De grote ontwrichting

OP HET EERSTE gezicht lijkt Francis Fukuyama zich met zijn derde boek te hebben ontwikkeld tot een nieuw soort Oswald Spengler. Waren zijn eerste twee boeken uitgesproken lofzangen op de zegeningen van de liberale democratie en het onlosmakelijk daarmee verbonden kapitalisme, in The Great Disruption staan, zoals de titel al aangeeft, de kwalen van onze samenleving voorop. De immer voortschrijdende individualisering heeft ertoe geleid dat de sociale cohesie in toenemende mate verdwijnt. Mensen hebben zich niet alleen bevrijd van de knellende banden van staat, godsdienst en traditie, maar ze hebben tegelijkertijd de veiligheidsgordels doorgesneden die hun moeten beschermen tegen eenzaamheid, vertwijfeling en nihilisme.

De Grote Ontwrichting komt duidelijk naar voren uit de razendsnel gestegen statistieken van misdaad, echtscheidingen en onwettige kinderen. De mensen laten zich blijkbaar alleen nog leiden door hun driften en begeerten, jagen louter hun eigenbelang na en hebben niets meer voor anderen over. Een excessief consumentisme, het uiteenvallen van gezinnen en de teloorgang van waarden als solidariteit en plicht - dat zijn de kenmerken van The Great Disruption. De Grote Ontwrichting is niets anders dan een razendsnelle vermindering van ons ‘maatschappelijk kapitaal’. Reeds in zijn vorige boek, Trust, speelde het begrip 'social capital’ een belangrijke rol. Volgens Fukuyama, die de term heeft geleend van de socioloog James Coleman, bestaat het maatschappelijk kapitaal uit een verzameling informele waarden en normen die door de leden van een groep worden gedeeld, en die hun in staat stellen om samen te werken. Omdat mensen weten dat ze kunnen rekenen op de anderen uit hun groep, dat deze betrouwbaar en 'eerlijk’ (= zich gedragen volgens de 'eer’ van de groep) zijn, ontstaat er 'trust’. En 'vertrouwen’ is een smeermiddel dat het functioneren van een groep of organisatie vergemakkelijkt. Dit maatschappelijk kapitaal vermindert in onze samenleving, waarin geld en kennis almaar lijken te accumuleren, zienderogen. Het grote gevaar is dat de machine vastloopt omdat de radertjes onvoldoende worden gesmeerd. VORIGE WEEK STOND er in De Groene een rondetafelgesprek dat was overgenomen uit het Engelse maandblad Prospect, waaraan ook Fukuyama meedeed. In een passage die is geschrapt vertelde Fukuyama dat bovengenoemde trends hem waren opgevallen toen hij vorig jaar de biografie van de invloedrijke Amerikaanse politicus Dean Acheson las. 'Acheson was een van de meest gepriviligeerde Amerikanen van zijn generatie, maar toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak meldde hij zich, evenals al zijn medestudenten op Yale, voor het leger. Probeer je eens voor te stellen hoeveel investment bankers en hedge fund managers, van dezelfde leeftijd als Acheson, heden ten dage bereid zouden zijn hun Wall Street-carrières te onderbreken om te dienen in de loopgraven van Frankrijk.’ Dit lijkt toch wel erg op het gemopper van oude, zure mannen, die constant klagen over de patatgeneratie die liever veel geld verdient, pillen slikt en in het wilde weg rondneukt dan dat ze zich inzet voor koningin & vaderland. Is Fukuyama gewoon een ouderwetse cultuurpessimist, die de ondergang van het avondland vreest als gevolg van de opstand der horden? Nu komt Fukuyama inderdaad uit de neo-conservatieve hoek. Het artikel dat hem tien jaar geleden op slag beroemd maakte verscheen immers in het rechtse blad The National Interest, hij werkte enige tijd voor de Rand Corporation en tot zijn leermeesters rekent hij mensen als Irving Kristol en Allan Bloom. Maar anders dan de gemiddelde cultuurpessimist gelooft hij niet dat de ontbindingsverschijnselen van onze sa menleving een culturele oorzaak hebben. Het verval van waarden en normen is niet een autonoom, onomkeerbaar proces. De Grote Ontwrichting wordt namelijk veroorzaakt door hetzelfde fenomeen waarop