De hallucinerende holbewoner

Prehistorische grotschilderingen: jachtrituelen een soort gebed l'art pour l'art? Of hallucineerden de holbewoners? De onlangs ontdekte grot roept nieuwe en oude vragen op. Het vergeten boek van Bataille over de heilige dieren uit de steentijd moet maar eens onder het stof vandaan.

OP 18 JANUARI is bekendgemaakt dat bij het Zuidfranse Vallon-Pont-d'Arc een nieuwe grot is gevonden met kunst uit de oudere steentijd. Jean Clottes, onderzoeker in dienst van het Franse ministerie van Cultuur, houdt normaal graag een wetenschappelijke slag om de arm. Bij deze gelegenheid wilde hij echter wel kwijt dat Vallon-Pont-d'Arc zowel wetenschappelijk als esthetisch gezien vergelijkbaar is met de beroemde grotten bij Lascaux en Altamira. De nieuwe grot zal een omwenteling teweegbrengen in onze opvattingen over prehistorische kunst, net zoals Lascaux een halve eeuw geleden, verzekerde hij de pers.
Als Clottes een paar dagen later om een toelichting wordt gevraagd, is hij wat voorzichtiger. Zeker, Vallon-Pont-d'Arc is net zo belangrijk als Lascaux en Altamira. En elke belangrijke vondst brengt - na gedetailleerd onderzoek - een omwenteling teweeg in de bestaande opvattingen. Maar waar die omwenteling uit zal bestaan, valt nog niet te zeggen. Eerst onderzoek doen, zo denkt hij erover.
En er valt genoeg te onderzoeken. In de grot zijn tot nog toe ongeveer driehonderd met rood of zwart geschilderde dierafbeeldingen gevonden en nog eens zoveel gravures. Daarnaast zijn er veel abstracte tekens en afdrukken van handen. De afbeeldingen zijn achttien- tot twintigduizend jaar oud, iets ouder dan die in Lascaux. Sommige afgebeelde dieren (een panter, een uil) waren nog nooit eerder in grotten uit de oudere steentijd gevonden. Andere, zoals de neushoorn, waren tot nog toe zeldzaam.
In de grot zijn ook veel afbeeldingen gevonden van beren. Op zich is dat minder verrassend, maar het is wel interessant dat er ook veel materiële resten van dit dier zijn gevonden. Daaronder zijn honderden botten, die suggereren dat de grot ooit door beren werd bewoond. Verder zijn er berenschedels gevonden op plaatsen waar ze waarschijnlijk door mensenhanden terecht zijn gekomen. Een van die schedels ligt op een steen die wellicht als een soort altaar kan worden beschouwd
De verleiding is wel erg groot om hier een vergelijking te trekken met de rituelen van bepaalde jagersvolken in Siberie en Japan. Voor deze jagers was de beer niet alleen een waardevolle prooi maar ook een heilig beest. Soms namen ze jonge beren mee naar hun dorp, waar de dieren werden opgevoed om na een jaar of twee geofferd te worden. Het vlees werd vervolgens ritueel verdeeld en opgegeten, de schedel werd vaak op een heilige plaats bewaard.
Het zou wel erg voorbarig zijn om meteen te concluderen dat er bij Vallon-Pont-d'Arc vergelijkbare rituelen zijn uitgevoerd. Toch is het ook te vroeg om te verzuchten dat we ‘wel nooit zullen weten’ wat zich in de grot heeft afgespeeld. Omdat de vindplaats nog helemaal intact is, is er goede hoop dat archeologisch onderzoek informatie op zal leveren over het doen en laten van de mensen - en de dieren - die er kwamen. Zulk onderzoek zal wellicht tot gevolg hebben dat een aantal opvattingen over prehistorische kunst moet worden bijgesteld.
