Van nieuw links naar nieuw rechts

De grote ruk

De conservatieve reactie op de progressieve erfenis van de jaren zestig liet in Nederland langer op zich wachten dan in Amerika en Groot-Brittannië. Frits Bolkestein en Pim Fortuyn doorbraken de surplace, hun opvolgers sprintten naar het rechts-populisme dat we nu beleven.

Medium anp 1006226
25 november 2001, Pim Fortuyn is gekozen tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland © ROBIN UTRECHT / ANP

De observatie dat zich rond de eeuwwisseling een belangrijke breuk heeft voorgedaan in de Nederlandse politieke cultuur wordt inmiddels tot de dooddoeners van het publieke debat gerekend. Nederland heeft een ruk naar rechts gemaakt. Een land dat een imago koesterde als baken van tolerantie en progressivisme nestelde zich in kort tijdsbestek in de Europese voorhoede van de politieke wederopleving van nationalisme en anti-immigratiesentiment. Sinds de Fortuyn-revolte zijn identiteit, immigratie en law and order de dominante thema’s van het publieke debat. Het vormde de aanvang van de Nederlandse culture wars, waarin conservatieven zich opwierpen als hoeders van een bedreigde Nederlandse identiteit en ten strijde trokken tegen progressieve ‘cultuurrelativisten’.

Tot nu toe zijn deze ontwikkelingen veelal beschreven onder de noemer van het populisme. Voor velen is het de sleutel die de snelle en ingrijpende politieke omslag in Nederland verklaart. Toch heeft die analyse zo zijn beperkingen. Terugkijkend op het decennium van de Fortuyn-revolte valt op hoe marginaal de presentie van het populisme was, juist in de tijd dat het vuur van de cultuurstrijd het felst ontbrandde. Pim Fortuyns lpfwon weliswaar 26 zetels in de kiezersrevolte van 2002, maar de partij implodeerde al weer het jaar daarop. Geert Wilders, die zijn pvv op succesvolle wijze positioneerde als erfgenaam van het fortuynisme, kon tot 2010 slechts rekenen op negen zetels. Hoe te verklaren dat een politieke stroming die nooit meer dan een zesde van het Nederlandse electoraat voor zich heeft weten te winnen in staat is geweest om zo’n bovenmaatse invloed uit te oefenen op het Nederlandse politieke klimaat?

Een bijkomend probleem van de alomtegenwoordige focus op het populisme is dat het de nadruk legt op stijl, techniek en retoriek en minder oog heeft voor politieke ideeën. Als gevolg daarvan is de Fortuyn-revolte in de publieke verbeelding vaak gereduceerd tot de dominantie van stijl boven inhoud. Wanneer ik op de spreekwoordelijke verjaardagsfeestjes vertelde dat ik de politieke ideeën achter de Fortuyn-revolte onderzocht, kreeg ik geamuseerde en sceptische reacties: ‘Zijn die er dan?’ Door deze blinde vlek voor de rol van ideeën zijn er vele verbaasde commentaren te lezen over de snelle verschuivingen in het Nederlandse opinieklimaat. ‘Het politieke debat is conservatiever geworden’, schreef de rechtsfilosoof en senator Willem Witteveen in 2005. ‘Soms lijkt het wel of het gehele politieke discours na de moord op Pim Fortuyn door een onzichtbare hand is opgetild en een paar meter naar rechts hardhandig weer neergezet.’

Sommigen hebben dit perspectief van een ideeënloze politieke revolte proberen te weerspreken, door te wijzen op de verhitte debatten over immigratie en nationale identiteit in de jaren negentig die de lange aanloop vormden naar de kiezersrevolte van 2002. Desalniettemin blijft het beeld beklijven dat Fortuyn als een deus ex machina op het podium van de Nederlandse politiek verscheen. Om daar vervolgens het nietsvermoedende politieke discours op te pakken en het op krachtige wijze naar rechts te werpen. Ik wil dat idée reçue weerleggen, door de intellectuele bronnen van de Fortuyn-revolte bloot te leggen, door licht te werpen op de vaak genegeerde revolte in de bovenkamer, in plaats van op de veelbesproken onderbuik.

