De grote woorden van carl schmitt

Hij wordt in een adem genoemd met Machiavelli en Hobbes. Maar ook met Goebbels. Hij was tegen het parlementarisme, tegen het nationaal-socialisme (eigenlijk), voor de democratie en voor de conservatieve revolutie. En tegenwoordig is Carl Schmitt de held van Duitslands nieuw-rechtsen.
BIJ ZIJN OVERLIJDEN, in 1985, resoneerde in de meeste herdenkingsartikelen steeds dat ene zinnetje, de titel van dat ene artikel uit 1934: ‘Der Fuhrer schutzt das Recht’. Was de op zesennegentigjarige leeftijd gestorven Carl Schmitt dan een ordinaire nazi-propagandist geweest, een holhoofdige schreeuwlelijk uit de stal van Goebbels? In dat geval zouden aan hem echter geen necrologieen zijn gewijd, dus moet hij meer in zijn mars hebben gehad.

Carl Schmitt was tijdens de Weimar-republiek de leidende staatsrechtgeleerde geweest, een man met grote politieke invloed. Gedurende de eerste vier jaren van het Derde Rijk had hij zijn juridische kennis in dienst van het Hitler-regime gesteld. Na de oorlog werd hij ontheven uit zijn academische functies en leefde en werkte hij in isolement. Als politiek theoreticus met een sterk historische en sociologische benadering werd hij echter, aanvankelijk vooral buiten Duitsland, steeds beroemder. Er ontstond een enorme hoeveelheid Schmitt-literatuur en door sommige politicologen en sociologen wordt hij in een adem genoemd met Machiavelli en Hobbes. In Nederland verwijst bijvoorbeeld een allesbehalve rechtse politieke theoreticus als Bart Tromp geregeld naar zijn werk.
Bij zijn dood was Schmitt een buitenstaander, maar eigenlijk was hij dat, als katholieke intellectueel van kleinburgerlijke en provinciale komaf, altijd al geweest. Zijn pogingen om door te dringen tot misschien niet het centrum dan toch wel tot ‘de voorhof van de macht’ hadden slechts tijdelijk succes, en resulteerden uiteindelijk in zijn diepe val. Symbolisch voor de buitenstaander Schmitt waren het begin en het einde: hij werd in 1888 geboren in het Sauerlandse dorpje Plettenberg, in 1985 stierf hij er.
Toch was hij allesbehalve een wereldvreemde dorpeling of een exentrieke kamergeleerde. Al tijdens zijn studentenjaren verkeerde de briljante jurist bij voorkeur in culturele kringen. De jonge Schmitt was een groot bewonderaar van de expressionisten. Zijn eerste grote essay handelde over de thans geheel vergeten dichter Theodor Daubler. Ook was hij enige tijd bevriend met de dadaist Hugo Ball. En Schmitt mocht dan katholiek, rechts, en contrarevolutionair zijn, dat sloot goede contacten of zelfs vriendschappen met linkse lieden als Ernst Niekisch, Walter Benjamin of Karl Korsch niet uit.
IN HET VOORJAAR VAN 1919 was Schmitt ambtenaar op de Stadtkommandantur van het door revolutionaire woelingen geteisterde Munchen. Nadat op 7 april de Radenrepubliek was uitgeroepen werd het gebouw waar Schmitt werkte, bestormd door linkse opstandelingen. Hij was er getuige van hoe een officier in koelen bloede werd vermoord. Op Schmitt, die wel in dienst maar niet aan het front was geweest, moet dit enorme indruk hebben gemaakt. Hij verklaarde later dat hij zich persoonlijk bedreigd had gevoeld. Niet voor niets hamerde hij er sindsdien altijd op dat de primaire functie van de staat de lijfelijke bescherming van de burgers is. Hiermee werd hij een volgeling van Hobbes, die aan dit recht op bescherming door de staat de plicht verbond om de overheid te gehoorzamen.
