Bijdrage aan de kerstspecial van 1968

De grote winst gaat toch naar de man

Gelijk werk, gelijk loon © Nationaal Archief

Na het geruchtmakende artikel ‘Het onbehagen bij de vrouw’, begon de feministische beweging zich in hoog tempo te organiseren. Historicus Annie Romein-Verschoor constateert een jaar later echter dat de verbetering in de rechtspositie van de vrouw niet automatisch heeft geleid tot meer vrijheid.

Wie in een willekeurig gezelschap het woord ‘vrouwenemancipatie’ laat vallen, kan in het algemeen op twee reacties rekenen: de lachende, van ironische verbazing tot de vrije-vrouwen-grol én de kribbige: zijn we daar nu eindelijk niet over uitgepraat, na honderd jaar emancipatie is de vrouw nu toch waarachtig wel… Maar honderd jaar is een korte periode voor het uitwissen van een zo ingesleten maatschappelijk patroon. De neger-emancipatie dateert ook van zo’n honderd jaar terug en die van de joden kan men gevoeglijk bij de Franse Revolutie laten beginnen en toch… De vrouw had bovendien de zware handicap dat zij haar vrijheid moest veroveren op wie haar het meest dierbaar waren: op man en kind, en werd daardoor gauw wat belachelijk in haar ‘strijd’. Zij is blijvend in de positie van de brave negerslaaf, die zo aan zijn goede baas gehecht is. Wij vrouwen zijn allemaal Uncle Toms.

Pas in de laatste jaren begint het besef te groeien dat er een frustratie in de vrouwenbevrijding is opgetreden, een tegenstroming, voortgaande veroveringen: de groei van het kiesrecht en de coëducatie, het voorzichtig open-stellen van lang gesloten beroepen en functies, een ruimere bewegingsvrijheid en het sportieve en kameraadschappelijk contact van man en vrouw. Toch is die tegenstroming niet nieuw: omstreeks het einde van de Eerste Wereldoorlog herleeft in een wat zachtzinniger en nog meer irrationele vorm het oude agressieve verzet tegen de eerste golf van de vrouwenemancipatie op het eind van de vorige eeuw. Die eerste golf had min of meer parallel gelopen met wat we nu de eerste seksuele revolutie zijn gaan noemen en de bestrijders van beide bewegingen hebben alles gedaan om de een met de andere zwart te maken: vrije vrouwen waren zedelijk losbandige schepsels en seksuele hervorming tastte het van God gegeven gezag des mans aan.

En ook de reactie loopt parallel: gelijk op met de publicatie van een reeks van geschriften over de ware aard van de vrouw, die zich verzet tegen de haar door het rationalisme opgedrongen emancipatie, die zij niet nodig heeft voor haar Geluk, vertoont zich een terugslag op de seksuele revolutie, die bijvoorbeeld duidelijk naar voren komt in de kuisheidskruistocht van katholieke organisaties als De Graal. Na de Tweede Wereldoorlog is van die dubbelstroom: de seksuele en de vrouwenbevrijding, de eerste weer met groot geweld boven de grond gekomen. Pas in het laatste decennium begint men zich ook zorgen te maken over ‘de frustratie van de vrouwenemancipatie’ en naar de oorzaken daarvan te vragen. In haar boek The Feminine Mystique heeft Betty Friedan uitvoerig uit de doeken gedaan hoe sterk de contra-emancipatorische stroming in de VS geworden is uit welhaast onuitroeibaar conservatisme van man én vrouw, uit gemakzucht van de vrouw in de welvaartsstaat en onder de sterk stroomlijnend werkende invloed van het reclamewezen, dat meer kan verkopen aan nestjebouwende en ‘leisured’ vrouwen dan aan werkende. Zij analyseerde daarbij uitvoerig de rol die de bijna uitsluitend door mannen geredigeerde damesbladen in dat terugdringingsproces spelen.