Er zullen echter geen grootse, alomvattende theorieën omver worden geworpen. Die zijn er namelijk niet meer. Vroeger was dat anders. In de negentiende eeuw bestond er nauwelijks twijfel over dat de prehistorische afbeeldingen moesten worden beschouwd als l'art pour l'art, kunst zonder diepere betekenis. De reden daarvoor was simpel. Volgens de toen gangbare opvattingen over de evolutie was de prehistorie bevolkt geweest door cultuurloze barbaren, die onmogelijk echte kunst hadden kunnen maken. Na de eeuwwisseling raakte men er echter van overtuigd dat het toch niet zo eenvoudig lag en ging men de afbeeldingen in verband brengen met magische jacht- en vruchtbaarheidsrituelen. Al gauw was elk streepje een pijl, elk rooster een val, en elke cirkel een vulva.
VANAF DE JAREN ZESTIG werd deze uitleg weer verdrongen door structuralistische interpretaties. Men kreeg de indruk dat de beschildering van de grotten was gebaseerd op vaste patronen. Bepaalde afbeeldingen zouden bewust op bepaalde plaatsen in de grot en in een bepaalde relatie tot elkaar zijn aangebracht. Ook nu nog gaan de meeste onderzoekers er van uit dat er structuren kunnen worden ontdekt in de layout van de grotten. Het is alleen de vraag of je daar veel wijzer van wordt. Je mag aannemen dat men iets wilde uitdrukken met die structuren, wellicht 'iets religieus’, maar concretere conclusies durven de onderzoekers niet meer te trekken. De meesten houden zich nogal op de vlakte als het gaat om de betekenis van de grotschilderingen.
Prehistorische grotschilderingen worden wel gezien als de oorsprong van de kunst, sterker nog, als de oorsprong van de menselijke cultuur. Historisch gezien is die opvatting misschien iets te simpel, maar dat doet niets af aan de symbolische rol die deze kunst is gaan spelen. Tegen die achtergrond kan je je afvragen of de wetenschappers niet tekortschieten als ze het niet eens kunnen worden over een omvattende interpretatie van de grotkunst.
Toch moeten de voordelen van deze situatie niet worden onderschat. Juist nu het onderzoek niet meer wordt bepaald door een overheersende interpretatie, blijkt er ruimte te zijn voor verrassende nieuwe invalshoeken. In tijdschriften als Current Anthropology zijn de afgelopen jaren allerlei theorieën gelanceerd, bediscussieerd en soms ook de grond in geboord. Er is zelfs geprobeerd om de l'art pour I'artinterpretatie nieuw leven in te blazen, maar die poging heeft het niet gehaald.
HET WERK VAN TWEE Zuidafrikaanse onderzoekers heeft betere kansen. Lewis-Williams en Dowson denken dat er een verband bestaat tussen rotsschilderingen en sjamanistische rituelen. Zelf hebben ze veel onderzoek gedaan onder Bosjesmannen, die tijdens rituelen in trance raken en zodoende in contact komen met angstaanjagende hogere machten. Bij dit soort rituelen doen zich hallucinaties voor, die volgens de onderzoekers weer ten grondslag liggen aan de rotsschilderingen in zuidelijk Afrika.
Om dit idee verder uit te werken grijpen ze terug op onderzoek uit de jaren zeventig naar de inhoud van visuele hallucinaties. Men heeft destijds ontdekt dat hallucinaties minder grillig zijn dan ze lijken; er ligt een vast patroon aan ten grondslag. Bij dit onderzoek waren alleen westerse proefpersonen betrokken, maar uit beschrijvingen die de Colombiaanse Tukano-indianen geven van hun rituele hallucinaties, komt hetzelfde patroon naar voren. Het lijkt om een universeel verschijnsel te gaan, dat samenhangt met de werking van de hersenen.
Een antropoloog heeft de Tukano ooit papier, een klembord en een set kleurpotloden gegeven en ze gevraagd om te tekenen wat ze ervaren tijdens hun rituelen. De Indianen vonden dat wel een leuke opdracht en kleurden tientallen vellen papier vol, vooral met abstracte tekens. In veel gevallen ging het om dezelfde abstracte tekens die eerder ook al in verband waren gebracht met visuele hallucinaties. Volgens Lewis-Williams en Dowson ligt hier een belangrijke sleutel voor de interpretatie van afbeeldingen uit de oudere steentijd.