De staat nam in het denken van Schmitt een centrale plaats in. Nu stond de staat waarin hij daadwerkelijk leefde, de wankele en door niemand geliefde Republiek van Weimar, voortdurend ter discussie. Volgens Schmitt was het grote probleem van de Republiek dat niet duidelijk was bij wie of wat de soevereiniteit berustte. In theorie was er niets aan de hand: de soevereiniteit berustte bij de volksvertegenwoordiging, die handelde op basis van de grondwet. Schmitt zag echter dat de praktijk anders in elkaar zat. Hij had een scherp oog voor machtsverhoudingen en vernieuwde het staatsrecht met sociologische en politicologische inzichten. In 1923 publiceerde hij een brochure die ook buiten juridische kringen veel aandacht trok: Die geistesgeschichtlige Lage des heutigen Parlamentarismus. Het was een buitengewoon scherpzinnig en in feite zeer gemeen geschrift. Hij vergeleek immers de parlementaire praktijk met de theorie van de volkssoevereiniteit. Door voorbij te gaan aan de bijzondere omstandigheden waarin de Duitse republiek verkeerde, kon hij 'overtuigend’ aantonen dat in de moderne parlementaire democratie de volksvertegenwoordiging ongeveer alles vertegenwoordigde, behalve 'het volk’.
Maar hoe zat het dan met die soevereiniteit? Het was nooit Schmitts gewoonte om lang om de zaak heen te draaien. Zijn boek Politische Theologie (1922) opent dan ook met de zin: 'Soeverein is wie over de uitzonderingstoestand beslist.’ Schmitt onderbouwde dit filosofisch, waarbij hij teruggreep op onder meer Kierkegaard en Nietzsche, twee denkers bij wie het 'ogenblik’, het moment waarop beslist moet worden, een bijna mystieke betekenis had. 'Het normale bewijst niets, het uitzonderlijke bewijst alles (…). In het uitzonderlijke doorbreekt de kracht van het werkelijke leven het omhulsel van een door herhaling verstard mechaniek’, aldus Schmitt. En de titel van zijn boek wordt vooral duidelijk in de volgende zin: 'De uitzonderingstoestand heeft voor de jurisprudentie een analoge betekenis als het wonder voor de theologie.’ Zoals de soevereiniteit Gods zich openbaart in het wonder, zo openbaart die van de staat zich in de uitzonderingstoestand.
Minder wijsgerig komt het er natuurlijk gewoon op neer dat de staat alleen kan overleven als er de mogelijkheid is om de uitzonderingstoestand af te kondigen. Om de grondwet te beschermen kan het noodzakelijk zijn haar tijdelijk buiten werking te stellen. Evenals in de Romeinse republiek kan er voor bepaalde tijd een dictator optreden. Schmitt had reeds in Die Diktatur (1921) uitgewerkt hoe dit er voor Duitsland zou moeten uitzien. Voor hem ging de grondwet boven het parlement, zodat hij een fel tegenstander was van het omstreden artikel 76 uit de Weimar-grondwet, waarin stond dat het parlement met gewone meerderheid artikelen uit de grondwet kon amenderen.
Was nu de grondwet soeverein? Dat lag een beetje moeilijk, omdat een stuk papier moeilijk zelf de uitzonderingstoestand kan afkondigen, al stond die in artikel 48 keurig omschreven. Belangrijk was dat de grondwet beschermd moest worden, zodat de titel van Schmitts uit 1931 daterende boek luidde: Der Huter der Verfassung. En die beschermheer was niemand anders dan de Rijkspresident. Hiermee legitimeerde Schmitt dus het optreden van de oude Hindenburg en zijn voorganger, de sociaal-democraat Ebert. De laatste had maar liefst tweehonderd keer zijn toevlucht tot artikel 48 moeten nemen.
DE VRAAG DRINGT ZICH OP of Schmitt een antidemocraat was. Naar eigen zeggen was hij dat niet. Hij was tegen het parlementarisme, maar het begrip democratie verwierp hij niet. De invulling die hij daar aan gaf, stemt echter tot nadenken. 'Democratie is identiteit van heersers en overheersten, regeerders en geregeerden, van zij die bevelen en zij die gehoorzamen’, schreef hij in Verfassungslehre (1928). Kern van de democratie is dus de homogeniteit, het volstrekt samenvallen van staat en maatschappij. Met deze antipluralistische, antiliberale opvatting behoort Schmitt dus tot de vertegenwoordigers van wat de Israelische historicus Jacob Talmon de 'totalitaire democratie’ noemde. Overigens kent dit democratiebegrip ook een linkse variant: het marxisme!