onze welvaart en vrijheid gefundeerd is, namelijk het kapitalisme. Het marktmechanisme en de onderlinge competitie leiden tot toenemende individualisering en de slijtage van sociale banden. Wat nu? Is de man die in de onvoorwaardelijke triomf van de kapitalistische wereldorde 'het einde van de geschiedenis’ zag, van zijn geloof gevallen? Heeft hij zich bekeerd tot een religieus fundamentalisme dat geld ziet als the root of all evil? Zo erg is het ook weer niet. Om te beginnen is het misschien zinvol erop te wijzen dat Fukuyama al in zijn vorige boeken aandacht heeft besteed aan de zelfvernietigende tendensen binnen kapitalisme en liberalisme. In The End of History and the Last Man (1992) confronteerde hij de zegeningen van onze samenleving met Nietzsches 'laatste mens’, de vleesgeworden middelmatigheid die zich nergens meer voor inzet, die niets meer nastreeft, die op een stompzinnige wijze 'gelukkig’ is. In het drie jaar later verschenen Trust (in Nederland gepubliceerd als Welvaart) onderzocht Fukuyama het verschil tussen de westerse democratieën en kapitalistische landen in Oost-Azië. Beide categorieën deelden dezelfde economische grondslag, maar de Oost-Aziatische, veel minder democratische landen leken aanzienlijk succesvoller. Kapitalisme was wel een voorwaarde voor liberale democratie, maar het omgekeerde was blijkbaar niet zo. De veel grotere sociale cohesie in Azië was volgens Fukuyama de oorzaak voor het succes van deze kapitalistische landen, terwijl de toenemende individualisering in het Westen een enorm risico betekende. IN THE GREAT Disruption heeft Fukuyama dit risico nu breed geëtaleerd. Maar een echte cultuurpessimist is Fukuyama natuurlijk niet. Er gloort hoop aan het eind van de tunnel, zoals al blijkt uit de ondertitel van het boek: 'de menselijke natuur en het herstel van de sociale orde’. Hoewel het kapitalisme ontwrichtende krachten in zich heeft, zijn er tegelijkertijd mechanismen werkzaam die zorgen voor herstel. In 1920 noemde Henriette Roland Holst het communisme 'een tooverzwaard dat de wonden, die het slaat, ook kan heelen’. In de praktijk viel het met die toverkracht wel tegen en was het vooral de vernietigende kracht van deze ideologie die in het oog sprong. Maar misschien ziet Fukuyama in het kapitalisme wel een dergelijk toverzwaard. Zijn oplossing komt echter niet uit het economisch bestel voort, maar uit 'de menselijke natuur’. Nu is dat een tamelijk vaag begrip, waarvan de bruikbaarheid door velen wordt betwist. Maar Fukuyama gaat vage begrippen en grote woorden zelden uit de weg, zodat het zinvol is te kijken naar wat hij hier nu onder verstaat. Fukuyama wijst erop dat de filosofische wegbereiders van het moderne liberalisme - en hij noemt hier Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau - hun theorieën ba seerden op het concept van de mens in zijn 'natuurlijke staat’, dat wil zeggen de mens zoals hij was voordat de cultuur greep op hem kreeg. Volgens Hobbes werd die natuurlijke staat gekenmerkt door een oorlog van allen tegen allen, en in de ogen van Rousseau was de natuurlijke mens zo solitair en egoïstisch dat zelfs familiebanden niet bestonden. Waarden en normen zijn in deze visie een product van de maatschappij, ze zijn cultureel bepaald. Deze opvatting van de menselijke natuur, die dus noodzakelijkerwijs in toom gehouden moet worden door middel van regels en wetten, wordt door Fukuyama verworpen. Veel zinniger is het volgens hem om uit te gaan van Aristoteles’ notie dat de mens een 'politiek dier’ is, dat zich te allen tijde organiseert in de een of andere vorm van gemeenschap. De mens is geen potentiële god, die in beginsel in staat is tot ongelimiteerd altruïsme, maar de mens is ook geen beest dat alle andere wil verscheuren. DE BEHOEFTE aan gemeenschap, aan erkenning, aan samenwerking zit in onze genen. Volgens Fukuyama laat de biologie steeds duidelijker zien dat ons gedrag niet