Vertalen is moeilijk

De grote vertaalwedstrijd

In het onlangs voor het eerst in het Nederlands vertaalde Intellectueel dagboek van Giacomo Leopardi (1790-1837) schrijft de Italiaanse vertaler, dichter en prozaïst: «Stel dat je als vertaler een woord hebt gevonden dat precies met het oorspronkelijke overeenkomt en exact hetzelfde betekent, dan heb je niets bereikt als dit woord niet nieuw is en op ons niet dezelfde indruk maakt als die het maakte op de Grieken. Op dit punt is het gebrek aan oplettendheid algemener dan waar ook. Want als je zo’n woord bij het vertalen tegenkomt en het niet begrijpt, ga je te rade bij de Woordenboeken, en omdat het om een woord van een klassiek schrijver gaat, vind je er daar een verklaring van in gewone woorden, waarna je het in gewone woorden weergeeft zonder erop te letten of a) de auteur die je vertaalt de enige is die het heeft gebruikt, en b) of hij de eerste is die dat heeft gedaan. Want ook al zou het na hem populair zijn geworden, dat betekent niet dat het toen hij het de eerste keer gebruikte, niet gedurfd, nieuw en trefzeker was.»

Kortom, vertalen is moeilijk. Maar ook belangrijk. Daarom heeft de Standaard der Letteren samen met De Groene Amsterdammer «De grote vertaalwedstrijd» uitgeschreven. Mede-initiatiefnemers zijn Diapason en Het Beschrijf.

U kunt deelnemen door een of meer van de volgende tekstfragmenten naar het Nederlands te vertalen en op te sturen naar het adres dat u in het reglement aantreft. De winnaars in de vijf taal groepen zullen worden bekendgemaakt tijdens Het Groot Beschrijf, op 21 april 2002, in de Brusselse Muntschouwburg.

De Standaard der Letteren en De Groene Amsterdammer plaatsen de winnende vertalingen.

Elk van de vijf jury’s is samengesteld uit drie vertalers van goede naam: twee Vlamingen en één Nederlander. Zij duiden binnen elke «taalgroep» maximaal vijftien genomineerden aan. Er is slechts één winnaar per taalgroep.

Voor meer informatie, zie www.standaard.be en www.groene.nl

Reglement

  1. Iedereen mag deelnemen aan De grote vertaalwedstrijd, behalve de juryleden die de inzendingen beoordelen, het personeel van Het Beschrijf, de redactieleden van de Standaard der Letteren en De Groene Amsterdammer, de leden van het bestuur van Het Beschrijf en Diapason.

  2. De deelnemers mogen van meer dan één voor deze wedstrijd geselecteerde tekst een vertaling insturen, maar slechts één vertaling per gekozen tekst.

  3. Enkel individuele inzendingen worden aanvaard. Groepsvertalingen komen niet in aanmerking.

  4. De deelnemers kunnen hun inzending(en) ofwel per e-mail ofwel per gewone post bezorgen. Het e-mailadres is: beschrijf
    skynet.be. Het postadres is: Het Beschrijf, Adolphe Maxlaan 55/3 te 1000 Brussel. Schriftelijke inzendingen per post dienen in vier exemplaren te worden verstuurd.

De uiterste inzenddatum (postdatum) is

31 december 2001.

  1. Inzendingen onder pseudoniem worden niet aanvaard. De deelnemers vermelden hun volledig adres, telefoonnummer en (eventueel) hun e-mailadres.

  2. Per taalgroep duidt de jury maximaal vijftien genomineerden aan en is er slechts één winnaar.

  3. De beslissing van de jury staat niet ter discussie. Er wordt ook niet over gecorrespondeerd.

Spaans

«Me divertí como loca!», dijo Monna Lisa con su voz de falsete, y ante ella se extasiaron reverentes los imbéciles en coro de ranas boquiabiertas. Su risa dominaba los salones del palacio como el chor ro solista de una fuente insensata. (Esa noche en que las aguas de amargura penetraron hasta mis huesos.)

«Me divertí como loca!» Yo asistía a la reunión en calidad de representante del espíritu, y recibía a cada paso los parabienes, los apretones de mano, los canapés de caviar y los cigarillos, previa exhibición de mis credenciales. (En realidad había ido solamente por ver a Monna Lisa.) «Qué pinta usted por ahora?» Los monstruos de brocado y pedrería iban y venían en el acuario de humo, de arrayán venenoso y gorgoritos. Ciego de cólera y haciendo brillar mis linternas de fósforo en la sombra, quise atraer la atención de Monna Lisa hacia las grandes profundidades. Pero ella sólo picaba en anzuelos superficiales, y los elegantes de verbo ampuloso la devoraban con los ojos.