In een van zijn belangrijkste geschriften, Der Begriff des Politischen (1928), noemt Schmitt het wezen van de politiek het onderscheid tussen vriend en vijand. In zijn opvatting van democratie is er dus geen ruimte voor critici, voor dissidenten. Wie niet voor ons is, is tegen ons. Democratie is bij Schmitt dus net zo'n abstract begrip als bijvoorbeeld de 'algemene wil’ bij Rousseau. Met werkelijke verhoudingen, met wensen en behoeften van de bevolking heeft het niets te maken, met dictatuur alles.
Omdat tijdens het presidentschap van Hindenburg de constitutionele crisis permanent was geworden, was Schmitt een warm voorstander van een presidentiele dictatuur. Hij werd een belangrijk adviseur van de tot Rijkskanselier benoemde generaal Von Schleicher. Van de nazi’s moest hij niets weten. Dat waren ordinaire plebejers en ze predikten de revolutie. Schmitt wilde juist de revolutie voorkomen, hij haatte de chaos en aanbad de orde. De bruine zondvloed was echter niet meer te keren en na de Machtubernahme door Hitler, toen de SA door de Berlijnse straten marcheerde en de bevolking geestdriftig de nieuwe machthebber binnenhaalde, zag Schleicher in wat er mis was gegaan. Toen hij Schmitt ontmoette begroette hij hem met: 'Herr Professor, dat is wat ons ontbrak, wij wekten te weinig enthousiasme.’
SCHMITT LEEK in februari 1933 ernstig buitenspel te staan. Het was de nazi’s vast niet ontgaan dat hij hen in zijn meest recente studie, Legalitat und Legitimitat (1932), op een lijn had gesteld met 'communisten, goddelozen en wat niet al’. Ook zijn connecties met Schleicher waren allesbehalve een aanbeveling. Voorlopig leken de nazi’s niet erg rancuneus en toen Schmitt na enig aarzelen besloot zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen, leek er geen vuiltje aan de lucht. Nadat in maart de 'machtigingswet’ door de geintimideerde Rijksdag was gejaagd, zag Schmitt mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van zijn oude droom: een autoritaire staat. Het mocht dan gepeupel zijn, die bruine horden, ze hadden wel mooi een einde gemaakte aan dat godvergeten parlementarisme.
De onvermoeibare Schmitt ging voortvarend te werk en schreef reeksen artikelen waarin het nieuwe regime van een staatsrechtelijk fundament werd voorzien. Om zijn goede wil te tonen strooide hij her en der ook nog wat antisemitisch kleingoed door zijn teksten, hem deels aangereikt door zijn Servische vrouw. Dieptepunt was het reeds genoemde artikel uit 1934, waarin hij de 'Nacht van de lange messen’, de moord op Rohm en het grootste deel van de SA-top, verdedigde. Zijn trouw aan de Fuhrer ging dus wel ver, aangezien tijdens dit bloedbad ook Schleicher en diens vrouw werden vermoord.
De nieuwe machthebbers toonden zich grootmoedig en gaven Schmitt eervolle functies. Tot het einde van 1936 was hij de meest vooraanstaande rechtsgeleerde, de Kronjurist van het Derde Rijk. Een hetze van de SS maakte een einde aan deze positie. Hij trok zich terug in zijn academische werk en bleef, zij het minder frequent, publiceren. Van zijn droom invloed uit te oefenen was weinig terechtgekomen.
IN DE ONSTUIMIG GROEIENDE berg Schmitt-literatuur is, hoe kan het anders, Schmitts nationaal-socialistische engagement een wederkerend thema. Een voor de hand liggende verklaring voor deze allesbehalve vanzelfsprekede stap, is natuurlijk opportunisme. Voor een deel speelde dit ook zeker een rol. Er zijn echter ook auteurs die de zogenaamde 'affiniteitsthese’ hanteren, dat wil zeggen dat ze trachten te traceren welke overeenkomsten er waren tussen het gedachtengoed van Schmitt en de nazi-ideologie.