Deze afbeeldingen bestaan voor een belangrijk deel uit 'tekens’ waarvan niet helemaal duidelijk is waar ze voor staan. Het gaat onder meer om zigzaglijnen, cirkels en roosters. Er is een flinke overlap tussen deze tekens en de zogenaamde 'entoptische fenomenen’ die worden waargenomen door mensen die licht hallucineren. Bij diepere hallucinaties worden deze entoptische fenomenen gedeeltelijk verdrongen door herkenbare objecten die een rol spelen in het dagelijks leven van degene die hallucineert. Dit soort waarnemingen zouden weer ten grondslag kunnen liggen aan de grote hoeveelheden dieren die zijn afgebeeld in de prehistorische grotten.
Naast tekens en dierafbeeldingen zijn er in de grotten ook afbeeldingen gevonden van mensen. Vaak zijn in de mensafbeeldingen ook kenmerken van dieren verwerkt; een voorbeeld hiervan is een tekening van een mensenlichaam met het hoofd van een hert. Ook hier kan een verband worden gelegd met hallucinaties, want er bestaan verslagen van proefpersonen die zichzelf geleidelijk zagen veranderen in een dier. Alles overziend concluderen Lewis-Williams en Dowson dat het heel goed mogelijk is dat een belangrijk deel van de kunst uit de oudere steentijd op de een of andere manier te maken had met sjamanistische rituelen. Ze hebben nog niet al hun collega’s kunnen overtuigen, maar het lijkt een plausibel verhaal.
Natuurlijk roept deze interpretatie weer nieuwe vragen op. Het is denkbaar dat men dieren hallucineerde en dat men ze daarom afbeeldde. Maar het is ook denkbaar dat men planten of gereedschap hallucineerde, en die heeft men niet afgebeeld. De Zuidafrikanen erkennen dat er op psychologisch of cultureel niveau een reden moet zijn geweest om juist aan bepaalde voorstellingen betekenis toe te kennen.
EEN VAN DE MEEST ambitieuze pogingen om die betekenis bloot te leggen is gedaan door de Franse filosoof Georges Bataille, die in 1955 een boek publiceerde onder de titel Lascaux ou la naissance de l'art. Dit boek is meer dan alleen een interpretatie van prehistorische kunst, in zekere zin is het een poging om vat te krijgen op de menselijke cultuur als zodanig. Die cultuur is in feite ontstaan op het moment dat de mens zich ging onderscheiden van het dier. Prehistorische kunst is voor Bataille een resultaat van die ontwikkeling en tegelijk een van de belangrijkste overblijfselen die kunnen helpen om door te dringen tot de betekenis ervan.
Op een of andere manier heeft Bataille het voor elkaar gekregen dat niemand zijn boek over Lascaux serieus neemt. De meeste wetenschappers hebben nooit van het boek gehoord, en als ze het al kennen, komt het niet in ze op dat de theorie hout zou kunnen snijden. Ook onder de 'aanhangers’ van Bataille overheerst onverschilligheid. Vaak concluderen ze, op grond van een soort postmoderne interpretatie van Batailles filosofie, dat het helemaal niet uitmaakt of zijn verhaal klopt. Vrij brutaal, als je bedenkt dat Bataille vijfentwintig jaar met het onderwerp bezig was nachten had doorgebracht in de grot bij Lascaux en adviezen had gevraagd aan de beroemdste onderzoeker op dit gebied om materiaal te verzamelen voor zijn boek.