in de eerste plaats sociaal en cultureel bepaald is. Mensen werken samen met anderen, ze gedragen zich 'sociaal’ of zelfs 'altruïstisch’ omdat dat in hun eigen belang is. Mensen hebben elkaar nu eenmaal nodig, of ze het leuk vinden of niet. Daarom ontstaan er steeds nieuwe vormen van gemeenschap en 'maatschappelijk kapitaal’. Een voorbeeld hiervan zijn volgens Fukuyama de carpoolers, die in Washington gebruikmaken van een weg waarop tijdens de spits alleen auto’s mogen rijden waarin minstens drie mensen zitten. Door een overheidsmaatregel ontstond zo spontaan een geheel nieuw fenomeen, met geheel eigen normen en regels. Omdat zowel de autobezitters als de meerijders er voordeel van hebben, en niet omdat men ervan overtuigd is dat de maatschappij er beter van wordt, neemt de hoeveelheid 'maatschappelijk kapitaal’ toe. Dit mechanisme, deze werking van onze 'zelfzuchtige genen’, zal er volgens Fukuyama toe leiden dat de Grote Ontwrichting langzamerhand overwonnen wordt. Zoals ons lichaam zelf meestal de antistoffen aanmaakt om ziektes te overwinnen, zo zal het maatschappelijk organisme ook zichzelf er weer bovenop helpen. Erg origineel kan men deze visie niet noemen, opmerkelijk is wel dat juist Fukuyama hiermee komt. De geschiedopvatting die ten grondslag ligt aan deze visie is immers cyclisch. De Grote Ontwrichting zit volgens Fukuyama ingebakken in onze samenleving, evenals het feit dat er steeds weer nieuw maatschappelijk kapitaal ontstaat. Zowel ziekte als remedie is er onderdeel van. Het is een voortdurende afwisseling van groei, bloei en verval. En hier wringt, schuurt, piept en knarst er iets in Fukuya ma’s verhaal, aangezien hij tot nu toe steeds uitging van een lineaire geschiedopvatting. Hij was immers de man van het vooruitgangsdenken, de Hegel-adept die van mening was dat de geschiedenis een 'eindpunt’ kende. Fukuyama mocht dat eindpunt dan weliswaar niet, zoals Hegel had gedaan, situeren in het Pruisen van 1806 maar in het Westen van 1989, dat het 'einde van de geschiedenis’ bereikt was, daarover viel met hem niet te twisten. En nu is de geschiedenis een soort eeuwigdraaiend rad van opbloei en ondergang. Dat zijn zaken die op het eerste, en ook op het tweede gezicht niet echt te verzoenen zijn. Het wekt dan ook verbazing dat Fukuyama, die er doorgaans niet zijn hand voor omdraait om grote filosofen in zijn betoog te betrekken, niet met Giambattisto Vico op de proppen komt. De achttiende-eeuwse Napolitaan heeft immers wel getracht de kloof tussen de cyclische en de lineaire geschiedfilosofie te dichten. FUKUYAMA HEEFT echter zijn kaarten gezet op de nieuwste ontwikkelingen in de biotechnologie. In een interview met NRC Handelsblad (6 augustus 1999) stelde hij: 'Als we eenmaal begrijpen wat de biologische wortels van gedrag zijn, dan kunnen we gaan manipuleren. We doen dat al op grote schaal door toediening van geneesmiddelen die gedrag beïnvloeden; 35 miljoen Amerikanen slikken medicijnen als Prozac tegen depressiviteit, drie miljoen kinderen gebruiken Ritalin tegen concentratiestoornissen. In de toekomst zullen we dat soort problemen waarschijnlijk veel directer kunnen aanpakken: via de biotechnologie. Dan zijn we bezig een nieuw soort mens te maken.’ Op het moment dat we de natuur volledig in onze macht hebben is het einde van de geschiedenis inderdaad een feit. De cyclus is tot stilstand gebracht, het eindpunt is bereikt. De spanning tussen de twee geschiedopvattingen is opgeheven. Maar wie zegt dat dit ook echt zal lukken? Wie garandeert er dat er geen nieuwe problemen, nieuwe spanningen ontstaan? Zal de samenleving niet opnieuw ontwricht worden? Fukuyama geeft er vooralsnog geen antwoord op. Fukuyama’s grote probleem is de chaos, het ontbreken van orde. Net als zoveel mensen wordt hij daar zenuwachtig van. Vandaar dat hij met zijn boeken probeert de orde te herstellen. In The End of History was het de geschiedenis die uiteindelijk