In zijn vorig jaar verschenen dissertatie Der Fall Carl Schmitt beschrijft de jonge historicus Andreas Koenen Schmitt als een vertegenwoordiger van de zogenaamde katholieke 'Reichstheologie’. Dit was een politieke vertaling van de rooms-katholieke twee-rijkenleer, die inhield dat er twee societates perfectae zijn, te weten kerk en staat. Deze goddelijke ordening was evenwel verstoord door de opkomst van het liberalisme, die er een derde macht tussen had geschoven: de burgerlijke samenleving. Hierin konden ontbindingsverschijnselen als het kosmopolitisme, de vrijmetselarij, de Socialistische Internationale en het jodendom, die zich allemaal niets van de autoriteit van kerk en staat aantrokken, steeds verder voortwoekeren.
In hoeverre deze denkbeelden doorslaggevend zijn geweest bij Schmitts toenadering tot het nationaal-socialisme, is, zelfs na de bijna duizend bladzijden van Koenen, niet helemaal duidelijk. Volgens Kurt Sontheimer, eminent kenner van de antidemocratische stromingen in de Weimar-republiek, speelde die katholieke rijkstheologie echter helemaal niet zo'n grote rol in Schmitts denken (Die Zeit, 13 oktober 1995).
Toch wordt Schmitt door veel auteurs gezien als een belangrijke woordvoerder van de zogenoemde Konservatieve Revolution. Dit was een amalgaam van groepen en groepjes, denkers en denkertjes, kunstenaars en knoeiers, die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en die verachtelijke republiek van de Novemberverrater. Dit was geen reactionaire beweging van lieden die terugverlangden naar het Duitsland van voor 1918. De voosheid van die samenleving was immers door de Eerste Wereldoorlog genadeloos ontmaskerd. Het ging hier in feite om een beweging die aansloot bij de traditie van de contra-Verlichting, een traditie die terugging tot in de achttiende eeuw. Het was een aanval op de universele ideeen van de Verlichting, op de overtuiging dat de mens primair een rationeel wezen is, dat bovendien van nature goed is, een aanval op het idee van vooruitgang, op het geloof in de mogelijkheid tot perfectionering van mens en maatschappij. Kortom, het ging hier om een oorlogsverklaring aan het liberalisme.
In de negentiende eeuw waren Dostojevski en Nietzsche de meest vehemente en genadeloze critici van de burgerlijk-liberale cultuur geweest. Aan het eind van die eeuw ontstonden er echter in de meeste Europese landen intellectuele stromingen waarin die cultuurkritiek werd getransformeerd tot een rechtse politieke ideologie. Bovendien werd de aanval op de moderne samenleving gekoppeld aan een extreem nationalisme.
Een echte beweging werd de Konservatieve Revolution, voor het eerst zo genoemd door Arthur Moeller van den Bruck in 1906, pas na de verpletterende nederlaag van 1918. Hoewel de meeste auteurs deze Konservatieve Revolution op een verschillende manier afbakenen en vaak verschillende personen aanwijzen als de belangrijkste woordvoerders, en Stefan Breuer in 1993 een boek publiceerde waarin hij stelt dat het hier niet gaat om een historische realiteit maar om een constructie achteraf, was er toch werkelijk een stroming die allerlei vage, antimoderne ideeen op een revolutionaire dus gewelddadige wijze wilde verwezenlijken. Namen die in dit verband telkens opduiken zijn Moeller van den Bruck, Edgar Jung, Oswald Spengler, Ernst Junger en Carl Schmitt. Hoewel deze lieden hartstochtelijke vijanden van de eerste Duitse democratische staat waren, mag men ze niet zonder meer op een hoop vegen met Hitler en zijn trawanten. Bovendien was Schmitt enigszins een vreemde eend in deze bijt, aangezien hij revolutionair geweld verafschuwde. Eventueel gewelddadig optreden van het leger, onder een doortastend type als Schleicher, daar zou hij evenwel niets op tegen hebben.