Bataille had zijn huiswerk dus in ieder geval goed gedaan, maar op zich is dat geen reden om aandacht te besteden aan een boek van veertig jaar geleden. Interessanter is dat Bataille uitgebreid ingaat op het verschil tussen mens- en dierafbeeldingen. Dierafbeeldingen zijn doorgaans naturalistisch, herkenbaar en vrij gedetailleerd. De zeldzamere mensafbeeldingen zijn schetsmatig, vaak vermengd met kenmerken van dieren en soms moeilijk te ontcijferen. Het verschil tussen mens- en dierafbeeldingen is een van de meest opvallende kenmerken van kunst uit de oudere steentijd, maar bijna niemand heeft zich bezig gehouden met de betekenis ervan. Dat is een goede reden om nog eens naar Batailles theorie te kijken.
Bataille plaatst het ontstaan van kunst tegen de achtergrond van nog oudere archeologische vondsten. Uit die vondsten blijkt onder meer dat er al heel lang gereedschap werd gebruikt. Het gebruik van gereedschap wijst volgens Bataille op rationeel, doelgericht handelen. Andere archeologische vondsten suggereren dat mensen al in een heel vroeg stadium hun doden begroeven, wellicht op een rituele manier. Bataille redeneert dat dit niet zonder reden kan zijn gebeurd en concludeert dat de dood angst inboezemde, dat er een soort taboe op rustte. Algemener geformuleerd ziet hij de graven als een bewijs voor het bestaan van verboden. Het doelgericht handelen en het respecteren van verboden bepalen samen een sfeer die kan worden aangeduid als 'het profane’.
Maar het profane staat niet op zichzelf. Er kan geen afgebakend idee bestaan van het profane zonder een besef van datgene wat zich aan de grenzen ervan onttrekt. Doelgericht handelen heeft op zichzelf geen enkele zin, het veronderstelt een externe motivatie, een doel op zich. Verboden op hun beurt kunnen alleen bestaan dank zij een angst voor de overtreding, voor datgene waar de verboden geen vat op hebben. Het profane is dus uiteindelijk gebaseerd op datgene wat er buiten valt: het heilige. Religie is volgens Bataille dan ook een onmisbaar restprodukt van ordelijk denken en handelen.
Dit verklaart ook het dubbelzinnige karakter van het heilige: enerzijds bedreigt het de profane orde, anderzijds heeft het de allure van datgene wat zich onttrekt aan alle beperkingen die die orde met zich meebrengt.
DEZE REDENERING IS natuurlijk nogal abstract, maar tegelijkertijd sluit ze heel goed aan op de manier waarop veel niet-westerse volken zich het heilige voorstellen. Er bestaan talloze beschrijvingen van volken die het heilige zien als iets machtigs dat tegelijkertijd ongrijpbaar en levensgevaarlijk is. Het heilige is bovendien vaak nauw verbonden met de overtreding van verboden. Een universeel en fundamenteel verbod is het verbod om te doden; dit verbod wordt in veel culturen overtreden tijdens offerrituelen. Bataille hecht dan ook veel betekenis aan mensen- en dierenoffers.
Zeker zo interessant is de manier waarop verboden worden uitgelegd. Een voorbeeld hiervan is het taboe op tweelingen dat ooit heerste in Mantsjoerije. De logica hierachter was simpel: 'Een vrouw is geen teef of zeug, dus mag ze maar een kind tegelijk baren.’ Op dit argument bestaan talloze variaties die allemaal neerkomen op de redenering dat we geen beesten zijn en dat we ons dus aan de regels moeten houden. Op zich is het niet zo merkwaardig dat die redenering telkens weer opduikt. Het loopt nu eenmaal in de gaten dat dieren zich vaak weinig aantrekken van verboden die voor de mens fundamenteel zijn.
Tot op zekere hoogte wordt het gedrag van dieren vergoelijkt door het feit dat ze geen mensen zijn. Aan de andere kant zijn mensen natuurlijk wel dieren; het onderscheid tussen mensen en dieren berust voor een belangrijk deel simpelweg op de overtuiging dat mensen 'anders’ zijn. Er moet ooit een tijd zijn geweest waarin deze opvatting nog niet zo duidelijk was uitgekristalliseerd. Wellicht was het gedrag van dieren toen ronduit schokkend. Tegelijk, redeneert Bataille, zouden dieren hierdoor worden geassocieerd met het heilige en zouden ze daaraan een enorm prestige ontlenen.