Hoe kunnen we het gedachtegoed achter de Fortuyn-revolte het best in kaart brengen? Mijn these is dat politieke boegbeelden als Frits Bolkestein, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders enkel de meest zichtbare exponenten zijn van een bredere conservatieve en intellectuele stroming, die ik aanduid als nieuw rechts. Het succes van het rechts-populisme in Nederland kan niet los worden gezien van de bredere successen van deze eclectische coalitie van politici, journalisten en intellectuelen in het acceptabel maken van een reeks van eens marginale en inmiddels gangbare ideeën.

***

Ons verhaal begint in de jaren zestig, wanneer Nederland zich juist onderscheidt door de afwezigheid van een nieuw-rechtse tegenbeweging. In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië waren de jaren zestig en zeventig een tijd van hevige politieke polarisatie. Deze periode vormde de geboortegrond voor zowel de progressieve bewegingen die aangeduid werden als nieuw links, als hun conservatieve tegenpolen, nieuw rechts. Om de titel aan te halen van een van de vele studies over die tijd: de babyboomers golden als A Generation Divided. Zeker in de VS kwam de conservatieve tegenbeweging al vroeg op gang, toen Nixon in 1969 aan de macht kwam en vervolgens in 1972 een verpletterende zege boekte op McGovern, de kandidaat van Nieuw Links.

In zijn klassieker Fear and Loathing in Las Vegas deed ‘gonzo’-journalist Hunter S. Thompson op beroemde wijze verslag van dit keerpunt: ‘Het San Francisco van midden jaren zestig was een uitzonderlijke tijd en plek om deel van uit te maken… Er was een fantastisch en alomtegenwoordig gevoel dat alles wat we deden goed was, en dat we aan de winnende hand waren. Dit was, denk ik, de sleutel. Het gevoel van een onvermijdelijke overwinning op de krachten van het Oude en het Kwade… We hadden al het momentum, we reden op de top van een hoge en prachtige golf. En nu, minder dan vijf jaar later, als je op een steile heuvel in Las Vegas gaat staan en richting het westen kijkt, dan kun je met de juiste blik bijna de hoogwaterlijn zien. De plek waar de golf uiteindelijk brak en begon terug te rollen.’

In Nederland is het tijdsbeeld opvallend anders. De jaren zestig en zeventig hadden een bijna eenzijdig progressief karakter. Nederland veranderde in korte tijd van een behoudend, gezagsgetrouw en zeer christelijk land in een progressief, kritisch en seculier land. De snelheid, omvang en diepte van deze transformatie was naar internationale maatstaven ongekend. In een periode van slechts enkele jaren werd Nederland ontvankelijk voor progressieve politiek. Een hedonistische levenshouding deed opgang en kritiek op het beklemmende karakter van de christelijke moraal werd een nieuwe, gevestigde traditie. Ondertussen kwam er van een overtuigende conservatieve tegenbeweging maar weinig terecht. Niet voor niets beschrijft Hans Righart de periode als ‘de eindeloze jaren zestig’, met een levensspanne die voortduurt tot ten minste 1977. De progressieve golf ondervond weinig weerstand, en bleef maar doorrollen totdat haar momentum als vanzelf vervloog, totdat haar kwikzilveren geest volledig geabsorbeerd was in de Hollandse modder.

Het standaardverhaal over de jaren zestig identificeert de babyboomgeneratie als motor achter deze transformatie. De innovatieve bijdrage van de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy was dat hij de cruciale rol van Nederlandse elites uitlichtte. Kennedy schreef de uitzonderlijke omvang van de veranderingen toe aan een curieuze dialectiek tussen het romantische radicalisme van de jeugd en het ouderwetse wereldbeeld van de elites. ‘Met de actieve demonstranten aan de ene kant en accommoderende historisten aan de andere schoof de Nederlandse politieke cultuur tijdens de jaren zestig naar links’, zo stelde Kennedy. Het was niet het tomeloze activisme van de babyboomers dat Nederland uitzonderlijk maakte. Het was het denken en het handelen van Nederlandse elites, die ervoor kozen om mee te deinen op de progressieve golf.

