Het vergezicht van de Partij voor de Dieren

De haas in de wedstrijd

Marx zou de Partij voor de Dieren ‘zinloos moralistisch’ gevonden hebben en nog steeds weet links, geobsedeerd door economische groei als het is, zich geen raad met het ecologisch alarmisme van Marianne Thieme.

Campagneposter van Partij voor de Dieren in Utrecht, 2017 © Robin Utrecht / ANP

Op een kennismakingsbijeenkomst van de nieuw gekozen Eerste Kamer in 2015 vroeg een net aangetreden d66-senator aan Niko Koffeman, fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren: ‘En, van welke partij bent u, als ik vragen mag?’ Na Koffemans antwoord reageerde hij afgemeten: ‘Ik heb helemaal niets met dieren.’ Koffeman repliceerde: ‘En, heeft u wel iets met het getal 66?’

De reactie van de d66’er is tekenend voor het ongemak dat de Partij voor de Dieren bij buitenstaanders kan oproepen. Op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen eind maart werden de nos-commentatoren giechelig over de winst die de partij had geboekt, ook in de grote steden. Nu ja, zei de een, Amsterdam is de stad van Artis. De ander vermoedde een verband met het feit dat er in Den Haag ‘heel veel katten’ wonen. Wat hen betreft was het fenomeen daarmee voldoende geduid en konden ze overgaan tot het gebruikelijke in- en uitpraten dat op verkiezingsavonden op tv voor analyse doorgaat.

De meewarigheid over de Partij voor de Dieren kan ook trekken van wrevel aannemen: wat hebben dierenliefhebbers in de politiek te zoeken? In de karikaturale versie die van de partij wordt geschetst duiken al gauw de geijkte voorbeelden van zonderling fanatisme op, zoals dat van het standje dat president Obama vanuit Nederland kreeg toen hij met een welgemikte klap een vlieg uitschakelde. Even gedreven door blinde ijver is partijveteraan Hans Bouma, ‘veganistisch theoloog’, die zeker weet dat er een ‘wereldwijd industrieel complot’ tegen de dieren is gesmeed en die tweeduizend jaar na dato betreurt dat Jezus vis en vlees at: ‘Ik had dat graag anders gezien.’

Voorbeelden als deze zijn niet zelden een alibi om de Partij voor de Dieren af te doen als een club zeloten die geen serieuze aandacht waard is. Het is opvallend hoe weinig journalistieke nieuwsgierigheid zij heeft gewekt sinds haar intrede in het parlement in 2006: je moet diep in de krantenarchieven spitten om grondige analyses of beschouwingen over de partij te vinden. Voor Ewald Engelen, actief partijlid, was die gebrekkige aandacht aanleiding om in zijn column in De Groene Amsterdammer de parlementaire journalistiek ‘een brevet van onvermogen dat zijn gelijke niet kent’ uit te reiken.

Nu moet gezegd: de Partij voor de Dieren is ook moeilijk in het politieke landschap te lokaliseren. Vanwege haar activisme en haar antikapitalisme wordt ze in de publieke opinie doorgaans met links geassocieerd. Niettemin was zij voor zowel Paul Cliteur als Frank Ankersmit, spijtoptanten van de vvd, een tussenhalte op weg naar de partij van Thierry Baudet en haar haatdragende nationalisme. Dus waar staat de Partij voor de Dieren nu precies?

Over de pvdd zijn twee verhalen te vertellen. Het ene is dat over een partij die vanzelfsprekendheden ter discussie stelt en je aan het denken zet, over een cultuur waarin mensen over dieren mogen beschikken als leveranciers van voedsel en plezier, maar ook over ingesleten leefpatronen en eetgewoontes, over de functie die een compromisloze tegenpartij in het Nederlandse bestel heeft, over het primaat van de economie in de politiek en over het probleem dat links heeft door zijn afhankelijkheid van economische groei.

Van Dion Graus-achtig sentimentalisme over dieren moet partijleider Marianne Thieme niets hebben. Ze is niet van het type dat voor ‘elke duif een truitje wil breien’, zegt zij daar zelf over. Thieme krijgt regelmatig voor de voeten geworpen dat zij een ‘soortverrader’ is die ‘niet van mensen houdt’. Zij raakt klaarblijkelijk een gevoelige snaar als zij voor de rechten van dieren opkomt en aan de orde stelt of het nu echt zo vanzelfsprekend is dat ‘de welvaart van mensen boven het welzijn van dieren’ gaat. Met haar inzet voor dierenrechten wil Thieme een stem geven aan een zwakkere, onderliggende groep die zelf van nature geen stem heeft en van mensen afhankelijk is om haar die te geven. In die zin is haar partij een emancipatiebeweging: ze zet zich in voor meer rechten voor een gedepriveerde groep. ‘De zwaksten te beschermen tegen het vermeende recht van de sterksten’, zegt ze zelf over haar politieke motivatie.

