Great Soul, Mahatma Gandhi and his Struggle with India

De grote ziel ontheiligd

In zijn biografie Great Soul ontsluit Joseph Lelyveld interessant nieuw materiaal over Mahatma Gandhi. Zijn boek werd slecht ontvangen. Achter de barmhartige leider zou een racist schuilen, een manipulator, een homo.

Joseph van Lelyveld, Great Soul, Mahatma Gandhi and his Struggle with India, € 25,95

Medium greatsoul gandhi

De eerste premier van het onafhankelijke India was een man van de wereld. Jawaharlal Nehru deelde tijdens de onafhankelijkheidsbesprekingen met de laatste Britse onderkoning Mountbatten herhaaldelijk het bed met diens vrouw. Ontrouw was in haar kringen volkomen aanvaard, mits men de goede smaak in acht nam en de rijzige, elegante intellectueel Nehru was een toppunt van goede smaak. Met de cynische, kettingrokende leider van de moslimminderheid, de oudere Mohammed Jinnah, kon zij het minder goed vinden, al had ook hij een onmiskenbare charme.

Alleen met de onooglijke en toch zo imposante verschijning van Mohandas Karamchand Gandhi wist zij niet goed raad. Dat gold ook voor het kleine kringetje van Indiase leiders. Zodra de Mahatma (‘Grote ziel’, de eretitel die dichter Rabindranath Tagore hem gaf) binnenkwam, viel er een eerbiedige stilte in kamers en wandelgangen. Wanneer hij sprak, leek het soms alsof heel India zijn stem verhief. Op andere momenten leek hij een giechelende idioot. Dan verkondigde hij op luide toon dat zaadlozingen lichaam en geest verzwakken en dat hij, zijn familie en al zijn volgelingen daarom celibatair waren. Hij onderbrak vergaderingen en tafelgesprekken om met de zelfverzekerdheid van de autodidact onzinnige pleidooien te houden voor karig voedsel, klysma’s en een punctuele stoelgang omdat men zijn lichaam ‘niet aan genot moet wennen’. Hem zou Lady Mountbatten, zoals de zegswijze gaat, nog niet met een vaarboom hebben aangeraakt. Maar als hij er niet was geweest, had manlief nooit met Nehru moeten onderhandelen.

Na meer dan vijftig jaar is het nog steeds niet eenvoudig om de idiosyncratische leefwijze en de enorme politieke impact van Gandhi (1869-1948) te doorgronden en met elkaar te rijmen. Joseph Lelyveld, gewezen redacteur van The New York Times en Pulitzerprijswinnaar, ontsluit in Great Soul: Mahatma Gandhi and His Struggle with India interessant nieuw materiaal. Helaas is zijn boek al meteen zeer slecht ontvangen. ‘Gandhi verliet zijn vrouw voor een mannelijke minnaar’, riep de Britse Daily Mail. ‘Gandhi had racistische afkeer van Zuid-Afrikaanse zwarten’ kopte The Telegraph. Het mocht niet baten dat Lelyveld in een haastige persverklaring ontkende dat al dat moois in zijn boek staat. Nog voordat het in India in de schappen lag, was het al verboden in de deelstaat Gujarat en hadden Indiase historici en nazaten van Gandhi op hoge toon Lelyvelds ‘sensationalisme’ veroordeeld. De auteur gaat inderdaad niet vrijuit, maar om dat te kunnen beoordelen zouden de dames en heren het boek toch eerst moeten lezen.

Lelyveld behandelt voor de verandering niet de Indiase hoogtijperiode van Gandhi, maar zijn vormende jaren in Zuid-Afrika. Hij raakte er als jonge, ambitieuze advocaat in 1893 verzeild omdat een Indiase moslim in Durban hem verzocht te bemiddelen in een handelsgeschil. Het virulente, van hogerhand aangemoedigde racisme in de kolonie was zelfs voor een Indiër een ijskoud stortbad. Binnen 24 uur werd hij al uit een trein gegooid omdat een Britse reiziger geen ‘koelie’ in de coupé verdroeg. Maar voor Gandhi was de etnische verdeel-en-heerspolitiek van de Britten geen nieuws, schrijft Lelyveld. Wat hij in Zuid-Afrika voor het eerst onderkende, was dat de Indiase gemeenschap zelf ook zulke onderdrukkingsmechanismen had.

