Opmerkelijke vrijspraken van het Joegoslavië Tribunaal

De grote vissen zijn weer vrij

Het Joegoslavië Tribunaal sprak onlangs een reeks verdachten vrij. Wat zat er achter die vonnissen? En wat hebben ze gemeen met de vervolging van de Amsterdamse voetballers die betrokken waren bij de dood van een grensrechter?

‘We hebben deze champagne wel verdiend’, proost een glunderende Carla del Ponte in 2005, terwijl ze in een vliegtuig met een glas bubbels in haar hand wordt gefilmd. De aanklager van het Joegoslavië Tribunaal viert met medewerkers haar zojuist geboekte succes. De scène vormt een hoogtepunt in de documentaire Carla’s List, waarin de aanklager wordt gevolgd in haar jacht op de laatste verdachten op haar lijstje. De Bosnische Serviërs Radovan Karadzic en Ratko Mladic zijn dan nog altijd voortvluchtig.

Tot er opeens in één zaak die doorbraak is. Kroatië, dat kans maakt op het EU-lidmaatschap, heeft ontdekt waar de voortvluchtige ex-generaal Ante Gotovina is. Op vage beelden is een man te zien die op 7 december 2005 in een restaurant de handboeien om krijgt. Op een persconferentie licht Del Ponte toe: ‘Ik wil u informeren over het heel goede nieuws, dat ik een uur geleden ontving. Ante Gotovina is gearresteerd, in Spanje, op de Canarische Eilanden.’

Maar eind vorig jaar werd deze grote vis door het Joegoslavië Tribunaal vrijgesproken. Hoe was dat mogelijk? Gotovina, die ooit lid was van het Franse Vreemdelingenlegioen en in duistere kringen vertoefde, besloot naar Kroatië terug te keren toen zijn land in de verwoestende oorlogen van het uiteenvallende Joegoslavië werd meegesleept. Hij zou door het Joegoslavië Tribunaal worden aangeklaagd voor zijn optreden als commandant in de Operatie Storm, een militair offensief dat op 4 augustus 1995 startte, om de regio Krajina terug te veroveren op de Serviërs. Gotovina werd met politiechef en staatssecretaris Mladen Markac en commandant-staatssecretaris Ivan Cermak beschuldigd van oorlogsmisdrijven (moord, plundering, verwoesting, wreedheden) en misdrijven tegen de menselijkheid (moord, vervolging, deportatie, wreedheden). De drie zouden deel hebben uitgemaakt van een Joint Criminal Enterprise (jce), een criminele groep die het gezamenlijke plan had Krajina onder controle te krijgen door de Serviërs voor altijd uit de regio te verdrijven.

De jce-doctrine werd ontwikkeld door Antonio Cassese, een vermaard jurist en de eerste president van het Joegoslavië Tribunaal, om personen te kunnen berechten die betrokken zijn bij het bedenken en uitvoeren van en het opdracht geven tot internationale misdrijven. De leden van de criminele groep zijn ieder individueel verantwoordelijk voor de internationale misdrijven die zijn gepleegd in het kader van het gezamenlijke plan. ‘Elk land heeft zulke bepalingen. In Nederland spreken we dan over medeplegen’, legt Göran Sluiter, hoogleraar internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam (uva), uit. De bepaling speelt nu bij de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen, die bij een amateurwedstrijd door Amsterdamse voetballers te grazen werd genomen. De daders kunnen ieder aansprakelijk gesteld worden voor zijn dood, ook al komt wellicht niet vast te staan wie de fatale klap of trap heeft uitgedeeld. Bij het Joegoslavië Tribunaal wordt het concept gebruikt om hooggeplaatste personen, die zelf niet fysiek bij de gewelddadigheden aanwezig waren, te kunnen vervolgen. Zoals sommige landen aansprakelijkheidsconstructies formuleren om bijvoorbeeld maffiabazen op te pakken.

De jce-doctrine schept de mogelijkheid tot vervolging van de hoogste politieke en militaire leiders, die niet zelf hebben gemoord, verkracht, gefolterd en gedeporteerd, maar wel het intellectuele criminele brein zijn en de context hebben geschapen waarin de misdrijven plaatsvonden. ‘Het feit dat personen betrokken waren bij afspraken over het plegen van een misdrijf rechtvaardigt een straf. Ook al waren ze niet bij de misdrijven aanwezig en hebben ze deze zelf niet begaan’, aldus Sluiter.

