Menno Hurenkamp

De gulp van De Graaf

Het PvdA-Tweede-Kamerlid John Leerdam wil een voorbeeld zijn voor de zwarte gemeenschap in Nederland. Hij wil de zwarte jongeren en ouderen de maatschappij in trekken en is ervan overtuigd dat zijn onconventionele manier van politiek bedrijven hem helpt dat voorbeeld te zijn. Zijn onconventionaliteit betekent onder meer dat hij verklaart dat hij onder anderen minister van Binnenlandse Zaken Thom de Graaf geil vindt. Dat verklaart Leerdam in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Wat de ratio precies is achter deze stellingname blijft onduidelijk, maar je kunt er allicht een verlangen naar openheid en onderscheiding in lezen, waartoe Leerdam mogelijk door het succes van Pim Fortuyn is geïnspireerd. Het Tweede-Kamerlid heeft genoeg ervaring met de media om te weten dat hij de cover wel haalt als hij over seks in de politiek praat en waarschijnlijk niet als hij zijn standpunt over Antillianen uiteenzet. Dus dan maar hopen dat achter het golfje aandacht voor het geilen op De Graaf ook zijn ideeën over etnische gemeenschappen in Nederland een plek krijgen.

Vervolgens liet nog een politicus zich deze week uit over seks: de katholieke ontwikkelingsminister Van Aardenne nam ruim afstand van de paus door de herhaalde afwijzing van condoomgebruik en het door de kerk verspreide verhaal dat condooms niet helpen tegen aids «gevaarlijk» te noemen. Is het een wonder boven wonder dat de CDA-politica van allerlei kanten bijval en van sommige kanten afkeuring krijgt, dat ze dus een kleine maatschappelijke discussie heeft veroorzaakt, en dat op het betoog van Leerdam alleen wat schouderophalen volgde? Niet echt. Van Aardenne ageert tegen een deel van haar eigen achterban, ze verwoordt een onder haar kiezers levende twijfel over de macht van Rome en neemt daar krachtig stelling in.

Thom de Graaf een geile jongen en de paus een foute man. Het zijn beide uitspraken waar het persoonlijke in de politiek sterk naar voren komt, maar de vergelijking laat nog eens goed zien hoe ver de progressieven tegenwoordig van huis kunnen raken. Leerdam is niet dom. Als een van de weinigen in Den Haag weigert hij zich te laten verleiden om mee te gaan in de waan van de dag over migranten en heeft hij terecht geen zin om met meel in de mond te praten. Maar de keus om te koketteren met het feit dat hij eigenlijk best een rare jongen is, volgt niet logisch op de weigering bureaucratische praat uit te slaan. Er zit wel wat licht tussen de gulp van De Graaf en een onbegrijpelijk parlementair verhaal over onterechte amendementen op onterechte moties. En doordat zijn opmerkingen niet worden verbonden aan problemen van het dagelijks leven blijven ze ongevaarlijk.

Zo onthoudt Leerdam zich bewust of onbewust van een onderscheidend betoog ten opzichte van de heersende politiek. Hij valt liever op met zijn smaak. Dit in tegenstelling tot Van Aardenne, die zich vrij rechtstreeks waagt aan een debat, nota bene over de seksuele moraal, het onderwerp waarbij de conservatieven en fanatieke moslims elkaar de hand kunnen reiken. Typerend genoeg laat de progressieve oppositie in al haar aarzelingen het organiseren van botsingen in het kamp van de tegenstander over aan de opponenten zelf.