De grote witte deen

Om van Peter Schmeichel te houden moet je iets begrijpen van grote katten, natuurkunde en de dubbele Hampelmann. De laatste was een Duitse handbalkeeper uit de jaren veertig. Hij stond, net als al zijn collega’s, voor de vraag wat te doen wanneer een aanvaller vrij voor hem opdook, op korte afstand, te kort om nog te kunnen reageren nadat hij eenmaal had geworpen. Hampelmann vond de oplossing: niet gokken, niet reageren, maar blokkeren.

Het hele uitzicht blokkeren. Armen en benen gespreid, alsof je wordt gevierendeeld, een vliegend kruis dat op de aanvaller af springt. Het werkt afschrikwekkend, en de kans dat de bal een arm of been raakt is groot. In het handbal is de dubbele Hampelmann sindsdien standaard. Op een voetbalveld had ik hem nog nooit gezien - totdat Peter Schmeichel er een paar jaar geleden, al diep in zijn enorme carrière, plotseling mee begon. Sindsdien zien vrijgespeelde spitsen regelmatig dat hele blonde gevaarte op zich af vliegen. Het eindigt meestal bijna koddig. De spits verwilderd, Schmeichel zittend op het gras, de benen gespreid, en de bal als een klein dier in zijn zachte klauwen.
Zachte klauwen: de Engelsen zeggen paws. Het gebaar waarmee katten hun kleintjes naar zich toe trekken, met ingetrokken nagels, bazig en liefdevol tegelijk. Hoe groter de kat, hoe aandoenlijker het gebaar. En Schmeichel is natuurlijk de leeuw onder de keepers van deze wereld. Brullend, massief, zelfgenoegzaam, maar soepel en snel als de wind als het moet.
Die snelheid was voor mij bijna reden om alsnog natuurkunde te gaan studeren. Kijkend naar Schmeichel, maar ook naar even zware collega’s als Neville Southall van Everton of Herman Teeuwen van RKC, heb ik me altijd afgevraagd hoe de massa van zo'n lichaam plotseling als een boomstam bij zwaar weer door de lucht kan vliegen. Daarin is Peter Schmeichel een wonder. Het ene moment lijkt hij diep in de bodem geplant, het volgende zweeft hij. Na zijn imposante vlucht is de zestien meter schoongeveegd, de aarde dreunt, en de bal rust in zijn handen voor weer zo'n zoevende uitgooi tot over de middenlijn.
Dit is helaas niet zijn toernooi geworden. Hij is de honderd interlands gepasseerd, hij is bij leven al een mythe, en in Manchester zal hij hoogstpersoonlijk de crisis nog twee jaar tegenhouden - maar op zijn laatste wereldkampioenschappen heeft hij niet uitgeblonken. Tegen Zuid-Afrika werd hij ‘gepoort’ door Benni. En tegen Brazilië greep hij niet de legendarische rol die voor hem klaarlag. Denemarken speelde boven verwachting, de Laudrups waren geweldig, maar Schmeichel liet drie doordeweekse doelpunten door. Bij de schuiver van Bebeto was hij te laat bij het moeilijkste punt voor grote keepers, anderhalve meter naast hen over de grond. Door Rivaldo liet hij zich stiften: hij ging liggen in plaats van à la Sar te blijven staan of er een dubbele Hampelmann uit te gooien. En ook de derde goal, de voetzoeker van Rivaldo in zijn linkerhoek, pakt hij op een werelddag. En zo'n dag had dit moeten zijn. Een dag van onnavolgbare natuurkunde. Het kwam er niet van. De leeuw bleek ook maar een mens. Hij huilde in zijn handdoek en zwaaide naar de supporters. De tijd is klaar voor een laatste documentaire over zijn fabelachtige vangtechniek.