek beukt Lesage in op de hegemonie van de kapitalistische liberale democratie. Maar is er van een wereldwijde liberale democratie en vrije markt wel sprake? Zeker niet in totalitaire en religieus extremistische landen, maar ook niet in Europa, de VS en Japan. Die drie economische grootmachten hanteren immers een politiek van protectionisme en andere marktvervalsende maatregelen.

Het neer halen van marktbelem merende zaken als importheffingen, productiesteun en exportsubsidies zou een enorme impact hebben op de welvaartsontwikkeling in de arme landen. Ook in de arme landen zou de toepassing van liberale maatregelen, zoals het toekennen van eigendomsrechten aan de bewoners van de bidonvilles en favela’s, een enorme voor uitgang van welvaart betekenen. De oplossing ligt niet in oude recepten als nationalisatie, staatsinterventionisme en gedwongen collectivisering, want die hebben in het verleden hun inefficiëntie bewezen.

Net als tal van andersglobalisten zijn liberalen beducht voor de uitwassen van een soort marktfundamentalisme dat voortvloeit uit de Washington Consensus. In die zin zijn liberalen voorstander van een meer representatieve en democratische samenstelling van diverse internationale organisaties zoals de VN-Veiligheidsraad, het IMF, de Wereldbank en de G8. De oorlog in Irak heeft ook duidelijk gemaakt dat Europa het neoconservatieve Amerikaanse beleid niet achterna moet lopen, maar een eigen koers moet varen. Als een soort bemiddelaar op het internationale toneel, aldus Lesage.

Dan moet men wel consequent zijn en Europa in haar buitenland- en defensiebeleid ook meer middelen toekennen. Of anders gezegd: als Europa de daad bij het woord wil voegen, zal het meer moeten investeren in een gezamenlijke militaire capaciteit, maar dat stuit dan weer op «verzet». Maar zoals gezegd gaat het bij Negri en Hardt niet om een aanpassing van het kapitalisme, maar om de ontwikkeling van een tegenhegemonie, een ander systeem dan het kapitalistische. En dat kan alleen een collectivistisch systeem zijn.

In zijn boek ontleedt Lesage verder de strategie van de antiglobalisten en heeft er ook regelmatig kritiek op. Zo gelooft hij niet in summit hopping waarbij de antiglobalisten van de massale aanwezigheid van de media op de topontmoetingen van de G8 of de WTO gebruikmaken om hun eigen agendapunten kenbaar te maken. Hij vermoedt bijna paranoïde dat het Impe rium op die manier zijn agenda volgt en dient. Zo vermeldt hij ook terloops dat het tijdens de betoging naar aanleiding van de Europese top in Brussel eind 2001 wel bijzonder kalm bleef rond de Brusselse beurs. Moest die dan afgebroken worden?

De antiglobalisten moeten hun eigen locaties kiezen, zoals sporadisch al gebeurde in Porto Alegre (merk waardig genoeg vermeldt de auteur de bijeenkomst van het Wereld Sociaal Forum in het Indische Mumbai niet). Lesage bekritiseert de werking van Indymedia, dat te veel aandacht zou besteden aan het politionele geweld en te weinig aan het eisenpakket van de antiglobalisten.

Interessant is de analyse van Lesage over het «verzet als identitaire reflex». Hij wijst erop dat identiteit niet aangeboren is maar het product van sociale interactie. Hiermee spoort hij met liberale denkers die achter het toewijzen van een collectieve identiteit aan mensen een aanslag tegen de individuele vrijheid vermoeden. Daaruit volgt de pertinente conclusie dat de globalisering niet leidt tot culturele homogenisering en het verdwijnen van identiteiten, zoals veel antiglobalisten betogen, maar tot «een oneindige multiplicatie van identiteiten als gevolg van hybridiserende ontmoetingen». Dat klopt, zeker voor jongeren. Nationale of regionale identiteiten eroderen door de toegenomen kansen om als individu kennis te nemen van andere zaken. Jongeren vormen hun zelfbeeld niet langer alleen binnen het gezin en de school, maar steeds meer via persoonlijke contacten en ervaringen, culturele activiteiten, internet, muziek, films, literatuur, beeldende kunsten en reizen. Op die manier herkennen jongeren zich steeds minder in uniformiserende elementen als een nationale of volks gebonden identiteit. Alleen moet toegang tot kennis dan wel voor iedereen mogelijk zijn.

Het vormt ook de reden waarom een verwijzing naar het christendom als een van de pijlers van de Europese beschaving onnodig en zelfs storend zou zijn. Lesage heeft het niet begrepen op de nationalisten, independentisten of volkssoevereinisten onder de antiglobalisten. Hij pleit voor een vrij verkeer van mensen en loopt daarmee gelijk op met de liberale historicus Johan Norberg.

In zijn slotbetoog voor een politiek van verzet schrijft Lesage wat enigmatisch dat een werelddemocratie «een nachtmerrie is voor westerse liberalen, die hun machtspositie willen behouden», zoals de ware horror van de westerse sociaal-democraat «de gelijkheid van alle mensen op de wereld» is. Dat is kort door de bocht. Liberalen en sociaal-democraten zijn immers kinderen van de Verlichting en vinden hun grondslag in het kantiaanse denken waarin het wereldburgerschap centraal staat. Diegenen die hun machtspositie willen behouden zijn mensen en bedrijven die via monopolie- en trustvorming, protectionisme, subsidies en andere marktverstorende elementen de vrijheid en gelijkheid juist verfoeien.

Wat wel juist is, is de afkeer van de dictatuur van de meerderheid. Libe ralen en sociaal-democraten verdedigen immers enkele fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van alle mensen. Dat zijn grondrechten waaraan niet kan worden getornd. Anders vervalt men in cultuurrelativisme, waarbij men onverschillig zou staan tegenover misstanden die in bepaalde culturen en religies gebruikelijk zijn.

In tegenstelling tot Negri en Hardt vindt Lesage dat de andersglobalisten bereid moeten zijn «wereldwijd in het democratische strijdperk te treden». Het moet leiden tot een meer evenwichtige representatie van regionale federaties in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en – praktisch onhaalbaar maar theoretisch correct – tot de onderwerping van de militaire macht van de Verenigde Staten «aan het verlangen naar vrede van de mondiale menigte».

De auteur ziet een grote kans voor een andersglobalistische partij, vooral in de «global cities». Maar dan zal men hard moeten werken om de interne fricties en tegenstellingen te overwinnen. In zijn slotwoord herhaalt Lesage dat hij niet wil strijden tegen de excessen van het kapitalisme, maar wel tegen het kapitalisme als exces ofwel tegen het kapitalisme als systeem. Verzet moet zorgen voor een grote ommekeer. Maar waar we na die ommekeer terecht zullen komen, weten we na lezing van dit boek niet. Misschien is het voor de volgelingen van Lesage ook beter dat ze dat vooraf niet weten, de ontgoocheling zou des te groter kunnen zijn.