Kort gezegd poogt Lelyveld in dit boek te verklaren waarom Gandhi tijdens een bezoek aan Calcutta in 1901 een waarlijk revolutionaire daad stelde. Hij woonde er een bijeenkomst bij van de Congrespartij, een marginaal gezelschap dat ijverde voor een vrij, democratisch India. Intussen deden die heren, allen uit hogere kasten, op traditionele wijze links en rechts hun behoefte in de veronderstelling dat onaanraakbaren, de kastelozen van India die het zwaarste en vuilste werk deden, die wel zouden opruimen. Tot hun verbijstering pakte de tengere Zuid-Afrikaanse balling die tot dan toe niemand was opgevallen ostentatief een bezem en begon de troep aan te vegen. Het was het begin van Gandhi’s campagne voor verheffing van de onaanraakbaren. Later zou hij er een gewoonte van maken om samen met onaanraakbaren te eten en bij toerbeurt met hen de latrines in zijn ashram te lichten.

Het Zuid-Afrikaanse racisme wekte aanvankelijk alleen zijn persoonlijke weerzin op. Zijn sarcastische protestbrieven in Zuid-Afrikaanse kranten waren stilistische juweeltjes en toen hij eenmaal de aandacht op zich had gevestigd, ontdekte hij dat hij ook aanzienlijke leiderskwaliteiten bezat. Gandhi zou 21 jaar in Zuid-Afrika doorbrengen. Bijna een half mensenleven, gevuld met protesten, rechtszaken en geweldloze campagnes voor gelijke rechten voor de Indiase gemeenschap. Hij bracht daartoe arm en rijk, moslim en hindoe bij elkaar, maar de ‘brute, onmondige’ koelies hield hij bewust buiten zijn beweging.

Die koelies (‘dragers’) waren niet toevallig Indiase onaanraakbaren die met een wurgcontract naar Zuid-Afrika waren gelokt. Niets duidt erop dat Gandhi ‘hun vreugden en zorgen van nabij leerde kennen’, zoals hij claimt in Mijn experimenten met de waarheid, de autobiografie die hij op het eind van zijn leven in feuilletonvorm dicteerde. Volgens Lelyveld bevatten die memoires heel wat ‘squishy history’ waarover straks meer. Gandhi was juist diep gekwetst door het feit dat alle Indiërs in blanke ogen onaanraakbaar waren. Totdat een commentaar in een Indiase krant hem de ogen opende. Waarom, vroeg de auteur, zouden wij de Britten iets verwijten waaraan wij Indiërs ons evengoed schuldig maken? De lectuur van Tolstoj en Ruskin bracht hem op het idee dat nederige, lichamelijke arbeid het beste tegengif was tegen de ‘kaste-tirannie’, zoals hij het verschijnsel ging noemen, al duurde het jaren voordat hij zelf een latrine durfde schoonmaken. Door het prisma van Zuid-Afrika leerde Gandhi kritisch naar India en vervolgens naar zichzelf kijken.