«Me divertí como loca!» Finalmente tuve que esconderme en un rincón de la fiesta, rodeado por falsos discípulos, con mi vaso de cicuta en la mano. Una señora de edad se acercó para decirme que quería tener en su casa algo mío: un pastel de sorpresa para su próximo banquete, una tina de baño con llave mezcladora para el agua caliente, o unas estatuas de nieve, como esas tan lindas que Miguel Angel modela los inviernos en el palacio Médicis. En mi calidad de representante del espíritu ignoré cortésmente todas las insinuaciones de la señora, pero la asistí en su parto de difíciles ideas. Me quedé un rato más, hasta apurar las heces de mi último jaibol y tuve ocasión de despedirme de Monna Lisa. En el umbral de la puerta, con el rostro perdido en su abrigo de pieles me confesó sinceramente, así entre nos, que se había divertido como loca.

Uit: Confabulario Personal van Juan José Arreola, Ed. Bruguera, Barcelona, 1980

Latijn
Marcus Aurelius, van 161 tot 180 n.Chr. keizer van het Romeinse Rijk, is vooral bekend van zijn ‹Persoonlijke notities›. Een andere kant van zijn persoonlijk leven komt naar voren in zijn correspondentie met zijn vriend en leraar Latijnse retoriek, Fronto. Het volgende briefje aan Fronto is van september 144 (?). Marcus Aurelius is dan 23 jaar jong.

M. Caesar M. Frontoni magistro suo salutem.

Postquam vehiculum inscendi, postquam te salutavi, iter non adeo incommodum fecimus, sed paululum pluviae aspersi sumus. Sed priusquam ad villam venimus, Anagniam devertimus mille fere passus a via. Deinde id «oppidum anticum» vidimus, minutulum quidem, sed multas res in se antiquas habet, aedes sanctasque caerimonias supra modum. Nullus angulus fuit, ubi delubrum aut fanum aut templum non sit. Praeterea multi libri lintei, quod ad sacra adtinet. Deinde in porta, cum eximus, ibi scriptum erat bifariam sic: ‹Flamen sume samentum›. Rogavi aliquem ex popularibus quid illud verbum esset. Ait lingua Hernica pelliculam de hostia, quam in apicem suum flamen cum in urbem introeat inponit. Multa adeo alia didicimus quae vellemus scire; verum id solum est quod nolimus, cum tu a nobis abes: ea nobis maxima sollicitudo est.

Nunc tu postquam inde profectus es, utrumne in Aureliam an in Campaniam abisti? Fac scribas mihi et an vindemias inchoaveris, et an ad villam multitudinem librorum tuleris et illud quoque, an me desideres, quod ego stulte requiro, quom tu certe facis. Nunc tu, si me desideres atque si me ames, litteras tuas ad me frequentes mittes, quod mihi solacium atque fomentum sit. Nam decem partibus tuas litteras legere malim quam omnes Massicos aut Gauranos palmites: nam Signini quidem isti nimis rancidos racemos et acidos acinos habent, quod vinum malim quam mustum bibere. Praeterea istas uvas multo commodius passas quam puberes manducare; nam profecto malim eas pedibus calcare quam dentibus comesse. Sed tamen propitiae placataeque sint et mihi pro istis iocularibus bonam veniam duint. Vale mihi homo amicissime, suavissime, disertissime, magister dulcissime.

Quom videbis in dolio mustum fervere, in mentem tibi veniat mihi sic in pectore tuum desiderium scatere et abundare et spumas facere. Semper vale.

Epistulae III, 4 van Fronto

Frans

Dans le port étroit et long comme une chaussée d'eau entre ses quais peu élevés où brillent les lumières du soir, les passants s'arrêtaient pour regarder, comme de nobles étrangers arrivés de la veille et prêts à repartir, les navires qui y étaient assemblés. Indifférents à la curiosité qu'ils excitaient chez une foule dont ils paraissaient dédaigner la bassesse ou seulement ne pas parler la langue, ils gardaient dans l'auberge humide où ils s'étaient arrêtés une nuit, leur élan silencieux et immobile. La solidité de l'étrave ne parlait pas moins des longs voyages qui leur restaient à faire que ses avaries des fatigues qu'ils avaient déjà supportées sur ces routes glissantes, antiques comme le monde et nouvelles comme le passage qui les creuse et auquel elles ne survivent pas. Frêles et résistants, ils étaient tournés avec une fierté triste vers l'Océan qu'ils dominent et où ils sont comme perdus. La complication merveilleuse et savante des cordages se reflétait dans l'eau comme une intelligence précise et prévoyante plonge dans la destinée incertaine qui tôt ou tard la brisera. Si récemment retirés de la vie terrible et belle dans laquelle ils allaient se retremper demain, leurs voiles étaient molles encore du vent qui les avait gnflées, leur beaupré s'inclinait obliquement sur l'eau comme hier encore leur démarche, et, de la proue à la poupe, la courbure de leur coque semblait garder la grâce mystérieuse et flexible de leur sillage.

Uit: Les Regrets, rêveries couleur du temps in Les plaisirs et les jours van Marcel Proust

Duits
Wat voorafgaat: Het oudere echtpaar Giorgio en Lucia Badini treft bij thuiskomst ’s avonds een stelletje zwervers aan, dat door de echtgenoot een slaapkamer toegewezen krijgt. Als hij ’s ochtends het huis verlaat voor een wandeling, slaapt het jonge paar nog.

