Paul Verhaeghe en Ronald Commers over Eros

De grote teleurstelling

Onze seksualiteit is problematisch, vinden psychoanalyticus Paul Verhaeghe en ethicus Ronald Commers. Kunnen hun verschillende disciplines elkaar op dit vlak vinden?

Ronald Commers, De val van Eros. Uitg. Houtekiet, 254 blz., ƒ44,90;

Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid. Uitg. Acco, 207 blz., ƒ43,50.


SEKS — Oscar Wilde noemde het na de Niagara Falls de tweede grootste teleurstelling van de kersverse bruid en wie ooit een film van Woody Allen heeft gezien, weet dat de vanzelfsprekendheid waarmee een kater een kat bestijgt bij de mens veelal afwezig is. Zeker vandaag, zo beweren sommigen, is onze seksualiteit problematisch.


Onder hen psychoanalyticus Paul Verhaeghe en ethicus Ronald Commers. In Liefde in tijden van eenzaamheid beweert de eerste dat het wegvallen van de traditionele rolpatronen de relatie tussen man en vrouw danig verzuurd heeft. De vrouw is bijvoorbeeld niet langer het afwachtende schepsel, maar neemt steeds vaker zelf initiatief. Waarop heel wat mannen steigeren en met wijd opengesperde neusvleugels op de vlucht slaan.


De val van Eros, het nieuwste boek van Ronald Commers, gooit het over een andere boeg. Door socio-economische veranderingen zijn we in een maatschappij van nog enkel individuen terechtgekomen, zo betoogt hij. Presteren is het codewoord en dat merken we ook op seksueel vlak. We willen steeds verder gaan, steeds extremere seks beleven en uiteindelijk blijven we ontevreden achter.


Kunnen psychoanalyse en ethiek elkaar op dit vlak vinden, zo vroegen we ons af. En dus trokken we naar het Gentse restaurant Stendhal, gelegen midden in de hoerenbuurt. Het is de plaats waar klanten vooraf of nadien een hapje eten en waar je in de vroege uurtjes prostituees over hun huishouden hoort vertellen. Nogal dubbelzinnig staat het kitscherig aangeklede restaurant bekend om de kwaliteit van zijn vlees. En inderdaad, de steak was heet en de frieten krokant, de wijn van een goed jaar en uit de luidsprekers klonk The Blood Hound Gang: ‘You and me, baby, ain’t nothing but mammals, so let’s do it like they do on the Discovery Channel.’



HOEZO, ER IS IETS mis met onze seksualiteit?


Commers: ‘Na drie seksuele revoluties zitten we met een aantal zaken die men bezwaarlijk positief kan noemen voor de uitbouw van de menselijke persoonlijkheid en voor relaties tussen mensen. Ik baseer me daarbij vooral op fenomenen die zich in de marge van de massaconsumptie voordoen, in de film en de media bijvoorbeeld, of op internet, waar je praktisch struikelt over de sekssites. Er is een aantal taboes weggevallen, maar wat D.H. Lawrence zestig jaar geleden al waarnam, dat sex en lovelyness uit elkaar aan het groeien waren, is er alleen maar op verslechterd. Seks is immers meer dan de daad, het is ook hoe men zijn lichaam gaat beleven. Wanneer je alleen nog maar genot kunt voelen met tepelklemmen lijkt er toch iets mis te zijn. Misschien wijst dit erop dat een bepaalde, subtielere gevoeligheid er niet meer is.’


Verhaeghe: ‘Tussen mens en seksualiteit is iets fundamenteel mis. De relatie verloopt niet vloeiend en dat komt door een specifieke vertoogvorm, de culturele inkleding van de seksualiteit. Zo zie je dat we de voorbije decennia zeker geen bevrijding meegemaakt hebben. Vandaag lijkt het alsof we alles kunnen, maar ons genot blijkt zich terug te trekken. Vandaar de excessen met tepelklemmen en dergelijke.’


Commers: ‘We ontkomen natuurlijk nooit aan het gesproken woord over seksualiteit en liefde. Dat is ook in een individuele relatie zo. Men vertelt een verhaal aan zichzelf over wat een relatie nu precies zou kunnen zijn en hoe lichamelijkheid en gevoeligheid daarin hun plaats hebben. Men kan niet buiten deze geverbaliseerde fantasmen. Maar deze verhalen worden door de media gemanipuleerd, zodat tepelklemmen bijna iets noodzakelijks geworden zijn binnen ieders verhaal.’