Lelyveld is een bewonderaar van Gandhi, schrijft hij, maar zijn boek bevat veel terzijdes waarin Gandhi schijnbaar achteloos wordt afgeschilderd als een opportunist, racist, ijdeltuit, impotente zuurpruim en manipulator. Dat is niet altijd terecht en het maakt een onwaarachtige indruk. Lelyveld vermeldt bijvoorbeeld hoe Gandhi omging met de flatteuze biografie die in 1908 van hem werd gemaakt door de Britse zendeling Joseph Doke. Gandhi kocht de hele eerste druk op, zogenaamd ‘om Doke een fiasco te besparen’, maar in werkelijkheid om de boekjes op te sturen naar Britse parlementsleden en Indiase bekenden. ‘We kunnen Doke niet kwalijk nemen dat het een soort heiligenleven was, want zo was de stijl van die tijd’, besluit Lelyveld: ‘Evenmin kunnen we Doke kwalijk nemen dat Gandhi de marketing op zich nam.’ Daar laat hij het bij, zodat de lezer de indruk krijgt dat we Gandhi zelf iets kwalijk moeten nemen.

Een gewaarschuwd lezer kan zonder moeite verzachtende omstandigheden aanwijzen voor Gandhi’s ogenschijnlijke ijdeltuiterij. Hij had als eerste van de Modh Bania, een subkaste van handelaren, een groot taboe doorbroken door in Londen rechten te gaan studeren. De kaste-ouderen hadden hem in een donderpreek te verstaan gegeven dat het oversteken van de ‘zwarte zee’ verstoting betekende. Gandhi had hen beleefd bedankt en toch de boot naar Engeland genomen. Zeer waarschijnlijk wilde hij met behulp van Doke’s boekje aan zijn familie en kennissen bewijzen dat hij de goede keuze had gemaakt en een man van aanzien was geworden. Dat hij het ook in Londen liet verspreiden is te verklaren als een poging om de Britse wetgevers iets serieuzers voor te schotelen dan de neerbuigende berichtjes over Zuid-Afrikaanse Indiërs in The Times.

In het lot van de zwarte meerderheid verdiepte hij zich niet. Lelyveld vermeldt dat Gandhi bij zijn eerste arrestatie klaagde dat hij tussen ‘kaffers’ werd opgesloten en dat hij die term vaker gebruikte. De jonge Indiase kleinburger met zijn gesteven boordje en perfecte Engelse tongval zag de ‘indolente, vleesetende’ zwarten amper als menselijke wezens. ‘Ik schrijf nergens dat Gandhi een racist was’, zegt Lelyveld in zijn persverklaring. Het staat er inderdaad niet met zoveel woorden, maar Gandhi was wel degelijk een racist, dus waarom zegt hij dat niet gewoon? Hij schrijft immers ook dat Gandhi in latere geschriften en uitspraken poogde zijn racistische verleden ‘op te schonen’? De redelijkste verklaring daarvoor is overigens dat Gandhi zich veertig jaar na dato eenvoudig niet meer kon voorstellen dat hij er ooit zo over dacht. In de late negentiende eeuw was zijn racisme waarachtig geen uitzondering. Het uitzonderlijke was dat hij zich eraan ontworstelde. Het kostte hem vijftien jaar, zegt Lelyveld, om in te zien dat ‘kaffer’ even kwalijk was als ‘koelie’. Maar hij zag het tenminste in.

De veronderstelling omtrent zijn homoseksualiteit berust op de aanminnige brieven die Gandhi schreef aan Hermann Kallenbach, een Duits-joodse architect uit Johannesburg bij wie hij enige jaren logeerde en met wie hij een tolstojaanse commune opzette. De these kan verklaren waarom Gandhi celibatair werd, zijn gezin vaak in de steek liet en laatdunkend sprak over de fysieke liefde tussen man en vrouw. Maar zoals gezegd verafschuwde hij alle vormen van fysiek genot. Waren zijn gevoelens voor Kallenbach dan zuiver platonisch? Het is onmogelijk met zekerheid te zeggen.