‘Konden we maar meer voelen wat wij dieren aandoen, dan zouden wij met meer mededogen leven’

Thieme eindigt elke bijdrage aan een Kamerdebat steevast met de Cato-achtige uitspraak: ‘Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.’ Het belangrijkste doelwit van haar partij is, in haar woorden: ‘De exploitatie van dieren op industriële schaal’, die het platteland heeft gedegradeerd tot een ‘eentonige, grootschalige landbouwwoestijn’ waarin armzalig productiegras ons wordt aanbevolen als ‘grazige weiden’.

In de visie van de pvdd heeft een verhoogd bewustzijn van de relatie die mensen met dieren onderhouden consequenties voor de omgang met anderen, ook met mensen die jou vreemd zijn, die je niet kunt verstaan, maar tegen wie geen enkel rationeel argument is in te brengen om hen als jouw minderen te behandelen. Een respectvolle omgang met dieren, is de redenering, verhoogt het bewustzijn van waarden die in menselijke relaties van belang zijn, zoals inlevingsvermogen en mededogen.

‘Konden we maar meer voelen wat wij dieren aandoen, dan zouden wij met meer mededogen leven’, zegt Thieme. ‘Je kunt niet hopen op een vreedzame samenleving als je onschuldige wezens behandelt alsof je volledig over ze mag beschikken. Alle levende wezens, niet alleen de mensen, hebben een eigen recht om er te zijn. Het maakt eigenlijk niet uit vanuit welke levensbeschouwing je dat bekijkt. Bezien vanuit de gedachte dat het leven een product is van het toeval is het vreemd om jezelf boven de andere soort te stellen. Ik zou werkelijk niet weten op basis van welke criteria je dat dan kunt doen. Maar als je niet de evolutie als uitgangspunt neemt, maar de religieuze idee dat er een hogere intelligentie is die dit alles heeft geschapen, ook dan heb je een verantwoordelijkheid voor al het leven. Ik denk dat daarom zo veel verschillende mensen zich tot de Partij voor de Dieren aangetrokken voelen, van conservatief tot socialistisch, van liberaal tot christelijk.’

Als voorbeeld noemt ze de verkiezingen waarbij Jan Wolkers en Paul Cliteur tegelijkertijd lijstduwers van de pvdd waren. ‘Wolkers was afkomstig van de communistische partij, Cliteur vond zelfs de vvd nog gevaarlijk links.’

De Canadese politiek filosoof Will Kymlicka, lijstduwer voor de pvdd bij de Europese verkiezingen van 2014, is een invloedrijke intellectueel in kringen van de pvdd. Vooral Zoopolis: A Political Theory of Animal Rights, dat hij schreef met zijn collega en levenspartner Sue Donaldson, wordt veel gelezen. Kymlicka en Donaldson betogen dat ‘links’ een blinde vlek heeft voor dierenrechten, eigenlijk al sinds de dagen van Marx. De grondlegger van het communisme sprak minachtend over de dierenrechtenbeweging van zijn tijd: in zijn lijst van ‘zinloze moralistische campagnes’ namen de leden van de Engelse bourgeoisie die wreedheid tegen dieren aan de kaak stelden een prominente plaats in.

Marx meende dat de intrinsieke waarde van de mens geheel voortkomt uit wat hem onderscheidt van het dier: zijn vermogen om de wereld naar zijn hand te zetten. Hoewel dat voor links met zijn maakbaarheidsideaal een aantrekkelijke gedachte is, werkt een consequente toepassing van deze opvatting praktijken in de hand die het juist zegt te willen bestrijden. Als iemand hoger wordt gewaardeerd naarmate hij beter in staat is beschikkingsmacht over zijn omgeving uit te oefenen, is het logisch aan de hand van die maatstaf ook tussen mensen onderscheid te maken. Zo ontstaat een wereld waarin mannen al gauw boven vrouwen worden gerangschikt, gezonde mensen boven gehandicapten, bevoorrechte individuen boven outsiders. En gemeten naar dezelfde maatstaf ligt het evenzeer voor de hand de intensieve landbouw, die met inzet van kunstmest en insecticiden alles uit de grond haalt wat erin zit, voor te trekken boven de biologische, die de grond wil sparen en daarvoor lagere opbrengsten op de koop toe neemt.

