Hoofdcommentaar

De hakken in het zand

Nederland is van God los. Al een paar jaar. In het kabaal verstaat niemand elkaar meer. Maar deze eerste 16 woorden smaken na 2 november 2004 als slappe thee. Geweld heeft de toon gezet en blijft dat doen. Geweld is hét trefwoord. Voor de moslimfundamentalisten die een «asymmetrische oorlog» tegen het Westen voeren en daarmee nu ook voor Nederland.

Dinsdag 2 november 2004 is de zoveelste cesuur in een land dat de afgelopen drie jaar toch al amper rust heeft gekend. De moord op Theo van Gogh is zelfs van een andere orde dan die op Pim Fortuyn in 2002. De politicus werd ruim twee jaar geleden dood geschoten door een ecologische dierenfreak die zich achter de schrijftafel een messias waande en geweld daarom een oplossing vond. Dat was een breuk. Maar de moord op Van Gogh – als columnist spijkerhard, als cineast en interviewer juist empathisch – is alleen al door zijn onhollandse rituele koelbloedigheid een andere waterscheiding.

Het is een drama dat zich op twee niveaus voltrekt. Ten eerste het internationale niveau. Sinds 11 september 2001 heeft de al jaren sluimerende burgeroorlog in de islamitische wereld zich via francs-tireurs verplaatst naar de onze en heeft het Westen zich op zijn beurt daar genesteld om gewapenderhand vrede af te dwingen. Ook Nederland is daarbij (Afghanistan en Irak) betrokken. New York is drie jaar later minder ver weg dan het indertijd leek. Madrid was daarvan een eerste illustratie, de moord op Van Gogh voorlopig een laatste. De gevolgen reiken verder dan alleen de vrijheid van meningsuiting. Dat de dader, al dan niet geïnspireerd en mogelijk bijgestaan door een netwerk, waarschijnlijk heeft gehandeld uit islamitische motieven illustreert dat de haat van moslimfundamentalisten in Nederland jegens Nederland eerder sterker dan zwakker is geworden. Kloppen deze vermoedens, dan is er sprake van een nieuw, geïndividualiseerd, terrorisme en rijzen er talloze vragen. Heeft de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst de dossiers tijdig geoperationaliseerd? En in hoeverre is nog fysieke bescherming denkbaar tegen terrorisme dat zich niet meer beperkt tot klassieke strategische objecten of desnoods politici? Maar ongeacht de antwoorden is een van de conclusies dat de «asymmetrische oorlog» voet aan de grond heeft gekregen.

Ten tweede het nationale niveau. Dat Nederland een nuchtere natie is, is een mythe. Als Nederland eenmaal verlangt naar andere tijden, verliest het zich vaak in onbehagen. De vermaledijde jaren zestig, ooit bejubeld als bevrijding uit de verstikkende pacificatie, waren geen toonbeeld van soberheid. Daar komt nog iets bij: het tempo van de metamorfose sindsdien. De verandering en modernisering hebben zich hier veel sneller en vooral ingrijpender voltrokken dan in de meeste (post)industriële samenlevingen. Sneller omdat Nederland, veertig jaar geleden nog een gesloten maatschappij, zich in een paar decennia heeft geopend voor de wereld. Ingrijpender omdat de veranderingen zich door alle lagen en domeinen van de maatschappij heen hebben gevreten, van politiek tot seks, van cultuur tot geloof. Dat ging goed tot de jaren negentig. In een handomdraai werd het poldermodel het symbool voor pappen en nathouden, waar eerder schikken en plooien juist als specifieke kwaliteit werd ervaren. In een half decennium heeft Nederland toen afgeleerd wat het in een hele eeuw had aangeleerd.

Hier nu komen binnenland en buitenland samen. De motor van Nederland had altijd gedraaid op zwakstroom. Sinds 2001 staat er echter geen 12 maar 300 volt op de samenleving en zijn de zekeringen doorgeslagen. Vanuit een helikopter oogt dat niet bijster uitzonderlijk. In de VS werden tussen 1963 en 1968 John F. Kennedy, Martin Luther King, Malcolm X en Robert Kennedy vermoord: vier politieke moorden in vijf jaar. Maar op de grond is het absoluut geen vorm van normalisatie. De kortsluiting heeft de politieke cultuur namelijk op zijn kop gezet.

De openbare omgangsvormen zijn verruwd, is sindsdien de terechte klacht. Maar het publieke debat is niet alleen verruwd. Belangrijker is dat het is verpersoonlijkt en juist zodoende geradicaliseerd. Programma’s en beleid spelen geen rol meer. Mens en mening zijn één geworden. De authentieke persoonlijkheid heeft het toneel bezet en domineert zo het beeld. Of hij trekt zich juist terug en wacht af op wat gaat komen. Het geweld is intussen ondergronds gegaan, maar daarmee nog niet minder charismatisch in de gegettoïseerde kring.

Het is nog te vroeg voor analyses die hout snijden. Maar twee varianten dienen zich aan. Ten eerste het pessimistische scenario, de weg van radicale politisering en polarisering. Natuurlijk moeten het kabinet en burgemeester Job Cohen van Amsterdam, die de grootste nederlaag uit zijn loopbaan heeft geleden, antwoord geven op lastige vragen. De nabestaanden van Van Gogh hebben overal recht op. Maar dinsdag lagen de antwoorden op de schuldvraag buiten die intieme kring ook opvallend snel op tafel. Al na een paar uur klonk het appèl van de regering het hoofd koel te houden en kalm te blijven als een machteloze oproep. «Het regime van de Haagse politiek» is uitgewoond, zoals het werd geformuleerd. Het klonk alsof er eigenlijk geen prijs werd gesteld op verdergaande interventies van moslimorganisaties, die helaas toch al waren omkleed met te veel mitsen en maren.

Ten tweede het optimistische scenario dat is geworteld in een eeuwenoude traditie. Als de Nederlandse samenleving zich bedreigd weet, zet ze in goeden doen de hakken in het zand. Nooit is een coup buiten de coulissen van de macht hier geslaagd. De tienduizenden die dinsdagavond op de Dam waren om te luisteren naar burgemeester Cohen van Amsterdam én minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie wilden de «tweesprong», waarover de bewindsvrouwe sprak, afsluiten voor spookrijders die lak hebben aan de kern van de Nederlandse beschaving waar het uiteindelijk om gaat: de rechtsstaat. Want als er één ding karakteristiek is voor Nederland dan is het dat de onderlinge rivaliteiten worden gesmoord als de collectieve vrijheid op het spel staat. En dat is een houding, een houding die uiteindelijk niet politiek is maar cultureel.