De politicoloog Paul Noack, die een niet altijd even diepgravende maar wel zeer overzichtelijke en leesbare biografie van Schmitt heeft geschreven, somt een hele reeks factoren op die allemaal bijgedragen hebben tot diens bekering tot het nazisme. De nationale vernedering van 1918; de verkeerde inschatting dat het Derde Rijk zou lijken op zijn eigen ideeen over een sterke staat; de kans om de rol van buitenstaander te verwisselen voor die van invloedrijk adviseur; vrienden die ook de rechterarm strekten; de hoop invloed uit te kunnen oefenen; en tot slot een antidemocratische en antisemitische erfenis uit zijn katholieke jeugd. Maar het belangrijkste is volgens Noack dat Schmitt zich als vertegenwoordiger van het 'Rijk van de Geest’ oneindig superieur voelde aan de beweging die hij besloot te dienen. In zijn jonge jaren had hij een flinke tik van Hegel gekregen en sindsdien geloofde hij dat, hoe beroerd de wereld en de mensen ook waren, eens de Geest zou heersen. Schmitt was een typische intellectueel. Hij las of hij discussieerde - met andere zaken hield hij zich niet bezig. In het huishouden heeft hij nooit een poot uitgestoken en als zijn door hem aanbeden dochtertje op schoot kroop, keek hij hulpeloos naar het kamermeisje in de hoop dat zij het kind tactvol zou afvoeren.
SCHMITTS WERK MUNT UIT door scherpe formuleringen en glasheldere begrippen. Sommigen noemen hem een Begriffsmagier, een goochelaar met definities. Met zijn fraaie begrippen, glasheldere analyses en adembenemende abstracties mag Schmitt als politiek theoreticus en rechtsgeleerde dan zeer belangrijk zijn geweest, in de praktijk sloeg hij de plank op een zeer pijnlijke wijze mis. Want als iets opvalt in het werk van Schmitt, dan is het dat het altijd om grootse begrippen en abstracties gaat: staat, natie, uitzonderingstoestand, Gro>p112<raum, vriend-vijand, de politiek etcetera. Over individuen, over concrete mensen, over de gevolgen van al die staatsrechtelijke constructies en politieke theorieen ging het nooit bij Schmitt. Hoe bedenkelijk dat was, bleek in 1933. En het bleek ook uit Schmitts reactie op de denazificatie: 'De misdaden tegen de menselijkheid worden door Duitsers gepleegd. De misdaden voor de menselijkheid tegen Duitsers. Dat is het hele verschil.’
Hoewel Schmitt na de oorlog niet echt te klagen had over belangstelling, is zijn ster vooral na zijn dood pijlsnel gestegen. Het gaat hierbij niet alleen om aandacht uit de wetenschappelijke hoek, waar men steeds minder bang wordt om zich met zijn 'besmette’ werk bezig te houden, maar Schmitt is na de ineenstorting van het communisme zelfs het intellectuele boegbeeld van een nieuwe generatie rechtse intellectuelen geworden. Kringen van de zogenaamde Neue Rechte en hun weekblad Junge Freiheit beschouwen zich de erfgenamen van de vooroorlogse Konservatieve Revolution, en vooral Schmitt geldt als hun grote held. Een sterke staat, de leidende rol van Duitsland in Midden-Europa, de droom van een herlevend Reich - voor dat alles kan men bij Schmitt terecht. Over zijn nationaal-socialistische engagement wordt nogal luchthartig gedaan, en bovendien: was hij na 1945 zelf ook niet het slachtoffer van vervolging geweest, net zoals het gehele Duitse volk?
Men ziet, onvoldoende gevoel voor de juiste verhoudingen, voor de menselijke maat, is blijkbaar ook erfelijk.
A. Koenen, Der Fall Carl Schmitt: Sein Aufstieg zum 'Kronjuristen des Dritten Reiches’. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt 1995, 979 blz., DM 128; P. Noack, Carl Schmitt: Eine Biographie. Ullstein, Frankfurt/M-Berlin 1996, 360 blz., DM 26,90.