De hamer en het scalpel

HET HELE AFGELOPEN JAAR kwamen er verhalen uit het Midden-Oosten die suggereerden hoe actief de Verenigde Staten op extremisten jagen in landen waar het Amerikaanse leger geen mandaat heeft. Er waren raketaanvallen in Jemen, onbemande vliegtuigen boven Pakistan, commando-overvallen in Somalië en hulp bij aanvallen in Mauretanië en Mali. In mei lekte al uit dat de Amerikaanse bevelhebber David Petraeus in september vorig jaar een geheim bevel had gegeven voor meer spionage en clandestiene activiteiten in negentien landen in het Midden-Oosten, Centraal-Azië en de Hoorn van Afrika. Een reconstructie in The New York Times suggereerde afgelopen weekend waar alle losse stukjes samen op neerkomen: een nieuwe overkoepelende Amerikaanse strategie in de strijd tegen al-Qaeda.
In plaats van op ‘de hamer’ zullen de VS voortaan vertrouwen op 'het scalpel’, zegt John O. Brennan, de hoogste antiterrorisme-adviseur van president Obama, in de reconstructie. Geen oorlogen meer die enorme hoeveelheden politiek kapitaal, geld en mensenlevens vergen, en die de VS de verantwoordelijkheid geven over hopeloze staten en anti-Amerikanisme aanwakkeren. In plaats daarvan snijden de VS al-Qaeda chirurgisch weg met gerichte aanvallen. 'Een partij is een geheime oorlog tegen ons begonnen’, citeert de Times een lid van de parlementscommissie voor de strijdkrachten, 'en we gebruiken gelijke elementen van Amerikaanse macht om daarop te antwoorden.’ Dat deze nieuwe strategie stilletjes is doorgevoerd zonder noemenswaardige oppositie in Washington komt doordat Republikeinen Obama niet willen aanpakken op een opgevoerde jacht op al-Qaeda, terwijl Democraten zielsblij zijn dat de VS het terreurnetwerk niet meer met veldtochten aanpakken. Toch vallen er heel wat bezwaren bij de nieuwe strategie aan te tekenen.
Zo komt deze strijd gevaarlijk dicht bij het voeren van een oorlog buiten de democratische kanalen om. In Pakistan hebben de VS naar schatting al zo'n duizend vijandige strijders omgebracht. Sinds december voert het Pentagon een militaire campagne uit in Jemen, zonder dat dit officieel wordt erkend, en zonder publiek debat daarover. De Amerikaanse Democraten verweten Bush dat hij de 'oorlog tegen terrorisme’ aan democratisch toezicht onttrok, maar Obama heeft de geheime oorlogvoering alleen maar uitgebreid.
De geheime oorlog wordt in belangrijke mate gevoerd door de afdeling Speciale Operaties van het Pentagon. Dat is te danken aan Bush’ minister van Defensie Rumsfeld, die spionagedienst CIA zo veel mogelijk buitenspel zette. Maar Special Ops hoeft, in tegenstelling tot de CIA, geen verantwoording af te leggen aan het Amerikaanse Congres en heeft voor veel acties geen toestemming vooraf nodig door het Witte Huis. Het Pentagon huurt ook privé-bedrijven van ex-spionnen en commando’s in voor spionagewerk en clandestiene acties, en zij onttrekken zich weer een stap extra aan toezicht. Verbazend genoeg is Obama ook op deze weg voortgegaan.
Een belangrijk bezwaar tegen geheime oorlogvoering, liquidaties en clandestiene operaties is dat ook zij steun aan al-Qaeda kunnen stimuleren. Zo vielen in mei onbedoelde doden bij een Amerikaanse raketaanval in Jemen, waarna lokale stamleden uit wraak een oliepijplijn opbliezen. Daarnaast leidt alle spionageactiviteit tot grotere Amerikaanse samenwerking met twijfelachtige partners, zoals de Pakistaanse geheime dienst ISI.
De geheime oorlogvoering waar Obama voor gekozen heeft mag dan vele voordelen hebben boven roekeloze veldtochten, dat verandert niets aan het feit dat democratische besluitvorming en verantwoording bij het voeren van oorlog niet voor niets zijn ingesteld; net als democratisch toezicht op spionagediensten. Het is pijnlijk dat net Obama, die mede verkozen werd om zijn verzet tegen de Irak-oorlog, zich zo ver op het pad van geheime oorlogvoering heeft begeven.