Marianne Thieme en Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer, 2013 © Peter Hilz / HH

Volgens Kymlicka en Donaldson is links inmiddels wijzer, mede dankzij de voortrekkersrol van het feminisme, het multiculturalisme en andere strijdbewegingen voor sociale rechtvaardigheid. Voor de rechten die iemand heeft maken zijn capaciteiten niet uit. Daarmee vervalt de theoretische grond onder de redenering dat mensen boven dieren zijn verheven dankzij hun vermogen de wereld naar hun hand te zetten. Nu het rechtsstatelijke denken zich in deze richting heeft ontwikkeld, concluderen Kymlicka en Donaldson, zouden ook de dierenrechten deel moeten uitmaken van de linkse idee van sociale rechtvaardigheid. Niettemin zit die blinde vlek er nog steeds, constateren ze: ‘Dierenrechten zijn het weeskind van links.’

Marianne Thieme: ‘Een partij als de onze is de volgende stap in de emancipatiebeweging, zegt Kymlicka eigenlijk. Ik voel me erg thuis bij dat idee. Aan de reacties zie je hoe dringend noodzakelijk die volgende stap is. Van links tot rechts krijgen wij dat verwijt van soortverraad, tot vervelens toe, hoe vaak we ook zeggen dat we dieren geen mensenrechten willen geven maar het recht om naar hun eigen aard te leven. In feite is het een mensenplicht om dat voor elkaar te krijgen. Dat dieren van mensen verschillen betekent niet dat ze minder waard zijn.’ Volgens Kymlicka en Donaldson moet links ervoor waken in de politieke strijd voor dierenrechten een ander doel dan de morele waarde van rechtvaardigheid als inzet te kiezen. Het kan beter afstand houden van politieke bewegingen die dierenliefde aanvoeren als bewijs van de superioriteit van de westerse cultuur en, spiegelbeeldig, de barbaarsheid van niet-westerse. Overal in Europa hebben xenofobische partijen de islamitische slacht aangegrepen om moslims verdacht te maken. De lankmoedigheid, of zelfs het zwijgen, van die partijen over de bio-industrie steekt volgens Kymlicka en Donaldson nogal af tegen hun misbaar over de rituele praktijken in andere culturen. Om te voorkomen dat bewegingen voor dierenrechten in de sfeer van een ‘botsing van beschavingen’ belanden, betogen de twee filosofen, kunnen ze zich beter richten tegen het grote kwaad van de bio-industrie dan tegen het kleine kwaad van het ritueel slachten.

‘Wat we ons wel en niet kunnen veroorloven moet niet afhankelijk zijn van geld, maar van wat de aarde ons biedt’

Thieme beschouwt haar initiatiefwet tegen de onverdoofde slacht niettemin als wezenlijk voor de profilering van de Partij voor de Dieren. ‘Ik trek een andere conclusie dan Kymlicka en Donaldson, hoezeer ik het ook met hen eens ben dat je je nooit voor het karretje van xenofobisch rechts moet laten spannen. Wij willen als activistische partij de kanarie in de kolenmijn zijn, dus het kwaad agenderen dat anderen nog niet goed door hebben. Als je het grotere kwaad van de misstanden in de reguliere slacht aan de orde wilt stellen, kun je het best klein beginnen, met de onverdoofde slacht. Bovendien ben je totaal ongeloofwaardig als je dierenleed negeert dat een specifieke groep mensen veroorzaakt.’

Ze zegt zich verre te willen houden van de exegese van religies als de islam en het jodendom. ‘Ik heb in dit debat alleen gezegd: het moet voor een dier niet uitmaken welk geloof de slachter heeft. We kennen allerlei beperkingen van de vrijheid van godsdienst, evenals van andere vrijheden die we grondwettelijk hebben vastgelegd. Dus waarom zou daarop voor onverdoofd ritueel slachten een uitzondering moeten worden gemaakt? Het Europees Hof van Justitie redeneert ook in die lijn, met zijn uitspraak dat de Vlaamse overheid in haar recht staat met de beperkingen die ze aan onverdoofd slachten heeft opgelegd.’