OP HET MOMENT DAT BATAILLE zijn boek schreef, heerste de opvatting dat de grotschilderingen een praktisch doel hebben gehad, bijvoorbeeld het bevorderen van een succesvolle jacht. Bataille gelooft echter dat zo'n pragmatische functie hoogstens een secundaire rol kan hebben gespeeld. Daarbij baseert hij zich op een onorthodox, maar zinnig argument. Als ik naar vitrines vol prehistorische fossielen en gereedschappen kijk, redeneert hij, dan doet me dat niets. Het feit dat de prehistorische mens wellicht honger had en daarom op een succesvolle jacht hoopte, doet me eigenlijk ook niets. Maar de afbeeldingen die hij heeft gemaakt, die doen me wel wat, die raken me in mijn hart. Dat valt niet te verklaren uit een of andere pragmatische functie die de afbeeldingen misschien hadden.
Het feit dat grotschilderingen nog steeds tot de verbeelding spreken, komt volgens Bataille doordat ze een beeld oproepen van het heilige. Dat beeld wordt opgeroepen door afbeeldingen van het dier dat zich onttrekt aan de menselijke verboden. Het naturalisme van deze afbeeldingen zou getuigen van het respect dat men had voor het dier. Datzelfde respect had men niet voor de mens; in de mensafbeeldingen wordt het onderwerp als het ware verminkt, onder meer door de toevoeging van dierlijke kenmerken. Blijkbaar ging het erom het menselijke te ontkennen ten gunste van iets heiligs dat geassocieerd werd met het dier. Slechts 'getooid met het prestige van het beest’ was de mens het afbeelden waard.
Bataille was natuurlijk een leek op het gebied van prehistorische kunst. Bovendien trok hij zich niet al te veel aan van de normen waaraan een wetenschappelijke theorie zou moeten voldoen en baseerde hij zich ook nog eens op informatie die nu voor een deel is verouderd. Toch kreeg hij het voor elkaar om een zinnige verklaring te bedenken voor het verschil tussen mens- en dierafbeeldingen, een belangrijk kenmerk van kunst uit de oudere steentijd waar de specialisten eigenlijk niet zo goed raad mee wisten. Het zou de wetenschap daarom sieren als ze iets terug zou doen voor Batailles theorie. En misschien gebeurt dat ook, onbewust. Jean Clottes heeft al aangekondigd dat zijn onderzoek in de grot bij Vallon-Pont-d'Arc zich onder meer zal concentreren op de onderlinge verhoudingen tussen de mens, de dieren en de dierafbeeldingen.
Als hij Bataille een dienst wil bewijzen, zou hij om te beginnen eens op zoek kunnen gaan naar aanwijzingen dat de berenbotten een rol hebben gespeeld in offerrituelen. Insnijdingen in botten, akerresten op botten, rituele objecten in de buurt van botten sporen van wurging of andere vormen van geweld - alle beeties helpen. Venolgens moet er natuurlijk een verband worden gelegd met de afgebeelde dieren. Je zou kunnen denken aan rituele objecten en resten van materialen waarmee verf is gemengd, in een en dezelfde archeologische laag. Tenslotte moeten de voetsporen die in de grot zijn gevonden op een of andere manier van pas kunnen komen.
Zo ver is het echter nog niet. Alleen al om maatregelen te nemen voor de conservering van de grot zal men de rest van het jaar nodig hebben. En daarna zal het nog jaren en jaren duren voor het onderzoek is afgerond. Maar ook die situatie heeft haar voordelen. Voorlopig kunnen we gewoon zelf bepalen wat de betekenis was van de dieren in Vallon-Pont- d'Arc.