In plaats van zich schrap te zetten door het mobiliseren van een gaullistische meerderheid of een variant van Nixons ‘silent majority’ kozen Nederlandse elites ervoor om de ontwikkelingen in goede banen te leiden. De protesten van onderop werden ‘verend opgevangen’. ‘Een reactionaire politiek en retoriek, waarbij krachten opgewekt kunnen worden voor handhaving van de status-quo of terugkeer tot een voormalige gouden eeuw, ontbrak onder deze elites’, concludeerde Kennedy.

Kennedy’s bekende interpretatie van de veranderingen in de jaren zestig biedt een verklaring voor het uitblijven van een conservatieve tegenbeweging in die tijd. Het geeft ook een mogelijke verklaring voor de snelle politieke omslag die plaatsvond in de jaren na de Fortuyn-revolte. In zijn latere bundel Bezielende verbanden verwonderde Kennedy zich over de opvallende gelijkenissen tussen de transformatie in de jaren zestig en die van de afgelopen twee decennia. Het was niet zozeer de inhoud als wel de eensluidendheid van deze twee paradigmaverschuivingen die hem het meest fascineerde. Het opzienbarende was dat de hele samenleving naar rechts bewoog, op gelijke wijze als waarop deze naar links had getrokken in de jaren zestig en zeventig.

De progressieve golf bleef maar doorrollen totdat haar kwikzilveren geest volledig geabsorbeerd was in de Hollandse modder

Ineens werden de jaren zestig en de babyboomgeneratie geassocieerd met vrijblijvendheid, relativisme, politieke correctheid en multiculturalisme, de allesoverheersende melodie waar alle actoren op het publieke toneel hun passen op moesten afstemmen. Net als in de jaren zestig kozen elites ervoor om de uitdagers van de macht te accommoderen, in plaats van de confrontatie aan te gaan. Zoals Hans Hillen van het cda liet weten kon de strategie van ‘verend opvangen’ uit de jaren zestig nu toegepast worden op het populisme. De slinger zwaaide naar rechts en de elites veerden mee.

Kennedy herleidde de collectieve wijze waarop deze verschuivingen in Nederland plaatsvinden tot de traditionele gehechtheid aan consensus. Misschien, zo suggereerde hij, zijn radicale en veelomvattende politieke verschuivingen wel het logische resultaat van een politieke cultuur waar het verlangen naar consensus het doorlopende debat in de weg staat. In een dergelijke context botsen visies niet met elkaar, maar volgen ze elkaar op. >

***

De conservatieve tegenbeweging die in de Anglo-Amerikaanse context al in de jaren zestig en zeventig opkwam, deed daardoor in Nederland pas in de jaren negentig van zich spreken. Frits Bolkestein, in 1990 verkozen tot leider van de vvd, publiceerde in datzelfde jaar zijn eerste boek, De engel en het beest. Daarin kondigde hij het begin aan van een langdurige ideeënstrijd om de progressieve pensée unique te bestrijden die de erfenis vormde van de jaren zestig. Het verbazingwekkende was niet zozeer ‘dat de gebeurtenissen van 1968 heftig waren en zich snel verbreidden’. Het was ‘veeleer dat onbesuisde waanideeën zo snel een neerslag in regeringsbeleid konden vinden’. Hij verweet het de Nederlandse elite, die zich ‘praktisch zonder slag of stoot overgaf’. In zijn ogen had de consensuscultuur in Nederland, en het gebrek aan Zivilcourage onder Nederlandse bestuurders om tegenwicht te bieden aan de protestgeneratie, de hybris van de jaren zestig verdiept. ‘De vloedgolf van Nieuw Links is over Nederland gespoeld en weer weggevloeid’, schreef Bolkestein. ‘Hier en daar heeft hij zijn residuen nagelaten: verroest blik, een besmeurd stuk hout.’ Het was tijd voor een conservatieve golf om de rommel op te ruimen.