Onlangs had ik een gesprek met een uitgever – als je schrijft is dat af en toe niet te voorkomen – die me enthousiast de lof zong van de geheel vernieuwde, moderne vrouwenbladen en me wilde suggereren dat mijn blauwkousen-weerzin daartegen – zo formuleerde hij het natuurlijk niet! – zich richtte op een verouderd type: het gezellige mode-, kook- en handwerkblaadje inclusief adviezen in pedagogische en amoureuze perikelen voor moeder-de-vrouw en haar dochter. Ik begreep wel wat hij bedoelde, maar ik bleef beleefd. Misschien neemt hij deel aan de uitgave ervan, want je weet met die concentratie nooit meer wie wat uitgeeft. Hij doelde op die bladen die steunend op de adviezen van commercieel ingestelde dieptepsychologen of wat zich daarvoor uitgeeft de ‘moderne’ vrouw als een object trachten te bespelen. Naar dat laatste streefden de oude damesbladen natuurlijk ook wel, maar op grond van een zóveel simpeler ontworpen image van ‘de’ vrouw, dat hun altijd nog respectabele abonneelijst een potentieel groeiende (?) groep uitsloot die niet als Libelle-publiek gediskwalificeerd wenste te worden. Op die laatste, meer sophisticated groep mikken de ‘moderne vrouwenbladen’, juweeltjes van druk en lay-out waarin de moderne vrouw alles kan vinden over hoe ze in de welvaartsstaat aangenaam kan leven – of doen alsof – en meepraten, hoe ze zich moet kleden in huis, in de schouwburg, op reis, pour le ski en après ski, in het bad en in het bed niet te vergeten, hoe ze moet koken of tenminste over koken praten, niet meer volgens de degelijke kookboeken van de Amsterdamse huishoudschool, maar volgens de meest uitheemse en exotische, dure en bewerkelijke recepten, hoe ze haar huis, haar tweede huis, haar jacht moet inrichten naar het voorbeeld van filmsterren, alles geïllustreerd met de allerknapste, overdonderende kleurenfoto’s van schotels als stillevens en interieurs waartegen je oh! zegt maar waarin je geen kinderen kunt loslaten. Het blad vertelt haar wat ze moet weten over psychedelische kunst en homoseksualiteit, over de Beatles en hun concurrenten, over Mao en Fidel Castro of laat haar door een buitenlandse beroemdheid uitleggen ‘wat de moderne vrouw moet weten over Zen-boeddhisme’. Natuurlijk wordt ze verondersteld volkomen vrij te staan tegenover alle seksuele en andere taboes – een moeilijk punt van concurrentie voor de oude, bleek-katholiek gekleurde damesbladen, die op dit terrein slechts schoorvoetend kunnen volgen.

Je moet zoveel van die bladen en van de psychologen die achter de samenstelling van de bedrieglijk en storend in elkaar overlopende redactionele en advertentiebladzijden staan en waarover al in ’57 Vance Packard met zijn Hidden Persuaders een boekje heeft opengedaan. Op mijn leeftijd word je daar moe van en kijk en luister je met enige verbazing naar al die moderne jonge vrouwen, die de emancipatie al zo lang achter zich hebben, maar die even volgzaam tegenover dit conformisme-van-het-non-conformisme staan als de jonge dames van een eeuw geleden tegenover de goede zeden en het maintien.

Er is terecht op gewezen dat die verondersteld sekseloze wezentjes van de Victoriaanse periode feitelijk in een voortdurende erotische spanning leefden en hun manlijke partners ook voor zover ze die niet in de prostitutie konden laten afvloeien. In die zin hebben beide seksuele revoluties in hoge mate bevrijdend gewerkt. Maar ik vraag me af: maakt het vrouwenbeeld, zoals ons dat in de moderne vrouwenbladen én op de televisie wordt voorgezet zo’n bevrijde indruk; een vrouw die in ieder gebaar, in iedere houding, bij ieder kledingstuk dat ze bekijkt, aantrekt of laat vallen gepreoccupeerd is met haar sex-appeal? En wanneer men daarbij bedenkt dat we, oh! zeker, geen koophuwelijk meer kennen, maar dat nog altijd zeg acht van de tien vrouwen door een huwelijk aan welstand en status winnen en dat sex-appeal als huwelijkskatalysator mag gelden, hoe zit het dan met die vrijheid?