Giorgio Badini hatte das Landgut erworben, als es vom Padrone, der keinen Pächter fand, aufgegeben wurde, und es hatte eben dieses große Haus mit seinen Dächern und Kanten sein müssen, aus braunem Bruchstein gemauert, das schon aus der Ferne bemerkbar war. Er kannte es aus der Ferne von Kindheit an, da sein Vater, ein Maurer, sich in der Gegend verdingt hatte. Besonders stolz war Badini auf den stumpfen, viereckigen Turm seines Besitzes, der die kleinen Eichen und die Zypressen ein wenig überragte. Hinterm Haus zog sich ein halb erhaltner Weinberg hundert Schritte hinauf, seine eigentliche Weide, die er jeden Morgen erregt durchstieg.

Badini selbst war Professor in Rom, am Ende seiner Pflichten, und genoß die Kür.

  • Sein Vater nannte eine Hütte sein eigen, und schob mit einer Karre los. Giorgio fuhr Automobil, er hatte eine Stadtwohnung, mit Fernsehgerät und Kühlschränken, er kaufte ein in Supermärkten, er reiste über Kontinente. Er, der Sohn des Maurers, lebte wie ein Fürst: wie ein Arbeiter. Was für ein Aufstieg, in dreißig Jahren. Sein Thema: la rivoluzione war ihm abhanden gekommen, denn sie hatte stattgefunden, wo man sie nicht machte. Das war, aus anderer Landschaft betrachtet (die seine innere war), ein grausamer, begreiflicher Witz der Geschichte (und der Witz würde ihr nicht ausgehen…). Er hatte das Interesse an Zeit altern verloren. Wirft man dem Baum vor, daß er um die Wölbung des Steins herumwächst? Jede Straße paßt sich der Landschaft an. Er genoß seinen Opportunismus und übersetzte alte Schriften: wie ein Künstler das Leben abschreibt. (Natürlich bemerkte er, daß es leicht ein besserer Text wurde als die Vorlage; man mußte an sich halten und nachschlechtern, um nicht das Original zu verfehlen; allein die ausfällige Wortwahl wies seine überschüssige, ungebrauchte Kraft nach.)

Als er auf der Höhe anlangte, lag die Strecke hinter ihm schon im Licht; so schnell ging die Sonne, und Lucia war vor das Haus getreten und füllte, neben dem Brunnen, einen Zuber. O, sie wollte das Bad verschonen. Sie rief ein paar unklare Laute: He, he, hi, und gleich darauf sah er die jungen Leute ängstlich aus der Türe spähen.
Uit: Das Wirklichgewollte van Volker Braun, Suhrkamp Verlag, 2000

Engels

So sentences are copied, constructed, or created; they are uttered, mentioned, or used; each says, means, implies, reveals, connects; each titillates, invites, conceals, suggests; and each is eventually either consumed or conserved; nevertheless, the lines in Stevens or the sentences of Joyce and James, pressed by one another into being as though the words before and the words after were those reverent hands both Rilke and Rodin have celebrated, clay calling to clay like mating birds, concept responding to concept the way passionate flesh congests, every note a nipple on the breast, at once a triumphant pinnacle and perfect conclusion, like pelted water, I think I said, yet at the same time only another anonymous cell, and selfless in its service to the shaping skin as lost forgotten matter is in all walls; these lines, these sentences, are not quite uttered, not quite mentioned, peculiarly employed, strangely listed, oddly used, as though a shadow were the leaves, limbs, trunk of a new tree, and the shade itself were thrust like a dark torch into the grassy air in the same slow and forceful way as its own roots, entering the earth, roughen the darkness there till all its freshly shattered facets shine against themselves as teeth do in the clenched jaw; for Rabelais was wrong, blue is the color of the mind in borrow of the body; it is the color consciousness becomes when caressed; it is the dark inside of sentences, sentences which follow their own turnings inward out of sight like the whorls of a shell, and which we follow warily, as Alice after that rabbit, nervous and white, till suddenly – there! climbing down clauses and passing through «and» as it opens – there – there – we’re here!… in time for tea and tantrums; such are the sentences we should like to love – the ones which love us and themselves as well – incestuous sentences – sentences which make an imaginary speaker speak the imagination loudly to the reading eye; that have a kind of orality transmogrified; not the tongue touching the genital tip, but the idea of the tongue, the thought of the tongue, word-wet to part-wet, public mouth to private, seed to speech, and speech… ah! after exclamations, groans, with order gone, disorder on the way, we subside through sentences like these, the risk of senselessness like this, to float like leaves on the restful surface of that world of words to come, and there, in peace, patiently to dream of the sensuous, imagined, and mindful Sublime.

Uit: On Being Blue van William Gass, 1976. Nonpa reil books, David R. Godine, Boston