In het begin van de jaren negentig was er sprake van een groeiende stroom van kritieken gericht tegen de idealen van de jaren zestig en de babyboomers, en een wijd verspreide nostalgie over de nationale identiteit, die als zoek werd beschouwd, of op z’n minst was verwaarloosd door langdurige progressieve veronachtzaming. Een reeks van teksten legde verslag van deze aanzwellende conservatieve onderstroom. In een essay getiteld Het conservatieve offensief observeerde journalist Marcel ten Hooven dat ‘de ongebreidelde tolerantie van de permissive society een conservatief temperament heeft losgemaakt’. Hij besprak publicaties van het cda en de vvd en citeerde een pleidooi van vvd’er Gerry van der List voor een Conservatief Akkoord tussen beide partijen. Het zou gaan om het ‘herstel van burgermansfatsoen’ en een gedeelde strijd ‘tegen de erfenis van de jaren zestig’.

H.J. Schoo, toenmalig hoofdredacteur van Elsevier, stelde in 1995 dat het debat over nationale identiteit in Nederland feitelijk draaide om de behoefte aan politiek conservatisme. Hij voorspelde dat de grote partijen, met uitzondering van d66, binnenkort gewonnen zouden worden voor het conservatisme. In zijn boek De conservatieve golf (1996) kondigde de conservatieve sociaal-democraat Hans Wansink met veel enthousiasme de opkomst aan van een nieuw conservatisme in Nederland, geïnspireerd door Margaret Thatcher, Ronald Reagan, John Gray en Francis Fukuyama. ‘Conservatieve denkers en politici ontpoppen zich als de maatschappijcritici van de jaren negentig’, zo observeerde hij. ‘Linkse illusies worden aan de kaak gesteld, ouderwetse deugden en traditionele verbanden nieuw leven ingeblazen.’

Vergelijkbare observaties kwamen van de voormalige protestgeneratie. In een manifest ter verdediging van de jaren zeventig noteerden Jos van der Lans en Antoine Verbij tot hun verbazing dat een nieuwe maatschappijkritiek opkwam in de jaren negentig, ‘gedragen door wat hoe langer hoe meer op een rechtse, conservatieve consensus begint te lijken’. ‘De doorgeschoten tolerantie, de sociale onverschilligheid, de teloorgang van het burgerlijke fatsoen, de verruwing van de samenleving, de erosie van normen en waarden, de minachting voor autoriteiten – alle morele zwakten van de huidige samenleving zouden hun wortels hebben in de jaren zeventig.’

De boegbeelden van de conservatieve onderstroom, in het bijzonder Frits Bolkestein, Herman Vuijsje, H.J. Schoo en Pim Fortuyn, gingen op zoek naar de oorzaken van het uitblijven van conservatief verzet tegen de progressieve golf. Zij richtten het vizier op de consensuspolitiek, door hen geportretteerd als voornaamste reden voor het wegkijken van sociale problematiek. We leven in een ‘consensusmaatschappij’, schreef Bolkestein in 1990. ‘Hier worden geen knopen doorgehakt, hier wordt naar accommodatie gestreefd.’ Niet veel later kwam het openingssalvo van Pim Fortuyns carrière als rechtse opiniemaker, in de vorm van zijn inaugurele rede van 1991, een polemisch pleidooi om ‘de heerlijke warme consensusdeken van ons Nederlandse bedje te halen’. De consensusmaatschappij had gefaald door het belonen van conformisme en het ontmoedigen van het tegendraadse. Fortuyn riep om een ‘eigen IJzeren Dame’, een Nederlandse Margaret Thatcher.