de chaos zou bezweren, in Trust werd de wanorde uiteindelijk overwonnen door de cultuur, en in zijn nieuwste boek is het bio logie die uitkomst moet bieden. De overeenkomst tussen deze ogenschijnlijk nogal uiteenlopende remedies is dat ze alledrie zo deterministisch als de pest zijn. De mens is kennelijk op weg ergens heen, er moet een 'verborgen’ plan zijn, wat er gebeurt is op de een of andere manier historisch 'noodzakelijk’. Hierin lijkt Fukuyama inderdaad op Spengler en tal van andere ouderwetse cultuurpessimisten. HOEWEL FUKUYAMA de lezer bijkans bedelft onder het nieuwste cijfermateriaal en de laatste uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, kan men zich toch niet geheel aan de indruk onttrekken dat er niet veel nieuws onder de zon is. Fukuyama’s verhaal over de Grote Ontwrichting en het noodzakelijke herstel van het maatschappelijk kapitaal is in feite niet veel anders dan de oude discussie over Gemeinschaft und Gesellschaft. De gemeenschap, het maatschappelijk kapitaal, dreigt op te lossen in de maatschappij. Het cement van het maatschappelijk gebouw brokkelt af en wat overblijft is een onoverzichtelijke hoop individuen. Een oude discussie, en ook Fukuyama’s oplossing, is er een uit de oude doos: de wetenschap zal uitkomst brengen. Nu is er niets tegen oude dis cussies, zolang de vragen waarom het gaat nog niet zijn beantwoord. De vraag is alleen of Fukuyama veel bijdraagt aan dit debat. De hoeveelheid materiaal die hij aandraagt is overweldigend. Zijn literatuurlijst is zeer gevarieerd en duizelingwekkend. Schier eindeloos zijn de statistieken die hij erbij haalt. Nu hoeft men niet meteen Disraeli gelijk te geven - die verklaarde dat er drie soorten leugens zijn: leugens, smerige leugens en statistieken - om toch vraagtekens te plaatsen bij al die cijfertjes en tabellen. Zo maakt Fukuyama zich druk over het feit dat er steeds meer buitenechtelijke kinderen worden geboren. Volgens hem is dat een van de kenmerken van de Grote Ontwrichting. Allemaal goed en aardig, maar volgens mij is er toch wel enig verschil tussen tienerzwangerschappen van meisjes uit de onderklasse van de Verenigde Staten en het ouderschap van veelal hoogopgeleide West-Europeanen die hun relatie hebben laten bevestigen door een notaris in plaats van door een ambtenaar van de burgerlijke stand. Bovendien lijkt het er af en toe op dat Fukuyama aan betrekkelijk kleine trendbreuken in de statistieken forse conclusies verbindt. Zo gebruikt hij voor zijn stelling dat het herstel van de Grote Ontwrichting zich reeds aftekent misdaadcijfers uit de VS. Tot het begin van de jaren negentig stegen die spectaculair, maar sinds een jaar of vijf zijn ze aan het dalen. Er worden blijkbaar voldoende antistoffen aangemaakt, zodat de ziekte op zijn retour is. Wat Fukuyama er echter niet bij vertelt, is dat in de VS de zogenaamde war on crime woedt, waarbij de politie ongenadig optreedt en er nogal wat slachtoffers vallen. De doden die door politiekogels vallen worden niet meegeteld in de misdaadstatistieken, en het is ook zeer de vraag of het dalen van die statistieken het gevolg is van een versterking van het maatschappelijk bindweefsel. Overigens heeft Fukuyama zich al eerder vergaloppeerd met zo'n overhaaste conclusie. De boom van de kapitalistische economieën in Oost-Azië verleidde hem in Trust immers tot de conclusie dat deze samenlevingen superieur waren aan de westerse. Het was inderdaad enkele tientallen jaren goed gegaan, maar niet lang na het verschijnen van Fukuyama’s boek stortten de Aziatische markten in en bleken die high-trust-economieën bijzonder kwetsbaar te zijn. Dit alles neemt niet weg dat Fukuyama een meeslepend en aanstekelijk denker is die interessante en inspirerende boeken schrijft. Al was het maar omdat hij met zijn stellige opvattingen en pogingen tot 'de grote greep’ voortdurend uitnodigt tot tegenspraak. En dat kan nooit veel kwaad.