In dat verhaal over een partij die vanzelfsprekendheden ter discussie stelt en je aan het denken zet, gaat het ook over de eigen zienswijze van de Partij voor de Dieren op economische groei. ‘Groei is een onhoudbaar concept op een wereldbol die niet meegroeit’, schrijft Thieme in De _kanarie__ in de kolenmijn,_ het boek dat ze in het verkiezingsjaar 2017 samen met Ewald Engelen schreef. Daarmee neemt ze onomwonden stelling in het dilemma waar links nooit helemaal goed uit komt. Economische groei is onmisbaar voor een sociaal programma met hoge publieke investeringen in sociale zekerheid, onderwijs en cultuur, maar tegelijkertijd is het vooralsnog een wensdroom dat groei zonder nadelige gevolgen voor klimaat en ecologie kan blijven.

Sociaal-democratische leiders als Joop den Uyl en Wim Kok legden, als puntje bij paaltje kwam, een zwaarder gewicht bij het sociale programma dan bij een ‘economie van het genoeg’. Een typerende uitspraak van Kok is: ‘Goede economische prestaties en een hoog niveau van werkgelegenheid zijn noodzakelijke voorwaarden voor sociale vooruitgang.’ Zijn twee kabinetten (1994-2002) hadden dan ook als doel de economische groei blijvend op het relatief hoge niveau van jaarlijks drie procent te brengen, met miljardeninvesteringen in grote infrastructuurprojecten als de Betuwelijn, de hogesnelheidslijn en de uitbreiding van Schiphol als stimulans.

‘De sociaal-democratie heeft een huwelijk met de materiële vooruitgang’, concludeerde politicoloog en oud-pvda-bestuurder Bart Tromp. Hij doelde op een verstandshuwelijk: zonder die vooruitgang zou de sociaal-democratie haar kiezers weinig sociaals te bieden hebben. Den Uyl zag ook in dat de electorale basis onder de pvda zou wegvallen als zij een andere keuze zou maken. ‘Het socialisme is niet alleen een beweging tot vergroting van de welvaart, omgekeerd is hogere welvaart een voorwaarde voor de groei van de socialistische gezindheid’, schreef hij.

Ook GroenLinks weet het dilemma tot dusver niet echt goed op te lossen, ondanks de belofte in de naam van die partij dat ze zowel een groene als linkse politiek voert. Sinds 1989, gedurende haar hele bestaan, speelt GroenLinks met gedachten over ‘selectieve’ groei of ‘beheerste’ groei, maar het blijft voor haar lastig te voorkomen dat de overheid dirigistisch optreedt of terugvalt in jaren-zeventigbeleid als de Sir (Selectieve investeringsrekening) of de Wir (Wettelijke investeringsregeling).

De pvdd gaat een stap verder en stelt zonder omwegen: ‘Groei brengt niet de oplossing maar de problemen.’ Op het eerste gezicht maakt de partij zich gemakkelijk af van de sociale gevolgen van de ‘radicale koerswijziging’ die ze in het denken over economie en groei voorstaat. De acute gevolgen van een krimpende economie, zoals geldgebrek voor publieke voorzieningen en een stijgende werkloosheid, zijn niet op slag verdwenen door smalend te spreken over de ‘dode letter’ (Thieme) van het nationaal inkomen, of door andere partijen te verwijten dat zij zich door de ‘waan van de dag’ laten regeren als ze een groeibeleid voeren.

Toch doe je de partij met dit verwijt te kort. De rol die de pvdd voor zichzelf ziet weggelegd in het Nederlandse bestel is die van uitdager van de andere partijen – zelf zou ze spreken van het ‘politieke establishment’. Ze wil agenderen, bewustmaken, het debat aanjagen, door tegenover de evidente axioma’s van de Nederlandse politiek een tegengestelde waarheid te zetten. In reactie op het axioma dat zonder groei niemand wel vaart, schetst ze de doodlopende weg die de wereld inslaat door zich afhankelijk te maken van een steeds grotere productie en consumptie.

Volgens Thieme zijn de andere partijen gevangenen van de belofte dat alles weer kan worden zoals het was, zonder zorgen over baan, hypotheek of gezondheidszorg, mits de economie blijft groeien. Goede zorg voor de ecologie is in die redenering een luxe die het land zich alleen kan veroorloven als de economie er niet onder lijdt. De consequentie is dat de milieuzorg op een lager pitje moet als de groei inzakt. ‘Dan wordt het te duur om onze planeet te redden’, zei Herman Finkers in zijn oudjaarsconference van 2015 over deze onverbiddelijke logica.

