Hart van Brabant #6: Een flat in Tilburg-Noord (slot)

De grote stedelijke armoedeparadox

Corona en Q-koorts, criminele bendes, megastallen en het FvD in het provinciebestuur: Brabant staat volop in de schijnwerpers. Deze zomer verkent Ralf Bodelier zijn provincie te voet. In deel 6: in succesvolle steden wonen veel arme migranten.

En zo wandelde ik weer terug naar de stad. Naar Tilburg, waar deze serie vijf weken geleden begon. Het is een tocht van achttien kilometer vanaf Spoordonk, rustiek boerendorp in de Kempen, naar de Sibeliusflat in Tilburg-Noord, stedelijk epicentrum van armoede en etnische verscheidenheid.

In die Sibeliusflat woont Aklilo, 25 jaar jong en vluchteling uit Eritrea. Aklilo deelt hier een appartement met drie andere vluchtelingen, uit respectievelijk Sierra Leone, Syrië en Afghanistan. Ik wil schrijven over zijn dromen en zijn geluk. En over de voordelen die juist een stad als Tilburg biedt aan jonge en berooide migranten. Aklilo’s echte naam mag ik niet gebruiken, want ook in Nederland is hij niet veilig voor de lange arm van de Eritrese geheime dienst.

Nog maar acht jaar geleden trok Aklilo met zijn schapen door de heuvels van de Noord-Afrikaanse dictatuur. Maandenlang was hij met zijn kudde onderweg, slapend in de open lucht en etend van wat het land hem schonk. Nu fietst hij dagelijks naar zijn werk als inpakker in Tilburg-Zuid. Omdat Aklilo inmiddels Nederlands staatsburger is, kocht hij onlangs een vliegticket en vloog hij terug naar Afrika. Aan de noordgrens van Ethiopië ontmoette Aklilo zijn familie. Moeder, broers en zussen, neven, nichten en een grootmoeder waren ’s nachts over de grens komen lopen. Een volle maand bleven ze samen, in een gehuurd appartement in een Ethiopische grensstad. Toen vond Aklilo het welletjes, kwam terug naar Nederland en noemt Tilburg-Noord het paradijs op aarde.

Wandelen van Spoordonk naar Tilburg-Noord is vooraleerst wandelen door het dal van het riviertje de Beerze, gevolgd door de Oisterwijkse bossen, groen, lommerrijk en verrassend koel. De zon brandt wanneer ik door Oisterwijk en Berkel-Enschot trek, om bij het vallen van de avond de rafelrand van Tilburg-Noord te bereiken. In de verte, uittorenend boven het opschietende mais, zie ik de Sibeliusflat al liggen. Hoogspanningsmasten voorzien de stad van stroom, een paar koeien drommen samen bij een waterbak. Midden in een wildernis van distels ligt een forse plantenkas waar al jarenlang niemand meer naar omkijkt. De achtergelaten planten zijn hoog opgeschoten en drukken tegen de laatste ramen. De distels weerhouden me ervan een kijkje te gaan nemen. Daar, achter het kapotte, vuile glas, vermoed ik een Tarkovski-achtige zone met een woekerende jungle en harige dwergen.

In Tilburg-Noord zijn de straten breed en de bomen hoog. Er zijn parken en basketbalvelden. In de avondzon wandelen Somalische vrouwen en Turkse echtparen. Voor de Sibeliusflat staat een zee van fietsen en ligt een grasveld met doelpalen. Alsof ze nog nooit van Black Lives Matter hebben gehoord, zo vrolijk voetballen kinderen van kleur samen met kinderen zonder kleur.

De verschillen tussen Spoordonk en Tilburg-Noord kunnen dan ook amper groter zijn. In Spoordonk zie je maar weinig mensen van kleur. Rond de Sibeliusflat lopen maar weinig mensen zonder kleur, zoals ik dat nu dan maar noem. In Spoordonk lijkt iedereen iedereen te kennen, inclusief overgrootouders en verre neven. De Sibeliusflat is een bijenkorf van migranten uit Afrika en het Midden-Oosten.

In Spoordonk is het gemiddelde bruto jaarinkomen 24 duizend euro. In de buurt rond de Sibeliusflat moeten de inwoners het doen met veertienduizend euro. En terwijl in Spoordonk iedereen in huizen woont met tuinen bestaat de Sibeliusflat uit 144 etagewoningen, verdeeld over twaalf verdiepingen. In een zo’n woning huurt Aklilo dus een kamer van drie bij vier meter. Ja, de Sibeliusflat is een vorm van intensieve menshouderij. Toch is Aklilo er gelukkig. Op zijn kamer serveert hij injera’s met lamsvlees, tomaat en ui. Samen plukken we de grauwe pannenkoek van hetzelfde bord, zoals we dat ook zouden doen in de Hoorn van Afrika.