De krachtigste conservatieve aanval op de consensuspolitiek arriveerde in de vorm van de bestseller Correct, geschreven door de conservatieve sociaal-democraat Herman Vuijsje. Zijn analyse van de politieke correctheid van de babyboomgeneratie ontwikkelde zich in rap tempo tot een centraal referentiepunt voor de komende conservatieve aanval op de instituties. Vuijsje’s analyse bevatte bestaande nieuw rechtse kritieken op de permissive society van de jaren zestig, de opkomst van een hoogopgeleide ‘linkse elite’ die de instituties zou domineren, en de ‘crisis of authority’ die in de decennia daarvoor door conservatieven in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk waren verwoord.

Vuijsje verweet de babyboomers dat zij de dominante consensuscultuur van de verzuiling nooit hadden doorbroken. De leden van de protestgeneratie deden zich voor als eigengereide individualisten die gebroken hadden met de taboes en het conformisme van hun ouders. Maar zij hadden simpelweg een nieuwe serie van totems en taboes geïnstalleerd, op terreinen als etniciteit, overheidsdwang en privacy.

Het consensuele conformisme in Nederland had de noodzakelijke conservatieve tegenreactie op de jaren zestig vertraagd: ‘In de jaren zeventig en tachtig leek de situatie in weldenkend Nederland op een surplace in een wielerwedstrijd, waarbij de renners bewegingsloos op de baan staan, balancerend en elkaar beloerend. Niemand durft als eerste in beweging te komen, maar zodra er een rijdt, moet iedereen mee. Pas in de jaren negentig was het zo ver. Een plotselinge en wilde sprint brak los, waarbij al gauw de onaantastbaarheid van alle nieuwe geboden werd doorbroken.’ Het eerste exemplaar van zijn boek gaf hij aan Bolkestein.

***

Fortuyn en Wilders zijn vaak beschreven als politieke ondernemers en innovators die voor het eerst lang genegeerde sentimenten onder de bevolking bespreekbaar wisten te maken. Zij vormden echter onderdeel van een grotere conservatieve golf, met een veel bredere politieke signatuur dan wat normaliter tot het politieke populisme wordt gerekend. Deze conservatieve tegenbeweging vond veel weerklank in de rechtervleugels van de traditionele middenpartijen, vvd, cda en pvda, voordat er überhaupt van populisme sprake was in Nederland.

Nieuw rechtse intellectuelen omarmden de Verlichting en progressieve waarden als individualisme, secularisme en vrouwen- en homorechten

Het gedachtegoed van deze bredere conservatieve golf kunnen we aanduiden als nieuw rechts. Zoals gesteld kwam deze term in omloop in de VS en het VK om de conservatieve bewegingen aan te duiden die tegelijkertijd opkwamen met nieuw links in de jaren zestig en zeventig. Reagan en Thatcher worden wel gezien als het hoogtepunt van nieuw rechts. Het ‘nieuwe’ aan nieuw rechts is enerzijds de combinatie van vrijemarktpolitiek met cultuurconservatisme. De ideologie van nieuw rechts wordt door onderzoekers beschreven als een complexe en vaak tegenstrijdige fusie van neoliberale en (neo)conservatieve ideeën.

Anderzijds betekende nieuw rechts een breuk met de gematigde naoorlogse consensus, een tijd waarin liberale en conservatieve partijen meewerkten aan de uitbouw van de verzorgingsstaat. Nieuw rechts is radicaler van karakter. De ambitie was om het oude sociale contract te verbreken en te vervangen. De ‘backlash-politiek’ van nieuw rechts keerde zich tegen bestaande elites en instituties, die in haar ogen aangetast waren door de jaren zestig. Het doel was om de vrije markt en moreel gezag nieuw leven in te blazen. Om dit ambitieuze project te volbrengen omarmde nieuw rechts de maakbaarheidsgedachte. En zij zag de ideeënstrijd als cruciaal in het verwezenlijken van politieke verandering.