In theosofische kring was het aanbidden van andermans zuivere ziel soms een ‘ongevaarlijke’ vervanging voor homoseksualiteit, die in de laat-Victoriaanse koloniale maatschappij niet bespreekbaar was. Maar niet al zulke aanbidding was noodzakelijkerwijs homoseksueel. Zo goed als Lelyveld weet dat Doke’s hagiografische stijl tijdgebonden was, zo moet hij ook weten dat de geëxalteerde toon van Gandhi’s krabbels heel goed een anachronistische blik op onze gaydar kan zijn. De twee bespraken in hun brieven juist voortdurend manieren om de seksuele drift te beteugelen, een specialiteit die Kallenbach overnam van Gandhi. ‘Ik heb sinds achttien maanden mijn seksleven opgegeven’, schreef hij aan Duitse vrienden. Er is hoe dan ook geen bewijs dat ze ooit de liefde bedreven. Dat is eigenlijk jammer, al is het maar omdat de Indiërs die nu op hun achterste benen staan toch eens met hun homohaat in het reine zullen moeten komen.

Gandhi maakte dan wel latrines schoon, maar hij ‘ontdekte’ de onaanraakbaren zelf pas aan het eind van zijn Zuid-Afrikaanse verblijf. Zijn protestbeweging was verlopen en hij wanhoopte bij het vooruitzicht naar India te moeten terugkeren als een mislukkeling. In arren moede nam hij de leiding op zich van een reeds uitgebroken koeliestaking in Natal. Uit opportunisme, insinueert Lelyveld. Vooruit, maar het was wel een productief opportunisme. Vierduizend man verlieten onder zijn leiding de mijnen, plantages en spoorlijnen in aanbouw en lieten zich door de politie in elkaar slaan tot de agenten er buiten adem de brui aan gaven. Gandhi ervoer welk een momentum de grote massa kon geven aan zijn tot dan zeer elitaire leer van militante geweldloosheid. ‘De armen hebben geen angst’, zou hij in zijn autobiografie schrijven.

Het feit dat hij als eerste Indiase leider een heuse volksbeweging had aangevoerd bezorgde Gandhi veel prestige. Eenmaal in India trachtte hij ook daar het leiderschap van de onaanraakbaren naar zich toe te trekken, maar hun echte vertegenwoordiger, de onaanraakbare advocaat Babasaheb Ambedkar, stak daar een stokje voor. Ambedkar zette zich openlijk af tegen de ideologie achter het kastestelsel, het hindoeïsme. Die stap was ondenkbaar voor Gandhi die zich juist tooide met de stok, de lendedoek en het aura van de sanyasi (‘heilige pilgrim’) om de hindoe-meerderheid te kunnen mobiliseren. Zo succesvol als hij daarin was, zo gedoemd waren zijn campagne voor religieuze verzoening en zijn campagne tegen de onaanraakbaarheid. Zijn ideeën, zijn hongerstakingen, ja zijn hele habitus werden door moslims en onaanraakbaren gezien als even zovele uitingen van hindoe-extremisme.

Doordat Lelyveld afwisselend eerbiedig en onwaarachtig over zijn onderwerp schrijft, lijkt het alsof Gandhi’s integriteit voortdurend op het spel staat. Jammer, want daardoor missen zelfs recensenten van toonaangevende bladen de portee van zijn boek. Lelyveld haalt Gandhi heus niet omlaag, stelt Anita Desai in een vergoelijkende bespreking in The New York Review of Books. Volgens de Indiase schrijfster toont Lelyveld hem als ‘een gedreven mens met al zijn gebreken en zwakheden’, maar laat hij Gandhi in zijn waarde als visionair, als de man ‘die ons een inspirerend model van geweldloze revolutie schonk, zowel op het grote politieke vlak als op het persoonlijke en huiselijke vlak’. Gandhi stelde bijna onmogelijke eisen, erkent Desai, maar ‘deed zelf zijn uiterste best om eraan te voldoen’.