Verhaeghe: ‘Je kunt het verschil maken tussen het huidige vertoog en dat van een paar decennia geleden. Nu is alles koopbaar geworden. Als je geld hebt, kun je zogezegd het volmaakte genot bereiken. De vroegere verhandeling had veeleer te maken met een soort zelfrealisatie door de relatie heen. Als nadeel had dit dat het soms tot zelfverloochening kon leiden.’ Met op de achtergrond Edith Piafs ‘Non, rien de rien, non, je ne regrette rien’ besluit Verhaeghe: ‘Maar toch vond ik dit persoonlijk beter dan het huidige commerciële verhaal.’


Commers: ‘In 1914 voorspelde Nikolai Boekharin al de seksuele malaise waar we nu mee geconfronteerd worden: de mens die als wrakhout ronddrijft op datgene wat maatschappelijk georkestreerd wordt. Dat is een aspect van de verzakelijking van onze seksualiteit, gecombineerd met het hedendaagse idee dat seksualiteit fataal is, zoals we dat in Coetzees In ongenade kunnen lezen: het gedreven worden zonder dat men nog controle heeft. Daarom kies ook ik voor het vroegere vertoog. Iemand als Michel Houellebecq is in dit verband het mooiste voorbeeld. Volgens hem valt er niet aan de seksuele fataliteit te ontkomen.’


Verhaeghe: ‘Maar die verzakelijking werkt ook onrechtstreeks. Het is niet zo dat geliefden geen tijd meer hebben voor elkaar omdat ze constant moeten werken. Het aantal mensen dat effectief werkt in onze maatschappij is ontstellend gering. Een vrij grote groep mensen heeft dus in feite een zee van tijd, maar ook die ontsnappen niet aan de verzakelijking die in onze taal ingebakken lijkt. Bij Houellebecq krijgen we de terugkeer van het biologisch determinisme in de vorm van een genetisch determinisme. Wij zijn een onvolmaakt product dat ooit aangepast was aan een bepaald milieu, maar dat milieu is veranderd en daardoor ontstaan er problemen. Straks komt er een dag dat we weer aangepast zullen zijn via genetic engineering; intussen moeten wij ons plan maar trekken. Dat vind ik een gevaarlijke gedachtegang omdat hij slechts één boodschap uitdraagt: je kunt er niets aan doen, het zit in de genen.’



EEN MOGELIJK twistpunt tussen de marxistisch geïnspireerde Commers en de op Jacques Lacan leunende Verhaeghe zou hun mensbeeld kunnen zijn. Volgens de eerste zijn er geen essentiële kenmerken waaraan een mens voldoet. De menselijke natuur is bij wijze van spreken een leeg vat dat door de cultuur ingevuld wordt, en als individu heb je daar macht over. Het traditionele psychoanalytische mensbeeld daarentegen, met zijn onderbewuste driften, lijkt op het eerste gezicht een veel minder maakbare mens voor te staan.


Verhaeghe: ‘Ja en nee. Wanneer we het vandaag over de seksuele essentie van de mens hebben, maken we een opdeling tussen seks en gender. Het is de vertoogvorm die de seksuele identiteit bepaalt, waarbij seks de biologische en gender de psychologische veruitwendiging is. Binnen het feminisme is de oorspronkelijke oppositie tussen deze twee ontwikkeld om afstand te nemen van het biologische, maar onrechtstreeks hebben ze dit ook weer geïntroduceerd via de gendertheorie. Zo hebben we nu een specifieke gay culture en een lesbo culture. Die vorm van essentialisme neemt aan dat er een soort onderliggende man-vrouwverhouding zou zijn op biologisch niveau, wat dan gefundenes Fressen is voor sociobiologen. Ik vind dat larie. Het essentialisme dat Lacan probeert te ontwikkelen is geen man-vrouwverhouding en het is geen essentiële verhouding. Maar wat is het dan wel? Een verhouding tussen het subject en zijn drift. De omgang van de mens met zijn drift is in eerste instantie strikt individueel. De problematiek van de relatie tussen het subject en het driftmatige wordt nadien geprojecteerd op de man-vrouwverhouding. De manier waarop ik dus niet overeenkom met mijn drift komt op de schouders van mijn partner terecht. De bedoeling van een analyse is dan terug te keren naar de eigen interactie met het driftmatige en daarin klaarheid te scheppen. Daarna volgt de keuze die terug leidt naar de partner: ofwel drift, ofwel liefde.’


