China staat er minder slecht voor dan het lijkt

De Grote Pas op de Plaats

2 september 2015 - Als de beurscrash in China iets duidelijk maakt, is het dat het voormalige groeiwonder hard op weg is een normaal kapitalistisch land te worden.

Medium hh 49823258

Een ‘bloedbad’, zo hebben westerse media de gebeurtenissen van vorige week in China samengevat. De Chinese partijkrant People’s Daily sprak nauwelijks minder dramatisch van een ‘zwarte maandag’ op de beurzen. Het doet vermoeden dat zich Syrische taferelen hebben afgespeeld in het Rijk van het Midden. Op z’n minst lijken de Chinezen ten prooi gevallen aan een economische crisis als in Griekenland.

Het tegendeel is waar. Je hoort er weinig over, maar Chinese winkeliers verkochten in juli ruim tien procent meer dan een jaar eerder. Chinese consumenten laten het geld rollen als nooit tevoren, zoals ook Apple-ceo Tim Cook benadrukte in een e-mail die hij op de dag van de beurscrash naar tv-zender cnbc stuurde. ‘Ik kan u vertellen dat wij stevige groei zijn blijven zien van onze zaken in China gedurende juli en augustus.’

De Chinese bevolking heeft dan ook weinig te klagen. Griekse toestanden? Vrijwel deze gehele eeuw stijgen de uurlonen in de Chinese industrie met jaarlijks gemiddeld twaalf procent. Ook wie zonder werk zit, ziet het leven langzaam beter worden. Het meest recente vijfjarenplan rept van een jaarlijkse toename van het minimumloon met minimaal dertien procent. De pensioenen gaan eveneens omhoog. Die Zeit schreef over deze Chinese loonexplosie als ‘de donkere kant van de groei’. Maar dat is een bizarre manier van denken. Mensen krijgen meer geld dan ooit. Ze weten zich met miljoenen tegelijk aan de armoede te ontworstelen. Dat zou slecht nieuws zijn? Als dit het niet is, waartoe dient economische groei dan wél?

De waarheid is dat de in zwaar weer verkerende aandelenhandel er voor China niet zo veel toe doet. Veel meer nog dan in westerse landen is de Chinese beurs een casino. De koersen zeggen weinig over de toestand van de economie. Deze zomer zijn ze fors gekelderd. Maar de doemdenkers vergeten te vermelden dat de koersen in de eerste helft van dit jaar verdriedubbeld zijn. Nog altijd staat de beurs van Sjanghai fors hoger dan een jaar terug.

Veel belangrijker voor zowel de Chinese banken als de huishoudens is de prijs van onroerend goed. Laat die zich de laatste maanden nou net enigszins stabiliseren. Tel daarbij op een overheid die vooralsnog afkoerst op een overschot op de begroting dit jaar, en je vraagt je af: waarom al die heisa?

Het voorzichtige herstel van de wereldeconomie wordt bedreigd door een dozijn potentiële crises. Er ontstaan nieuwe financiële zeepbellen, opgeblazen doordat centrale banken nog altijd gratis miljarden in de economie pompen. Ondertussen probeert elk land zich uit zijn eigen problemen te exporteren – maar wie moet al die spullen kopen?

Ten opzichte van die acute gevaren steken de Chinese strubbelingen bleek af. De economie groeit inderdaad wat minder snel, maar zelfs volgens de somberste scenario’s dit jaar nog altijd met drie à vier procent. Een echte crisis ziet er anders uit. Het lagere groeitempo is, net als de wild schommelende beurskoersen, dan ook vooral een symptoom van de echte uitdaging waar China voor staat: het dreigt zijn status van economisch wonderkind te verliezen.

Dat imago koestert China sinds het einde van de jaren zeventig, toen het land onder leiding van Deng Xiaoping een hervormingskoers inzette. Niet dat het de westerse economische recepten kopieerde. Integendeel, China heeft de ene na de andere veronderstelde economische wetmatigheid onderuit gehaald. Dat het recept voor ontwikkeling ligt in een kleine overheid, vrijhandel en ruim baan voor het particuliere bedrijfsleven, bijvoorbeeld. Of dat landen met een groeiende middenklasse wel móeten democratiseren.

Gedurende de voorbije drie decennia is China uitgegroeid tot een economische klasse apart. Jaar in, jaar uit deed het land de wereld versteld staan. Het doorstond de Azië-crisis eind jaren negentig zonder al te veel kleerscheuren. Doordat in 2008 honderden miljarden in de economie werden gepompt, ging ook dat onheil grotendeels aan China voorbij. De Aziatische grootmacht ontpopte zich zelfs tot de nieuwe mondiale groeimotor, die de tobbende westerse economieën uit het slop moest trekken.

Een greep uit de indrukwekkende cijfers: China is inmiddels goed voor vijftien procent van het wereldwijde bbp. Het land is verantwoordelijk voor de helft van de mondiale economische groei. Het aantal armen is er met honderden miljoenen afgenomen. In 2014 zwol het leger miljonairs aan met één miljoen verse rijkaards, tot in totaal vier miljoen.

De Chinese levensverwachting is vanaf de jaren vijftig omhoog geschoten van gemiddeld 35 naar 75 jaar

Het was lange tijd alsof de Chinezen de geheimzinnige bron van de eeuwige economische jeugd gevonden hadden. Alsof het land boven de normale economische conjunctuur met zijn ups en downs staat. Op het World Economic Forum in Davos werd de afgelopen jaren bewonderend gesproken over een zogenoemde ‘Beijing Consensus’. Dit wondermiddel, een mix van kapitalisme, communisme en confucianisme, zou de opvolger zijn van de in diskrediet geraakte liberale Washington Consensus. Japan was al ingehaald door China. Ondertussen regende het drieste voorspellingen wanneer China de Verenigde Staten zou aflossen als grootste economie ter wereld. Werd het 2050 (bank hsbc), 2030 (Wereldbank) of zelfs volgend jaar al (het imf in 2011)?