Willem Nagel schreef onlangs in een beschouwing over pornografie ongeveer het volgende: ‘Waarvoor heb ik mijn zinnen, als het niet was om ze te laten prikkelen?’ Akkoord, maar moeten we alsjeblieft niet altijd? Er zijn reeksen Victoriaanse voorbeelden aan te voeren van de levensverwoestende uitwerking van de onderdrukking van seksuele prikkels. Maar zou het geen zin hebben ons eens even los te maken van het nog altijd met zoveel entrain gevoerde achterhoedegevecht met de heer Van Dis daarover om ons te bezinnen op de vraag naar de uitwerking van een door de Hidden Persuaders opgedreven over-prikkeling. Wat heeft dit te maken met de gefrustreerde vrouwenemancipatie? Het geëmancipeerd optreden van vrouwen heeft altijd schade gedaan en is altijd geschaad door het samengaan met andere bevrijdingsbewegingen. Hierboven noemden we al de wederzijdse schade bij de (behoudende) publieke opinie, die de seksuele en de vrouwenbevrijding van omstreeks 1900 elkaar aandeden. Hetzelfde geldt van het optreden van de vrouwen in de Franse Revolutie en in de Commune. De mens is wel veranderd sedert de Neanderthaler, maar het gaat langzaam. En dus krijgen we van de beroemde socioloog Raymond Aron, eens communistisch, maar langzamerhand zeer conservatief vergrijsd, dezelfde roddel te horen over de vrouwen, die in het voorjaar aan het verzet der Franse studenten, de ‘enragés’, deelnamen. Het waren ‘filles folles de leur corps’, schreef de nog altijd goede stilist. Men kan natuurlijk met even veel recht zeggen dat die parallel lopende bewegingen elkaar steunden. Het waren bijvoorbeeld sommige van de ‘vrije vrouwen’ van de 1900-periode die het taboe van het onverbrekelijk wettig huwelijk durfden aantasten en hun vrije huwelijksverbintenis openlijk per advertentie aankondigden. En de sit-in-stakers in de Sorbonne zullen zich ongetwijfeld gesteund gevoeld hebben door hun vrouwelijke collega’s, die in deze onderneming ook een stuk van haar eigen onafhankelijkheid bevestigden. Maar wie in onze tijd om zich heen en naar de tv en in onze geïllustreerde welvaartsstaat-pers kijkt, moet er zich van bewust worden dat één van de factoren die de emancipatie frustreert, verborgen zit in de ‘tweede seksuele revolutie’ en in het misbruik dat de Hidden Persuaders daarvan maken. Immers, omdat de emancipatie nog lang niet voltooid en eigenlijk in het zand gelopen was, toen die revolutie inzette, gaat de grote winst ervan in onze nog altijd op manlijke sex geconditioneerde maatschappij naar de man. Om het scherp te stellen: de man is nog altijd de grote afnemer van sex, waarachtig niet alleen in de prostitutie, maar ook in het huwelijk, dat toch nog altijd voor de meeste vrouwen de kans op veilige geborgenheid betekent, in de showbusiness, et cetera en daarom bepaalt hij de richting van de omwenteling – niet in het voordeel van de vrouw.

Een paar citaten:

Gijs Stappershoef in een interview over zijn leerlingen aan de filmacademie: ‘Het is gek, maar welk scenario je ook van die jongens onder ogen krijgt: ze barsten allemaal van de sex, een wat kinderlijk soort advertentie-sex. En alle vrouwen hebben grote borsten…’

Een mode-ontwerpster in een modern damesblad: ‘Ik stel me voor dat ik dineer met een man die me bekijkt… Een halslijn beginnende bij de halskuil, schouders en borsten moeten duidelijk uitkomen… de tedere schouders accentueren en de sexy borsten… De vrouw wordt een wezentje, dat ze willen kussen en beschermen.’

De seksuele openheid, die een wezenlijke winst van de laatste decenniën is, moet ons niet blind maken voor het feit dat ook nu en in verhevigde mate van de vrouw gevraagd wordt dat ze zich aanbiedt en niet als vrouw, als vrouwelijk karakter, maar als borsten, dijen, een collectie van het individu losgemaakte sexkenmerken. Zie de doorsnee inhoud van een bepaald soort moderne roman: een wat landerig seksueel hongerige man die veel stoere taal gebruikt en een vrouw die geen karakter behoeft te hebben, als ze maar altijd beschikbaar is.