Commers: ‘Is dit verenigbaar met een maatschappelijke analyse waarbij je vaststelt dat er krachten aan het werk zijn die dit verhinderen, die de analyse dus doen mislukken?’


Verhaeghe: ‘Een analyse kan algemeen beschouwd worden als een soort subversie van het maatschappelijke. Het leeuwendeel van een analyse heeft immers als doel de vertoogvormen die uitgekristalliseerd zijn in persoonlijke fantasieën te doorgronden, om aan te tonen dat die eigenlijk van elders komen, van de anderen. Uiteindelijk blijft het subject met niets over en dat verplicht hem een positie in te nemen tegenover de eigen lustbeleving. In veel gevallen lukt dat niet. Dan analyseert men het vertoog, ontsnapt men daardoor aan de vervreemdende effecten ervan en kiest men voor een andere verhandeling waar men zich beter in voelt. In een geslaagde analyse gaat het subject een eigen positie innemen tegenover de drift en er iets mee doen, op persoonlijk vlak en op interpersoonlijk vlak. De analyse is dus subversief in zoverre ze de relativiteit van de vertogen aantoont. Men ontdekt dat datgene waarin men heeft geloofd, toch maar een verhaal is.’



BEIDEN ZIEN de voor de twintigste eeuw typische individualisering als oorzaak van de manier waarop we vandaag omspringen met onze seksualiteit.


Verhaeghe: ‘De individualisering die we nu meemaken is uniek in de geschiedenis. Zij heeft zeker te maken met de economie van de overvloed. Wanneer je een primitieve maatschappij bestudeert zie je dat er altijd een primaire vorm van communisme heerst, uit noodzaak.’


Commers: ‘Inderdaad. Zogauw er overvloed is, bestaat de mogelijkheid tot een verstoring te komen van de relaties die vooraf bestonden. Dan kun je rond clan en gender een concentratie van beelden beginnen op te bouwen om het surplus te organiseren. En in die context worden er ook verhalen ontworpen over wat seksualiteit dan wel zou kunnen betekenen.’


Verhaeghe: ‘De meeste analisten zijn voor zo’n inzicht nog niet klaar. Zij denken nog steeds in termen van een klassiek Über-ich, het Über-ich als verbod. Lacan was de eerste die erop wees dat we in onze maatschappij juist met een Über-ich als gebod zitten. Het verbod komt uit een negentiende-eeuwse schaarste-economie. Hedendaagse patiënten hebben daar geen last meer van. Zij hebben last van verplichtingen. Ze moeten zich te pletter genieten. We komen dus uit een neurotische verbodscultuur en zitten nu in een depressieve gebodscultuur. Door een overmaat van het object worden we depressief. Doordat een vrouw tegenwoordig ook altijd moet genieten van een penetratie, wordt ze bovendien opnieuw onderworpen aan het klassieke, patriarchale model. Een van de moeilijkste punten van de theorievorming bij Lacan is dat hij onderscheid maakt tussen jouïssance en l’autre jouïssance. Dit laatste koppelt hij aan de vrouw en aan het niet-fallische lichaam, waarbij hij zegt dat een vrouw er een betere toegang toe heeft dan een man. Die vorm van genieten kan uiteindelijk alleen maar negatief gedefinieerd worden tegenover het fallische. Dit is partieel en eindig, terwijl l’autre jouïssance op het totale lichaam gericht is en oneindig.’


Commers: ‘Iets dergelijks zegt Levinas wanneer hij het over de streling heeft die boven het fallocratische model uitgaat.’