Deze overtrokken, bijna hysterische verwachtingen behoren tot de grootste slachtoffers van de chaotische beurszomer. Natuurlijk zijn er ook nu weer mensen die de problemen afdoen als een kortstondige onderbreking van China’s eindeloze groei. Het ligt meer voor de hand dat het land last begint te krijgen van precies diezelfde kwaaltjes waar het Westen al jaren mee worstelt.

Misschien wel de grootste bedreiging op de langere termijn is de vergrijzende bevolking. Ook hier geldt: is dat slecht nieuws? De Chinese levensverwachting is vanaf de jaren vijftig omhoog geschoten van gemiddeld 35 naar 75 jaar. Mensen leven langer, wat wil je nog meer? Maar gecombineerd met de eenkindpolitiek leidt het wel tot een buitengewoon scheve bevolkingsopbouw, getuige ook de stukken die hierover vorige maand in dit blad verschenen. In 1999 was één op de tien Chinezen ouder dan zestig jaar. Rond 2030 zal dat een kwart van de bevolking zijn. Het is nauwelijks voorstelbaar dat een land met zoveel niet-werkenden zo hard kan blijven groeien.

Nog een opvallende nieuwe overeenkomst met, bijvoorbeeld, Nederland: schulden. Die zijn in zes jaar tijd bijna verdubbeld, naar 282 procent van het bbp. Het is de prijs die China betaalt voor de voortvarende aanpak van de kredietcrisis in 2008. Aan de gewone Chinezen ligt het niet: die sparen nog altijd vlijtig. Het tekort van de centrale overheid is evenmin buitensporig. De pijn zit ’m vooral bij de lokale overheden en het bedrijfsleven.

Waar schulden zijn, ontstaan vroeg of laat zeepbellen. Zo ook in China, waar nu al jaren gewaarschuwd wordt voor de oververhitting op de woningmarkt. In zijn boek Gekochte tijd: De uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme (eerder dit jaar vertaald bij uitgeverij Leesmagazijn) laat de Duitse socioloog Wolfgang Streeck zien hoe westerse overheden sinds de jaren zeventig de angel uit sociale conflicten hebben gehaald. Dat deden ze door het ‘met succes kopen van tijd met behulp van geld’. Nu eens lieten ze de staatsschuld oplopen, dan weer hielden ze de koopkracht op peil door burgers zelf meer geld te laten lenen via hypotheken, creditcards of studieleningen.

De meest recente poging om tijd te kopen komt van de centrale banken. In navolging van de Amerikaanse Fed heeft nu ook de Europese Centrale Bank ‘de geldpers aan gezet’, zoals de populaire uitdrukking luidt. Dat goedkope geld vindt ook zijn weg naar China, naar de beurs van Sjanghai, bijvoorbeeld. Maar het gevaar komt niet enkel van buiten. De Chinese overheid zelf is net zo goed bezig met tijd kopen à la Streeck.

‘Iedere overwinning op de crisis werd vroeg of laat tot voorspel van een volgende crisis’, aldus Streeck. Dat lijkt ook het geval in China. Eerder deze zomer legde de overheid het speculeren met geleend geld aan banden. Even later ging ze dit juist weer stimuleren. In combinatie met de gewone Chinezen die, aangemoedigd door de staatsmedia, dit jaar voor het eerst in hun leven hun spaargeld in aandelen belegden, vormt dit een buitengewoon explosief mengsel. Om een harde knal te voorkomen, pompte China de afgelopen maanden via een ‘nationaal reddingsteam’ minstens 156 miljard dollar in de aandelenmarkt.

Financiële labiliteit, een wanhopig tijd kopende overheid, vergrijzing, misschien wel blijvend lage groei als in de eurozone of Japan: waar kennen we dat van? Inderdaad, voor het eerst in zijn geschiedenis dreigt China een normale, kapitalistische economie te worden.

Het regime in Beijing bereidt de bevolking voor op wat ze het ‘nieuwe normaal’ noemt. Onder die omstandigheden zal China minder onstuimig groeien. Maar, zo luidt de troostrijke gedachte, de Chinese economie wordt op de langere termijn wel stabieler en duurzamer. De exporteconomie met haar lage lonen maakt plaats voor een consumptiemaatschappij.

Minder blij zal het leiderschap zijn als het land ook al die andere westerse economische eigenschappen overneemt. De oplossing? Vanuit datzelfde, door crises geteisterde Westen klinkt de aloude roep om ‘markthervormingen’ – wat dat ook concreet mag betekenen. Dat China hier binnen de huidige verhoudingen naar luistert, lijkt onwaarschijnlijk. Ondanks alles blijft het zich op één vlak onderscheiden van Europa en Amerika: de regering is er wars van economische dogmatiek. Dat is waar het veelgeprezen ‘Chinese model’ op neerkomt. Daar hoort ook bij dat de overheid miljarden in infrastructurele projecten kan pompen, of naar hartenlust intervenieert in de financiële markten. Maatregelen die in het Westen de afgelopen jaren tot hevige ideologische verwarring en debatten leidden. In China niet.

‘Het maakt niet uit of een kat wit of zwart is, als hij maar muizen vangt’, luidde het motto van Deng Xiaoping al. Nu maar afwachten of dat pragmatisme ook voldoende is om de muizenplagen van een 21ste-eeuwse, ontwikkelde economie mee te bedwingen.


Beeld: Hongkong, kinderspeelgoed, Foto Martin Parr / Magnum / HH.