Medium anp 919629
In een Aalsmeerse tv-studio gaat Frits Bolkestein zijn overwinningsspeech houden, 1994 © Cor Mulder / ANP

De draai naar rechts in de Nederlandse politiek in de jaren rond de Fortuyn-revolte, zo luidt mijn stelling, is langs soortgelijke lijnen te begrijpen, als een verlate pendant van de conservatieve backlash die zich in de Anglo-Amerikaanse context al eerder ontspon. Mijn these is dat de nieuw rechtse fusie van vrijemarktdenken en cultureel conservatisme – in combinatie met oppositie tegen de jaren zestig en kritiek op politieke gematigdheid – een bruikbaar raamwerk vormt om de politiek te duiden van figuren als Frits Bolkestein, Pim Fortuyn, Bart Jan Spruyt, Paul Cliteur, Hendrik Jan Schoo, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders. Het zijn personen die stuk voor stuk sterk geïnspireerd zijn door Anglo-Amerikaans nieuw rechts, door denkers als Daniel Bell, Leo Strauss, Friedrich Hayek, Milton Friedman, Francis Fukuyama, Samuel Huntington en Irving Kristol.

***

Tegelijkertijd is het Nederlandse nieuw rechts niet een eenvoudige kopie van zijn Anglo-Amerikaanse tegenhangers. De progressieve golf in de jaren zestig en zeventig had in Nederland een uitzonderlijk grote impact en ondervond lange tijd bijzonder weinig weerstand. Toen nieuw rechts in de jaren negentig opkwam, werd het geconfronteerd met een overweldigende progressieve consensus op het gebied van de zogenaamde social issues die de inzet van de strijd waren in de Amerikaanse culture wars: seksuele moraliteit, abortus, euthanasie, drugs. Deze thema’s stonden in Nederland niet meer ter discussie.

Cruciaal hier is het contradictoire karakter van het conservatisme van het Anglo-Amerikaanse nieuw rechts. Het kwam op als een backlashbeweging, een anti-establishmentstroming die zich richtte tegen bestaande elites en instituties. Conservatisme wordt natuurlijk vaak begrepen als een ideologie gericht op de verdediging van bestaande instituties en elites ten opzichte van pogingen om de status-quo radicaal te veranderen. Als progressieve elites de instituties echter hebben overgenomen, dan hebben conservatieven weinig keuze. Ze zien zich gedwongen om een anti-establishmentpositie in te nemen, en te proberen om het volk daarin mee te krijgen.

De politicoloog Seymour Martin Lipset muntte de term backlash politics om het contradictoire karakter van een dergelijke conservatieve anti-establishmentpolitiek te omschrijven. Met het begrip refereerde Lipset aan de paradoxale realiteit van ‘rechtse groepen die zich genoodzaakt zien om een appèl te doen op de bevolking aan de hand van waarden die zelf een voorname bron van conservatief ongenoegen zijn: anti-elitisme, individualisme en egalitarisme’. De reden was simpel: dit waren de ‘ultieme Amerikaanse politieke waarden’ die geen beweging kon negeren. ‘Het aanhangen van deze waarden is de Amerikaanse ideologie’, zo stelde Lipset vast.

Een dergelijke contradictoire logica lijkt des te meer van toepassing op de Nederlandse casus. De nieuw rechtse backlash in Nederland zag zich genoodzaakt om haar politiek in te kaderen in de ‘ultieme Nederlandse politieke waarden’. De diepte en lengte van de progressieve golf van de jaren zestig in Nederland betekende dat progressieve seksuele en seculiere moraliteit zich had ontwikkeld tot ‘de Nederlandse ideologie’. De conservatieve tegenbeweging in Nederland moest door haar late opkomst in veel grotere mate het progressieve seksuele, antiautoritaire en seculiere ethos incorporeren dat de erfenis vormde van de jaren zestig en zeventig. Anders plaatste zij zichzelf buiten de werkelijkheid. In de voetsporen van Fortuyn omarmden nieuw rechtse intellectuelen de Verlichting en progressieve waarden als individualisme, secularisme en vrouwen- en homorechten. Zij presenteerden zich als de ware verdedigers van progressieve verworvenheden tegenover wat zij zagen als de dreigende aanwezigheid van moslimimmigranten.