‘Het laatste wat we moeten doen als we willen zorgen voor elkaar is een verzorgingsstaat voor multinationals optuigen’

Thieme pleit voor een omgekeerde rangorde: niet de economie moet de ruimte voor de ecologie bepalen, maar andersom, de ecologie die voor de economie. ‘Wat we ons wel en niet kunnen veroorloven zou niet afhankelijk moeten zijn van geld, maar van wat de aarde ons te bieden heeft’, zegt zij. Dat zou volgens haar een werkelijk duurzame maatstaf voor het beleid zijn.

Uit het Living Planet Report van het Wereldnatuurfonds, een van Thieme’s bronnen, blijkt dat er drie tot vier aardbollen nodig zouden zijn als iedereen op de wereld op het westerse consumptieniveau zou willen komen. Sinds 1980 kappen mensen meer hout, pompen ze meer zoet water op en halen ze meer vis uit de zee dan de bodem en oceanen kunnen herstellen. In feite ‘stelen’ ze daarmee van toekomstige generaties, zegt Thieme. ‘We leven simpelweg op te grote voet. Daardoor bouwen we een steeds grotere ecologische schuld op, waarvan we de betaling voor ons uit schuiven.’

De Syrische burgeroorlog, de belangrijkste oorzaak van de vluchtelingenstroom, is volgens Thieme een voorafschaduwing van toekomstige wereldconflicten die het gevolg zijn van de uitputting van de aarde. Ze haalt onderzoek van Columbia University aan waaruit blijkt dat die oorlog veeleer een klimaat- dan een godsdienstoorlog is. Syrië, van oorsprong een van de vruchtbaarste gebieden ter wereld, is uitgedroogd, door het versneld oppompen van waterreserves. De ernstige voedseltekorten die daardoor ontstonden deden veel Syriërs uitwijken naar de grote steden. Werkloosheid en armoede waren daar hun lot. Assad en IS maakten misbruik van hun wanhoop. ‘Godsdiensttwisten blijken vaak vooral over de beschikbaarheid van water en voedsel te gaan’, is de les die Thieme uit dit voorbeeld trekt. ‘Door waterschaarste mislukken oogsten, storten ecosystemen in en nemen gewelddadige conflicten over waterbronnen toe. Niemand verlaat z’n vertrouwde woonomgeving wegens het wenkende perspectief van een bed-bad-broodregeling elders in de wereld.’

Om de belangentegenstelling tussen economie en ecologie minder scherp te maken, pleit zij ervoor de economische wetenschap weer bij haar kerndoel te bepalen: wat is de meest nuttige aanwending van schaarse hulpmiddelen? ‘Wat wij leerden op de middelbare school is dat alles goed zou komen als de productie en de consumptie maar onbeperkt konden groeien’, zegt ze. ‘Dat is een verkeerd beeld van waar het werkelijk om gaat in de economie. Wat gewoonweg niet klopt is de premisse dat de globalisering een autonoom proces is waarbij we ons moeten neerleggen, dat de markt vrij moet zijn, dat de economie moet groeien en grootschaliger worden om goedkoper en efficiënter te kunnen produceren. Dat zijn helemaal geen voldongen feiten, dat zijn politieke keuzes. Het kan ook anders. Het laatste wat we moeten doen als we willen zorgen voor elkaar is een verzorgingsstaat voor multinationals optuigen door belastingdeals met Shell te sluiten en de dividendbelasting af te schaffen. We ontzien ondernemingen die schaarse grondstoffen erdoorheen jagen en belasten juist arbeid: we maken dus goedkoop wat duur en duur wat goedkoop moet zijn. Dat is een volkomen onlogische werkelijkheid.’

Aan het einde van de documentaire My Generation, over de culturele revolutie in het Londen van de jaren zestig, kijkt verteller Michael Caine de kijker indringend in de ogen en maant hem: ‘Never, never, never dream small.’ Dat zou het motto van de pvdd kunnen zijn: droom groot. ‘Revolutie is noodzakelijker dan ooit’, schrijft Thieme in De kanarie in de kolenmijn, met als doel ‘een compleet andere manier van leven’. De andere kant van die revolutionaire gezindheid is een onverholen dedain jegens politici die ‘klein’ dromen en de waarheid ergens in het midden zoeken, compromissen sluiten, consensus met andersdenkenden nastreven. Thieme noemt hen ‘bonentellers’ of ‘fossiele politici’ die niet anders doen dan het ‘herschikken van de stoelen op de Titanic’.