Hoe kan het anders of deze situatie wordt een gefundenes Fressen voor het reclamewezen? Dat de vrouw om zo te zeggen van uur tot uur inhamert hoe elk van haar gedesintegreerde charmes door dit kledingstuk en die en die toiletpreparaten kan worden verhoogd. Het komt me voor dat bij veel van onze tieners de gepreoccupeerdheid met de val van haar haar, de spitsheid van haar borstjes en wat er onder haar minirokje uitkomt de zo hoogst wenselijke kameraadschappelijke omgang van de jeugd danig in de weg staat. Want dat alles komt haar besef van koopwaarde, niet dat van eigenwaarde ten goede.

De ncrv nam op 10 sept. l.l. een merkwaardige documentaire op in Atlantic City. Daar werd de gebruikelijke gecommercialiseerde, niet zonder reden door een paar grote concerns ‘gesponsorde’ Miss America-verkiezing gehouden. Parallel liep in een andere zaal een even onsmakelijke verkiezing van een zwarte miss. Terloops gleed de camera in beide zalen af en toe langs de rijen over-opgemaakte niet-meer-jeugdige vrouwen onder het publiek. Maar in de straten van Atlantic City werd nog een andere protestdemonstratie gehouden. Een groep jonge vrouwen voerde een komisch uitgedoste pop mee, die, zoals ze in korte straathoekspeeches uiteenzetten, een bespotting wilde zijn van het idool der Amerikaanse vrouwelijkheid, dat hun werd opgedrongen: een tegelijk sexy en sexless wezen, half superhoer en half madonna, dat de verkoop van zinneloze mode- en toiletartikelen moest stimuleren en… naar Vietnam werd gevoerd om er haar rol te spelen in de door bekwame legerpsychologen uitgekiende spectatorsex, waardoor, naar zij de generaals voorspiegelden, in de arme jongens in uniform de vechtlust van de bronst kon worden opgewekt met eerbiediging van de kuisheid der inheemse vrouwen (!). De demonstratie eindigde met een rondedansje om een heel grote vuilnisbak, waarin bh’s, crèmepotjes, schoenen met naaldhakken enzovoort verdwenen.

Het komt me voor dat deze meisjes, die er allerminst truttig, sexless of hysterisch uitzagen, het bij het rechte eind hadden. Dr. Trimbos schreef onlangs dat de vrouw pas wezenlijk vrij zou zijn wanneer wij ‘een vrouwelijk hooglied’ rijk waren. Dat kan een boeiend stukje literatuur worden, maar ik geloof niet dat de emancipatie ermee voltooid zal zijn. De symbolen daarvan moeten we niet zoeken in de literatuur, maar in… de grammatica. De taalgeleerden kunnen ons wel vertellen dat het grammatisch geslacht niets met sex te maken heeft, wanneer ik zeg: ‘de minister van verkeer stelt haar portefeuille ter beschikking’ of ‘daar is de dokter, ik zal haar binnen laten’, dan reageren negen van de tien niet-ingewijde toehoorders met: ‘Hé, is het een vrouw’ en daarmee wordt het beeld en de rol van de vrouw op die van de minister en de dokter gelegd.

Maar spreken we over een burgemeester of een notaris, dan zien we een functionaris, waarbij zijn man-zijn niet meetelt, al stellen we ons hem in een colbert voor.

Een secretaris is iemand die administratief werk doet, een secretaresse een vrouw die hetzelfde doet. Wie zich met geschiedenis bezighoudt is een historicus, maar een vrouw met dezelfde bezigheid dient te zeggen: ‘Ik ben historica’, een woord dat me altijd als een stukje steenkool in het krentenbrood tussen de tanden knarst.

Soms mag het: minister, professor, advocaat, arts, doctor en zelfs drs. Het zou natuurlijk onzinnig zijn op dit punt eisen of zelfs maar richtlijnen op te stellen of propaganda te maken.

Maar de vrouwenemancipatie zal niet voltooid zijn voor we iets gevonden hebben op die insinuerende prenominale aanduiding.