Zo meteen pik ik het verhaal van Aklilo weer op. Maar nu kan ik het niet laten om eerst naar deze intensieve menshouderij te kijken, zoals ik afgelopen week keek naar de intensieve kippenhouderij. Daarbij laat ik me inspireren door Peter van Agt, de kippenboer uit Spoordonk over wie ik in dat vorige blog schreef. Van Agt rekende uit waarom de intensieve kippenhouderij een heel stuk beter uitpakt voor het milieu dan de groene variant. Omgerekend per ei gebruiken kippen in legbatterijen de minste ruimte en de minste voedingsmiddelen. Bovendien produceren ze de minste stank, de minste fijn- en stikstof en weten ze hun mest het meest efficiënt te verwerken. Voor de kippen, zo gaf Van Agt grif toe, is een scharrelend bestaan heel wat aangenamer. Maar willen we een biodiverse natuur, dan zijn we meer gebaat bij intensief boeren.

Feitelijk is dat hier, in de Sibeliusflat, niet veel anders. Nergens leef je milieuvriendelijker dan in deze verzameling woonbatterijen. Deze gedachte wringt met ons groene denken. Want milieuvriendelijk leven, dat doe je toch op het platteland, in en met de natuur? In dorpen als Spoordonk? Dat valt dus tegen. Leven op het platteland is verre van groen. Plattelanders rijden veel meer auto dan stedelingen, ze wonen immers op ruime afstand van winkels en scholen. Wil je naar de film, het theater of een avondje naar de kroeg, dan stap je in de auto, terwijl de stedeling loopt, fietst of de stadsbus pakt. Wie op het land woont gebruikt ook veel meer energie, want veel huizen zijn vrijstaand en verliezen aan vijf kanten warmte. Juist in hoogbouw leven we energiezuinig, want hier zijn de woningen compact en ingepakt door andere woningen. Bovendien nemen plattelandswoningen, met hun grote terrassen en gazons, veel meer ruimte in beslag dan stadswoningen of gestapelde appartementen. Wie meer ruimte wil voor natuur, woont dan ook in de betonnen jungle en liefst in een appartement, zoals Aklilo in de Sibeliusflat. Of in de nabijgelegen en nog omvangrijkere Mozartflat, Hoffmannflat en Bachflat.

Wanneer ik deze overweging aan Aklilo voorleg, staat hij versteld. Zo heeft hij nog nooit over zijn woning nagedacht. Überhaupt is milieu geen thema dat hem bezighoudt. Ook na zeven jaar Nederland draait het nog om basale kwesties als inkomsten, de waanzinnige Nederlandse bureaucratie en de zorg voor hen die achterbleven in Eritrea. Waar hij wel een antwoord op heeft, is op de vraag waarom hij na de lange mars door aanmeld- en asielzoekerscentra uiteindelijk voor Tilburg koos. Had hij niet liever in een dorp als Spoordonk gewoond? Rustig in het groen, net als toen, in Eritrea?

Nou nee dus. Spoordonk heeft geen station en Aklilo heeft geen rijbewijs, laat staan een auto. In Spoordonk heeft acht procent van de bevolking een migratieachtergrond, in de wijk van de Sibeliusflat is dat 46 procent. In Tilburg wonen honderden Eritreeërs, sommigen komen zelfs uit Aklilo’s Eritrese dorp. In Tilburg kon hij meteen aanschuiven bij Nederlandse les. Ook was er een bijzonder betrokken ambtenaar die hem aan zijn eerste baan hielp bij de groenvoorziening. Vier keer per week dompelt Aklilo zich onder in de Eritrese kerk, die samenkomt in de katholieke kerk op de Heuvel, in het centrum van Tilburg. In een grote stad ligt er, kortom, een infrastructuur waar nieuwkomers, zelfs uit exotische landen als Eritrea, al snel een plaats vinden.

Jaarlijks groeit de bevolking in Aklilo’s wijk met zes procent en nog steeds komt de aanwas uit het armste deel van de wereld. Wie van buitenaf naar de arme migrantenwijk kijkt, zal dan ook al snel geneigd zijn om haar als louter problematisch te zien. Een meer dan gemiddelde werkloosheid, te weinig geld en een in de ogen van sommigen te trage integratie. De afgelopen jaren leerde Aklilo mij echter door zíjn ogen naar Tilburg-Noord te kijken. En nu zie ik een wijk die erg goed is in wat zij doet: het huisvesten en op weg helpen van arme nieuwkomers.

