De grote tweedeling

Mano Majra is een klein, onveranderlijk dorp in Brits-Indië. Moslims, sikhs en hindoes leven er vredig naast elkaar, het dagelijks leven wordt gedicteerd door het ritme van de langsrijdende treinen, en verder valt er niets te beleven. De ongeveer zestig families in het dorp – ‘een verzameling lemen hutten met plat dak, en binnenplaatsen omgeven door lage muurtjes, langs smalle weggetjes die vanuit het centrum uitwaaieren’ – verlangen ook niet meer van hun dagen, ze verrichten hun taakjes, ze zorgen voor genoeg eten voor zichzelf: hun leven bestaat uit regelmaat en overzicht, dat is genoeg.

Maar dan breekt de zomer van 1947 aan. En zoals de openingszin van Trein naar Pakistan aangeeft: ‘De zomer van 1947 was anders dan andere Indiase zomers.’

Je kunt je afvragen waarom deze roman uitgerekend nu voor het eerst in het Nederlands is vertaald: oorspronkelijk verscheen hij reeds in 1956, auteur Khushwant Singh (1915) geniet in Europa geen al te grote reputatie, en overleed ook nog eens in 2014 waardoor hij hoe dan ook geen nieuw werk kan uitbrengen of promotiebezoeken kan verrichten. Bovendien zijn er de afgelopen jaren zoveel ‘herontdekte meesterwerken’ verschenen dat de markt daarvoor ook enigszins verzadigd lijkt. Maar juist daaruit spreekt een groot vertrouwen: ondanks al die kanttekeningen koos uitgeverij Hollands Diep ervoor de roman van Singh, die in India wordt gerekend tot de hoogtepunten van de vaderlandse literatuur, nu uit te brengen. Een besluit dat, laat dat maar meteen gezegd zijn, inhoudelijk goed valt te rechtvaardigen: de roman beslaat met zijn nadruk op de Indiase grensproblematiek niet alleen een onderwerp dat in Europese literatuur geen rol speelt, Trein naar Pakistan is ook geschreven met de souplesse en vaart die nodig zijn om zo’n zwaar onderwerp boeiend te maken.

Small singh  khushwant  hollandse hoogte
Het lijkt alsof Singh zijn roman over 1947 afgelopen maand nog schreef © Giovanni Giovannetti / HH / Hollands Diep
Grote geschiedenissen kunnen het best verteld worden aan de hand van kleine gemeenschappen

De plaats van handeling is, zoals gezegd, het nietige en overigens ook fictionele Mano Majra. Maar al op de eerste pagina’s maakt Singh duidelijk dat het hier niet gaat om het soort kleine taferelen dat je zou verwachten bij een dorp van deze afmetingen, nee, in de zomer van 1947 is alles anders en in die zomer wordt Mano Majra plotseling het decor van een burgeroorlog. De reden: Brits-Indië wordt op dat moment opgedeeld. Plotseling en rigoureus, aan de hand van godsdiensten. Het hele rijk verandert in twee onafhankelijke staten: het hindoestaanse India en het moslimgedomineerde Dominion Pakistan (later weer opgedeeld in Pakistan en Bangladesh). De opdeling leidt tot massale volksverhuizingen (‘tien miljoen mensen op de vlucht’, schrijft Singh in het openingshoofdstuk), tot een felle strijd tussen de twee geloofsgroepen, tot vernietigingen waarbij miljoenen mensen sterven – de hele tweedeling geldt bij sommige historici als het Indiase equivalent van de holocaust, al gebruikt Singh (zelf overigens geboren in het Pakistaanse deel van India) gelukkig nergens zulke grote woorden.

Die hele burgeroorlog is er wel, in Trein naar Pakistan dreunt hij tot op het einde na, maar tegelijk wordt hij niet echt zichtbaar: de oorlog is vooral een permanent, alles onder spanning zettend achtergrondgeluid. Singh heeft zich juist goed gerealiseerd dat grote geschiedenissen het best verteld kunnen worden aan de hand van kleine gemeenschappen zoals Mano Majra. En aan de hand van losse personages, die geen getallen vertegenwoordigen maar sprekende, individuele lotgevallen worden. En dus zoomt hij na dat droge, ontluisterende begin, met sterftecijfers zo nuchter opgetekend dat de passages uit een geschiedenisboek hadden kunnen stammen, in op Mano Majra. Op de zeer gerespecteerde inwoner die daar wordt vermoord en de verdachte van dat misdrijf: het springerige, niet onsympathieke personage Juggut Singh, die op zijn beurt verliefd is op een moslima en het als zijn persoonlijke taak ziet de vrede in de lokale gemeenschap te bewaren.

Trein naar Pakistan is een vol boek, af en toe gewoonweg te vol: het verhaal golft heen en weer tussen grote en kleine gebeurtenissen, tussen persoonlijke gevoelens en politieke daden, het gaat over corruptie en wantrouwen, over een hiërarchische samenleving. Soms verspringt Singh zonder toelichting (en erger: ook wel eens zonder effect) midden in een scène van perspectief – technisch gezien valt er meer op het boek aan te merken, maar daartegenover staan tal van verbluffende scènes, gedetailleerd en toegankelijk alsof ze niet zestig jaar geleden maar afgelopen maand zijn geschreven (wat wellicht ook een verdienste is van de vertaalster).

Het mooiste zijn Singhs passages rondom de trein die dagelijks naar Mano Majra rijdt. De bijbehorende regelmaat waar het dorp op vertrouwt, de geruststellende herhaling. En dan, ineens, ook haarfijn beschreven: de trein die duizenden lijken vervoert en zodoende de oorlog naar binnen brengt. Doeltreffend en ontwrichtend is dat beschreven, en alleen al die passages maken Trein naar Pakistan de moeite waard – waarop ook nog een onverwacht, nogal grotesk slot volgt, wederom van het soort dat je in andere romans niet snel tegenkomt, en dat alleen al daarom de moeite waard is.