Lijnrecht hiertegenover staat het oordeel van de conservatieve Britse historicus Andrew Roberts, auteur van een indrukwekkende serie boeken over de Tweede Wereldoorlog. In een recensie in The Wall Street Journal stelt hij dat de Mahatma ‘een seksuele griezel, een politieke knoeier en een fanatieke maniak was die zich wreed gedroeg jegens mensen om hem heen. Gandhi was de archetypische twintigste-eeuwse progressieve intellectueel die liefde voor de mensheid veinsde terwijl hij in wezen mensen verachtte.’ Gandhi’s vermeende successen wegen daartegen niet op, schrijft Roberts: ‘Van zijn vier grote campagnes – voor verzoening tussen hindoes en moslims, tegen de import van Brits textiel, voor afschaffing van de onaanraakbaarheid en voor het verjagen van de Britten – slaagde alleen de laatste, en dat enkel omdat de bankroete Britten onder leiding van de anti-imperialist Clement Attlee na een verwoestende wereldoorlog hoe dan ook India wilden verlaten.’

Zeker, de barmhartige, vrijgevige leider Gandhi kon in kleine kring op het onmenselijke af intolerant, onverschillig of fanatiek zijn. Niemand was veilig voor zijn dwingend oog en vervaarlijke verstervingswoede. Hij hongerstaakte tegen partijgenoten, afgedwaalde volgelingen en zelfs tegen zijn familieleden als ze iets deden wat hem niet zinde. De hele mensheid was immers zijn familie? Zijn vrouw en kinderen moesten niet denken dat ze iets bijzonders waren. Maar geldt die tegenstelling tussen privé-leven en publiek persona alleen voor ‘progressieve’ leiders, zoals Roberts beweert? Een historicus uit een land waar meer dan één conservatieve politicus naakt en levenloos aan een wurgkoordje in de kast is gevonden, zou beter moeten weten.

Desai wil op haar beurt niet inzien dat Gandhi’s maatschappelijke opvattingen een uitvergroting van zijn particuliere obsessies waren. Steeds wist hij die om te zetten in kernbegrippen – bramacharya (‘kuisheid’), ahimsa (‘geweldloosheid’), satyagraha (‘vasthouden aan de waarheid’) – die bij de eeuwenoude hindoeïstische traditie aansloten terwijl hij er zelf quasi de belichaming van was. Daarom maakten zijn ‘gebreken en zwakheden’ zulke ongekende krachten los in de Indiase samenleving. Dat hij in Zuid-Afrika voor ‘koelie-advocaat’ werd uitgemaakt deed de jonge Gandhi schuimbekken van gekrenkte trots. Lelyveld laat zien hoe hij die woede intellectueel sublimeerde en ten slotte als leider productief maakte. Dat vermogen had hij van jongs af aan. Het begon al met zijn bekering tot het vegetarisme. Nadat Gandhi op zijn achtste stiekem geitenvlees had gegeten, was hij dagen achtereen doodziek. Hij droomde dat de geit levend in zijn maag spartelde en nam zich voor nooit meer vlees te eten. In de loop der jaren kreeg ook dat besluit een ideologische dimensie: hij verklaarde de overheersing van India door de Britten uit het feit dat zij vlees aten. Die slogan, hoe onnozel ook, sloeg aan bij miljoenen ongeletterde Indiërs die zich geen vlees op tafel konden veroorloven.

Roberts heeft gelijk dat Groot-Brittannië in 1945 oorlogsmoe was, maar de Britten hadden nog lang in India kunnen blijven, net als de Fransen in Indo-China. Zo anti-imperialistisch was Clement Attlee ook weer niet. De socialistische premier ging akkoord met de Indiase onafhankelijkheid, niet met die van andere Britse koloniën in Azië of Afrika. Het verschil, zo benadrukte Attlee als vice-premier onder Churchill al in 1942 in een memorandum, was dat het Britse bewind in India moreel onhoudbaar was geworden. Gandhi’s opzet – door lijdzaam verzet eerst de Indiase bevolking mobiliseren, dan de wereldopinie overtuigen en langs die omweg de Britse opinie vermurwen – had feilloos gewerkt. Maar hij kon geen ijzer met handen breken. De verheffing van de onaanraakbaren laat nog altijd op zich wachten.