Bij het Joegoslavië Tribunaal groeide Joint Criminal Enterprise uit tot een doctrine, die bij vele zaken werd aangevoerd. In de zaak tegen Gotovina bestudeerden de rechters vooral bijeenkomsten zoals die op het eiland Brioni, op 31 juli 1995, waar hoge Kroatische functionarissen Operatie Storm bespraken. Gotovina nam deel aan het overleg, droeg bij aan de voorbereidingen en gaf bevelen tot onwettige aanvallen op burgers. Ook had hij niet genoeg gedaan om misdrijven te voorkomen of te bestraffen. Als lid van een criminele onderneming werden Gotovina in 2011 tot 24 jaar en Markac tot 18 jaar veroordeeld, terwijl Cermak werd vrijgesproken. Saillant detail was dat de Nederlander ­Alphons Orie voorzittend rechter was, zoals hij nu ook het proces tegen Mladic leidt.

Maar in hoger beroep zou de zaak heel anders verlopen. Harmen van der Wilt, eveneens hoogleraar internationaal strafrecht aan de uva, wijst erop dat de vijf rechters van de beroeps­kamer vooral de centrale redenering in het vonnis onder de loep namen. Het Kroatische artillerievuur op vier steden – Knin, Benkovac, Obrovac, Gracac – moet volgens Orie en zijn mederechters gezien worden als misdadige aanvallen op burgers en burgerdoelen die resulteerden in de deportatie van twintigduizend burgers. De magistraten baseerden zich op een nieuw begrip dat ze tijdens het proces hadden ontwikkeld: ‘de tweehonderd-meter-standaard en de Impact Analysis’. Oorlogvoeren is immers niet verboden, maar het moet wel volgens internationale regels verlopen. De rechters stelden dat raketten, mortieren, granaten en kogels die door de Kroaten waren afgeschoten als misdrijf moesten worden beschouwd als ze verder dan tweehonderd meter van een erkend militair doelwit, bijvoorbeeld een tank of een truck, insloegen. In de chaos van het gevecht zijn doelen en afstanden – bijvoorbeeld door afwijkingen door wind­vlagen – vaak moeilijk vast te stellen, aldus Van der Wilt. ‘Maar je kunt je ook voorstellen dat alles wat buiten de straal van tweehonderd meter ligt ongeoorloofd vuur is. Want als je systematisch en consequent je doelwitten mist, dan is de bijkomende schade van de beschietingen wel heel groot.’ Zoveel missers kunnen dan duiden op een terreurcampagne tegen een weerloze burgerbevolking, hetgeen tegen de regels van het oorlogvoeren indruist.

Hoe plausibel ook, toch is deze argumentatie door de beroepskamer onderuit gehaald. De rechters stelden dat hun collega’s hun concept niet goed hadden onderbouwd. ‘Ze vonden die grens van tweehonderd meter arbitrair’, zegt Van der Wilt. De nieuwe zienswijze leidde tot een kettingreactie van conclusies. ‘De beschietingen die buiten de tweehonderd-meter-straal vielen, werden niet langer als misdrijf gezien, en dus hadden ze niet geleid tot deportatie. Omdat er geen deportatie had plaatsgevonden, ontbrak het aan een misdrijf, en was er ook geen deelname aan een Joint Criminal Enterprise.’ De rechters spraken Gotovina en de andere twee Kroaten vrij. Nog diezelfde dag arriveerde Gotovina in Kroatië, waar hij als een held werd onthaald.

Overigens waren de beroepsrechters niet unaniem in hun oordeel. Twee van de vijf rechters namen in krachtige bewoordingen afstand van hun collega’s. Van der Wilt denkt dat de vrijspraak hard moet zijn aangekomen bij rechter Orie, die het proces had geleid. ‘Professioneel zal hij zich er overheen zetten. Maar hij zal het toch niet zo gemakkelijk vinden. Niet alleen omdat de bewoordingen van de beroepskamer iets denigrerends hadden. Maar ook omdat Orie, die eigenlijk een bèta is, juist aardigheid in ballistiek heeft en zich echt in de materie heeft verdiept.’ Exact het punt waarop zijn vonnis is afgewezen.