De socioloog Paul Schnabel noemde dit ‘modern conservatisme’: ‘Wilders wil maatschappelijke verworvenheden vasthouden, daarvoor is te weinig aandacht. Hij wil niet terug naar de tijd waarin homo’s en vrouwen werden achtergesteld. Hij wil niet het herstel van oude waarden, hij wil het behoud van nieuwe waarden.’ De essayist Ian Buruma schreef uitvoerig over deze contradictoire conservatieve politiek in zijn gevierde boek over de moord op Theo van Gogh: ‘Omdat het secularisme te ver is doorgedrongen om de autoriteit van de kerken terug te brengen, hebben conservatieven en neoconservatieven zich verbonden aan de Verlichting als symbool van onze nationale en culturele identiteit. De Verlichting, in andere woorden, is de naam geworden van een nieuwe conservatieve orde, en haar vijanden zijn de buitenlanders, wier waarden we niet kunnen delen.’

Enerzijds heeft deze conservatieve omarming van progressieve waarden een instrumenteel karakter. De conservatieve interesse in feminisme en homorechten staat grotendeels ten dienste van de afkeer van de islam, en lijkt los daarvan soms weinig om het lijf te hebben. Velen hebben erop gewezen dat vrouwen- en homorechten gebruikt worden als instrument van een nationalistische en anti-moslimpolitiek, een ontwikkeling die onderzoekers hebben beschreven aan de hand van termen als ‘seksueel nationalisme’, ‘homonationalisme’ en ‘femonationalisme’.

Anderzijds is deze paradoxale positie te herleiden tot een empirische werkelijkheid aan de basis: de seksuele revolutie in Nederland had geleid tot een breed gedeelde progressieve seksuele moraliteit die niet langer door een conservatieve tegenbeweging ongedaan gemaakt kon worden. Pim Fortuyn, zelf een openlijk homoseksuele babyboomer en een kind van de jaren zestig, beschreef deze erfenis als een onbetwistbaar ‘cultureel sediment’ en raadde Nederlandse conservatieven af om te pogen dat weer ongedaan te maken.

Nieuw rechts in Nederland is een paradoxale conservatieve tegenbeweging die op een selecte reeks thema’s de verworvenheden van de jaren zestig omarmt, en tegelijkertijd de progressieve erfenis van de jaren zestig fel bestrijdt op een bredere reeks van terreinen, zoals veiligheid, immigratie, milieubeleid, internationalisme, cultuurbeleid, economisch beleid, de arbeidsethiek en ontwikkelingshulp.

Net als bij conservatieve tegenbewegingen aan de andere kant van de oceaan heeft de ideeënstrijd daarbij centraal gestaan. Bolkestein refereerde veelvuldig aan zijn langetermijnstrategie van een ‘choc des opinions’ om het Nederlandse opinieklimaat naar rechts te trekken. Een vorm van politiek bedrijven die de ‘tovenaarsleerling’ Geert Wilders dankbaar van hem zou overnemen. In de biografie van Bolkestein uit het einde van de jaren negentig beschreef Max van Weezel hem op toepasselijke wijze als ‘de eerste gramsciaanse denker in de Nederlandse politieke geschiedenis’, meer geïnteresseerd in het bestrijden van de intellectuele hegemonie van links dan in het getouwtrek om posities in Den Haag. Bijna twintig jaar later kunnen we vaststellen dat het niet onverdienstelijk is geweest.


Dit is een vertaald en ingekort segment uit het inleidende hoofdstuk van het proefschrift The Conservative Embrace of Progressive Values: On the Intellectual Origins of the Swing to the Right in Dutch Politics, dat Merijn Oudenampsen op 12 januari verdedigt in de aula van de Universiteit van Tilburg