INTUSSEN ZIT André Hazes op de achtergrond te croonen dat hij een beetje verliefd is en begin ik stilaan nattigheid te voelen: de marxist en de psychoanalyticus blijken twee handen op een buik. ‘The marriage of heaven and hell’, dixit William Blake, waarbij we zelf mogen invullen wat nu de hemel en wat de hel is. Maar is deze utopische liefde waarbij Lacan en Levinas elkaar in de armen vallen wel mogelijk? Kunnen we ontsnappen aan de cyberseks?


Commers: ‘Ik blijf een aanhanger van Ernst Bloch wanneer die stelt dat een mens zonder alternatief verhaal doodgaat. Je moet steeds een utopische ruimte openhouden met het verhaal over wat de mens zou kunnen bereiken indien hij inzicht had in zijn verhouding tot zijn drift en de orkestratie die er op maatschappelijk vlak bestaat. Hoe dat dan allemaal moet, weet ik ook niet. Ik heb geen seksuele ethiek die de enige juiste voorschriften wil leveren. Er lijkt mij een gemeenschappelijk veld te bestaan waar die utopische ruimte en de analyse als subversie elkaar kunnen ontmoeten.’


Verhaeghe: ‘Vanuit mijn achtergrond zou ik dit zo interpreteren: de moeilijkheid met veel moraalfilosofen is dat zij toch nog steeds een “verkeerd” verhaal willen vervangen door een “juist”. En als dat niet kan, door een “beter” verhaal. Geen enkel verhaal is echter juist. Ieder ethisch oordeel is arbitrair. Waar dan wel iets aan te veranderen is, is de positie die we innemen tegenover het verhaal: ben je er slachtoffer van of kun je het hanteren? En daar komt die open ruimte weer op de proppen. Een van de mooiste definities die ik ken van de liefde is: liefde is geven wat je niet hebt. Je zit in een leegte en bent verplicht te creëren. Je kunt er iets maken, maar dat veronderstelt wel persoonlijk engagement en dus de kans op mislukking en eenzaamheid.’


Commers: ‘Dat is ook het contrast tussen de Kama Sutra, wat een seksueel kookboek is, en het eveneens uit het Oosten komende The Perfumed Garden, waarin de openheid gecreëerd wordt door de verhaalstructuur. Ik kook graag, maar waarom zou ik me houden aan het recept in het boek. Ik verlies er alleen maar mijn eigen open ruimte door. The Perfumed Garden is vergelijkbaar met Boccaccio: verhalen over seksuele escapades, vergezeld van een lach. Dat doorbreekt de geslotenheid van het receptenboek.’


Verhaeghe: ‘En de lach die afstand veronderstelt. In de Kama Sutra staat hoe het hoort en daar wijk je niet van af. In The Perfumed Garden krijg je echte verhalen. Daar moet je zelf iets mee doen. Maar we mogen niet vergeten dat wie echt wil koken ook kookboeken nodig heeft. Je moet het eerst leren en pas daarna kun je het heft in eigen handen nemen. Het kan een succes worden of een grandioze mislukking. En het succes is soms zelfs noch te herhalen, noch door te geven. Echt advies kun je niet geven, want dan sluit je de open ruimte, daar waar de doelstelling van advies juist moet zijn dat je ermee moet doen wat je wil. Dat is een van de moeilijke punten bij een klinische consultatie: advies geven en dus opening bieden. Bij iemand die echt in een crisis verkeert kan dit niet. Daar moet de meesterpositie ingenomen worden, anders pleegt de patiënt misschien wel zelfmoord. Het receptenboek is hier het toepasselijke beeld. Maar het blijft natuurlijk wel de bedoeling dit boek meer en meer te verlaten gedurende de therapie. Het is zoals men in het zenboeddhisme de meester definieert: het meesterschap hangt af van de graad van zwakheid van de meester. De echte meester is hij die het zich kan veroorloven zwak te zijn.’


‘Two is company, three is a crowd’ wil een Engels spreekwoord en bij deze idylle van twee intellectuele verhandelingen is mijn aanwezigheid niet langer gewenst. De rode lichtjes knipogen in mijn richting en op de tonen van nog maar eens The Blood Hound Gang stap ik naar buiten. Doe de deur alvast maar van de knip, meisje: ‘Put your hands in my pants and I know you’ll feel nuts.’