Een week later maakte het Joegoslavië Tribunaal zich op voor een volgend vonnis. Drie commandanten van het Kosovo Bevrijdingsleger (kla) werden beschuldigd van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. De Kosovaarse ex-premier Ramush Haradinaj zou net als Idriz Balaj en Lahi Brahimaj in 1998 mededader zijn geweest in een jce dat als doel had om de totale controle te krijgen over het gebied Dukagjin door het verdrijven en mishandelen van Serviërs, en het mishandelen van burgers die niet achter het kla stonden. Het proces zelf werd gekenmerkt door zware intimidatie van getuigen. Veel mensen waren te bang om een verklaring af te leggen.

Ook al hadden de aanklagers communiqués gevonden waarin werd opgeroepen om collaborateurs te pakken, en waren er mensen mishandeld en vermoord, toch waren die feiten niet voldoende. De rechters, onder leiding van opnieuw Orie, vonden dat de aanklagers te weinig direct bewijs leverden voor de verdenking dat de drie deelnamen aan een criminele onderneming. Op 3 april 2008 werden Haradinaj en Balaj vrijgesproken, terwijl Brahimaj schuldig werd bevonden aan foltering en wreedheden en tot zes jaar werd veroordeeld.

Toen de aanklager aantoonde dat twee cruciale getuigen niet waren gehoord, moest het proces deels worden overgedaan. 29 november 2012 kwam het vonnis: vrijspraak. Weer omdat de criminele onderneming niet was aangetoond.

Door juristen is er veel en kritisch geschreven over het jce-concept. Sommige experts stelden smalend dat de afkorting stond voor Just Convict Everybody. ‘Bij het scheiden van de markt, nu het Joegoslavië Tribunaal aan zijn laatste zaken toe is, zie je dat ook de rechters kritischer zijn’, zegt Van der Wilt. Zijn collega Göran Sluiter wijst erop dat jce-zaken meer kans van slagen hebben als ze van onderaf zijn opgebouwd. Het Joegoslavië Tribunaal heeft vooral bij Servische zaken eerst daders vervolgd die lager in de rangorde stonden. Met deze processen werd bewijsmateriaal vergaard dat de basis legde voor processen tegen topleiders. ‘De strategie om eerst de kleine vissen te vervolgen, kan toch nuttig zijn’, stelt Sluiter. Onlangs veroordeelde het Joegoslavië Tribunaal Zdravko Tolimir tot levenslang. Hij was de rechterhand van Ratko Mladic en rapporteerde rechtstreeks aan de Bosnisch-Servische commandant die nu terechtstaat in Den Haag. ‘Het proces tegen Mladic is een abc’tje’, aldus Sluiter. Hij constateert dat het Joegoslavië Tribunaal minder geduld heeft gehad bij zaken tegen Kroaten en Kosovaren. ‘Ze zijn meteen begonnen met de vervolging van de hoogste leiders.’

De vrijspraken leidden onder Serviërs tot woedende reacties. ‘Serviërs klagen: “Ze zijn altijd al tegen ons geweest, en nu zijn Gotovina en Hardinaj ook nog eens vrij”’, zegt Van der Wilt. ‘Maar ik denk wel dat Serviërs meer boter op hun hoofd hebben. Daarna volgen de Kroaten en dan de Bosniërs, die eveneens internationale misdrijven hebben gepleegd. Het Joegoslavië Tribunaal heeft een aantal zaken grondig en netjes gedaan, en moest daarbij in een politiek wespennest opereren. Maar wellicht is een internationaal tribunaal, dat zulke politieke zaken doet, toch niet het meest geschikt voor vrede en verzoening.’

Maar geven de laatste vrijspraken niet aanleiding tot herziening van eerdere vonnissen? Van der Wilt denkt van niet: ‘Ik zie er het nut niet van in. Het creëert onrust. Elk jaar is het langer geleden. De mogelijkheden om te bewijzen dat het anders lag, worden steeds lastiger. Je geeft wellicht valse hoop. Bovendien zijn de middelen beperkt, en is het Joegoslavië Tribunaal bezig af te ronden.’ Sluiter denkt er anders over: ‘Advocaten zijn misschien wat lui. Maar als er meer vrijspraken komen, en als blijkt dat er in het verleden fouten zijn gemaakt, dan sluit ik herzieningen niet uit.’