Dat is het tweede verhaal over de Partij voor de Dieren: dat van een partij die zich opsluit achter de hoge muren van het eigen gelijk. In het spraakgebruik van de pvdd wordt het woord ‘compromis’ altijd vergezeld van het adjectief ‘krachteloos’ of ‘kleurloos’. Daarmee zijn bij implicatie ook politici die consensus zoeken krachteloos en kleurloos, zonder idealen: ‘bonentellers’ dus. Het eigen verhaal van de partij daarentegen krijgt het altijd zo prettig klinkende woord ‘idealisme’ opgeplakt. Zo trekt de partij een zweem van zuiverheid rond zichzelf op, in contrast met dat gesjacher van de ‘instrumentele’ politiek. ‘Tevreden over zichzelf, smetvrees voor anderen’, luidt de typering van NRC-journalist Tom-Jan Meeus van een politieke attitude als deze.

Die houding past niettemin bij de eigen positie die de partij in de Nederlandse politiek inneemt. Historicus Maartje Janse wees er al eens op dat de pvdd zich op een andere fase in het politieke besluitvormingsproces richt dan de bestuurlijk georiënteerde partijen: het stadium waarin de morele verontwaardiging over een misstand ontstaat. Doorgaans voltrekt deze fase zich buiten de Kamer, als gevolg van acties van pressiegroepen en maatschappelijke organisaties, maar Thieme’s partij brengt haar binnen het parlement. Met haar absolute stellingname heeft de pvdd zich nog niet gediskwalificeerd als speler in het politieke domein, concludeert Janse: ‘Wie stelt dat dit geen “echte politiek” is, omdat daarvan pas sprake zou zijn als er wordt onderhandeld, verabsoluteert de hedendaagse voorstelling van politiek.’

Thieme zelf spreekt van ‘expressieve politiek’, gericht op bewustwording. Haar partij heeft een ‘aanjagende rol’, zij is ‘de haas in de wedstrijd’. Zij wil agenderen, activeren, aanwakkeren. Het sprekende geweten zijn. De macht uitdagen. Om die rol te kunnen vervullen kan de Partij voor de Dieren beter buiten de bestaande orde blijven. In dat licht wordt het een logische keuze om wars te zijn van het ‘compromisme’: met het sluiten van compromissen ga je mee in de bestaande orde of bestendig je zelfs de status quo. ‘Ik wil ontregelen’, zei Thieme voor BNR Nieuwsradio al eens kortweg over haar taak in de Tweede Kamer.

De prijs van die expressieve politiek is wel dat de kans op deelname aan regering of gemeentebesturen miniem is. Bij de Kamerverkiezingen van 2017 wist de partij het aantal zetels meer dan te verdubbelen, tot vijf, en bij de gemeentelijke verkiezingen dit jaar verdriedubbelde zij haar zeteltal in de raden. Niettemin stond zij bij de formatie van zowel de regering als de colleges van burgemeester en wethouders al spoedig buitenspel. Dit zegt Thieme er zelf over: ‘We hebben uitdagers van de macht nodig. Ik vind dat een belangrijke positie: buiten de gevestigde orde staan. Ik geloof sterk in de aanjagersrol van expressieve politiek. Met de andere partijen voor de dieren in Europa laten we zien dat er een ander antwoord dan het rechts-populisme is om in de behoefte van de kiezers aan andere politiek te voorzien. Mensen zoeken naar geloofwaardigheid, integriteit, vasthoudendheid.’

Ze bestrijdt dat de pvdd tot geen enkel compromis bereid is: ‘Natuurlijk, compromissen sluiten hoort bij politiek. Ik snap dat een maatregel die wij willen soms niet direct kan als we met andere partijen samenwerken. Maar wáár je naartoe wilt, dat moet wel helder zijn. Zoek dus je coalitiepartners bij partijen die over de fundamentele kwesties in dezelfde richting denken. Want als dat niet het geval is, als de programma’s van coalitiepartijen eigenlijk tegenover elkaar staan, zoals met Rutte II en nu met III het geval is, dan verlies je de coherentie in je regeerprogramma. Dat wordt niet meer dan een samenraapsel van maatregelen. Het gevolg? Gemor, gedoe, incidentenpolitiek. Kijk dus bij coalitievorming niet zozeer naar het getal – welke combinatie heeft de meerderheid? – maar naar de programmatische samenhang. Wat zijn nu de partijen om bij elkaar te zetten om een stabiele, consistente lijn te krijgen, ook al vormen ze een minderheid in de Kamer? Daar zouden wij best bij kunnen zitten.’