De Somaliërs en Eritreeërs, de Syriërs en Afghanen die naar Tilburg-Noord verhuizen zijn geen gedachteloze idioten die bij toeval in de Sibeliusflat belanden. Migranten maken een welbewuste keuze voor een stad, een wijk en een woning die hen het meest te bieden heeft. Tilburg-Noord is dan ook niet arm omdat de wijk mensen arm maakt. Tilburg-Noord is arm omdat ze arme mensen aantrekt die ervan overtuigd zijn dat ze juist hier aan de armoede kunnen ontsnappen. Doorgaans zie je aan een stad, dorp of wijk al in een oogopslag waar ze goed in is. Spoordonk zit tjokvol kippen- en varkensboeren, want Spoordonk is ideaal om kippen en varkens te houden. Het centrum van Tilburg wemelt van de kroegen, want nergens in de stad is het beter om een kroeg uit te baten. In een rijke wijk als de Tilburgse Blaak wonen vooral ondernemers, want het is een prima wijk om andere ondernemers te ontmoeten. En in Tilburg-Noord zitten veel arme migranten omdat het de beste plaats is om een arme migrant te zijn.

Het is de ‘grote stedelijke armoedeparadox’, een term die ik leen van de Amerikaanse stadssocioloog Edward Glaeser. Een stad die arme mensen de kans biedt op een beter leven zal per definitie nog méér arme mensen aantrekken. Een stad of wijk die zich inzet voor goed onderwijs, voor betaalbare huisvesting, een fijn vertakt openbaar vervoerssysteem, een fatsoenlijk georganiseerd welzijnswerk en, vooral, veel werkgelegenheid voor migranten – zo’n stad zal een migrantenstad worden. Aklilo heeft dan ook volop redenen om zich in Tilburg-Noord thuis te voelen. Niet in het wrede Eritrea en al evenmin in het rustieke Spoordonk ligt zijn toekomst. Die ligt voor hem en voor zestigduizend andere migranten in deze grote Brabantse stad. En ik, veertig jaar inwoner van Tilburg, vind dat we daar trots op mogen zijn.

Vanzelfsprekend is nog lang niet alles over Aklilo en Tilburg verteld. Jaren geleden schreef ik voor een landelijk ochtendblad al een stukje over hem. Aklilo was toen nog een stuk jonger en hing rond bij het Centraal Station. Toen viel me iets op waarin alleen een grotere stad kan voorzien en waarover ik nooit eerder had nagedacht. Ik neem het stukje hier integraal op, en excuseer me voor dit zelfplagiaat.

‘De Eritrese jongens zitten op een muurtje pal achter Tilburg Centraal en staan bij de trappen aan de voorkant. Ze staren naar voorbijgangers. Niet alleen hun huid is zwart, hun jasjes en broeken zijn dat ook. Hun haren staan recht omhoog. Wanneer het donker wordt, schitteren hun ogen. De jongens maken geen herrie, veroorzaken geen rommel en vallen niemand lastig. Sommige treinreizigers vinden hun stille aanwezigheid een beetje griezelig. Waarom de Eritreeërs juist hier staan, is niet duidelijk. Hebben ze geen andere plaats om naar toe te gaan?

'Die plek hebben ze. Niet ver van het station, in een oud kantoorgebouw. Op de eerste verdieping staat een poolbiljart en een jonge man bakt injera’s, zure pannenkoeken. Op een scherm draaien video’s met Eritrese muziek. En ik zit met zes Eritrese jongens te eten, uitgenodigd door Aklilo, die ik bij tijd en wijle een handje help met inburgeren. Gemakkelijk gaat dat inburgeren niet. Eritreeërs, de op een na grootste groep vluchtelingen in Nederland, lijken van een andere planeet. Hun taal, het Tigrinya, is raadselachtig. Hun opleiding is laag, de leeftijd jong en de ervaringen die ze meedragen traumatisch. In gruwelijkheid doet het Eritrese regime niet onder voor dat in Noord-Korea. De jongens aan tafel hebben allen een wrede tocht door de woestijn en de Middellandse zee achter de rug. Liever praten ze over voetbal.

'Ik vraag waarom ze toch zo vaak bij het station zitten. “Zomaar”, zegt Aklilo. “Om niet thuis te zijn”, zegt een andere jongen. “Thuis zit je alleen maar te denken”, mompelt een derde. “Waar denk je dan aan?” vraag ik. “Aan mijn moeder”, zegt Aklilo. “Wil je haar zien?” Hij tikt op het scherm van zijn smartphone. Een vrouw met strak achterover gekamd haar verschijnt. “En dit is mijn moeder”, zegt de jongen naast mij. “Deze is van mij.” Zes telefoons liggen nu voor me, de foto’s van de moeders staan op ieders startscherm. En plots zie ik wat ik eerder niet zag. Die mysterieus starende en hangende Eritrese jongens, het zijn kinderen die hun moeders missen. En op Tilburg Centraal, in het hartje van de stad, zoeken ze de warmte van mensen.’