De handel in schulden

“T IS ZO KROM als wat.‘ Ze klinkt geïrriteerd. Nee, haar naam mag niet in de krant, die van haar firma ook niet. Want binnenkort moet ze voor de rechter.

Een paar jaar geleden richtte zij een firma voor schuldbemiddeling op, in een gemeente in de kop van Noord-Holland. ‘Ik vroeg de Kamer van Koophandel of ik een diploma nodig had. “Nee hoor”, zeiden ze, “u kan gelijk beginnen.” ’ Toch kreeg ze de Economische Controledienst op haar dak, want schuldbemiddeling waarvoor de klant moet betalen, is verboden - artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet.
'Moet ik van de lucht leven?’ vraagt de schuldbemiddelaarster. Voor haar bemiddeling betaalt een klant tussen de vijftig en honderd gulden per maand. In ruil daarvoor doet zij de correspondentie met de schuldeisers van haar pakweg honderd klanten. 'Weet u waarom het zo krom is? Omdat Den Haag niks doet. De overheid laat de mensen met schulden mooi zitten.’
Haar firma behoort tot de tenminste veertig commerciële bedrijfjes die de Economische Controledienst reeds in kaart heeft gebracht. Adviesbureaus, stichtingen en eenmansbedrijfjes hebben zich op de groeimarkt schuldenaars gestort. Zeker enkele tienduizenden mensen met schulden laten zich door zulke bedrijfjes helpen bij het afbetalen van hun schulden. Dat ze hun heil bij de vrije markt zoeken, is geen toeval - minima met schulden komen vaak niet in aanmerking voor schuldsanering. Elke dag kloppen gemiddeld 74 mensen aan bij de vijftig gemeentelijke kredietbanken in Nederland voor een felbegeerd saneringskrediet, maar zestig procent staat met lege handen weer op straat.
'Iemand moet in drie jaar tijd schuldenvrij zijn. Dat is ons criterium’, zegt Jan Siebols, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet waarbij de gemeentelijke kredietbanken zijn aangesloten. 'Het merendeel dat bij ons komt, heeft echter geen aflossingscapaciteit. Na het betalen van hun vaste lasten en noodzakelijke boodschappen, hebben ze geen geld meer over om hun schuldeisers te betalen. Dit komt helaas steeds meer voor.’
'MEN WORDT, kortom, het bos ingestuurd. Daar komt het op neer’, zegt Henk de Winter in het kantoor van de Economische Controledienst in Utrecht. Hij is coördinator van een team van zes rechercheurs die zich onder meer op de schuldbemiddeling hebben gestort.
Onder die schuldbemiddelaars zitten weliswaar notoire oplichters, 'maar het gros is echt bewogen. Vaak hebben ze zelf ooit schulden gehad’, zegt De Winter. Idealisten, kortom, onder wie zelfs mensen die schuldbemiddeling als een (goedbetaalde) roeping van God zien. 'Het probleem is dat ze amateuristisch zijn. Ze worden bedolven door klanten en kunnen het niet aan.’ Er is geen enkele controle op de geldstromen in die bedrijfjes, benadrukt hij.
Zelden heeft De Winter een vrije schuldbemiddelaar op gedegen administratieve kennis kunnen betrappen. Wèl op een aardig inkomen - tot tienduizenden guldens per maand. En in de helft van de gevallen die hij kent, worden gelden verduisterd.
Meestal wordt de klanten gevraagd een paar tientjes, meiers tot soms duizendjes op tafel te leggen voor het eerste advies c.q. schuldsaneringsplan. Vervolgens maken die klanten maandelijks hun loon of uitkering over naar de firma die hun schuldeisers tot rust probeert te manen. 'Op deze wijze geld aantrekken en onder zich hebben, mag ook niet. Maar het gebeurt’, zegt De Winter. Hij kent een bedrijfje waar op die manier negen ton per maand binnenkomt. Eenmaal per week komen de klanten dan hun leefgeld halen, een bedrag voor de noodzakelijkste boodschappen. Een alleenstaande ontvangt meestal vijfenzeventig, een echtpaar honderdvijftig gulden leefgeld per week. Zij komen dat bedrag aan het loket ophalen, maar er is al een bedrijf gesignaleerd dat een met een chip gelimiteerd pasje verstrekt, waarmee de klant zijn leefgeld uit de muur kan trekken.
Zelfs sociale diensten en gemeentelijke kredietbanken, zegt De Winter, verwijzen door naar deze bedrijfjes. Hij kan daar begrip voor opbrengen: 'Ze zitten zelf met hun handen in het haar.’ Sommige schuldbemiddelaars werpen zich zelfs als bewindvoerder op, en dat mag ook al niet. 'Maar zulke verzoeken tot onderbewindstelling zijn hamerstukken bij de kantonrechter, omdat de onderbewindgestelde er zelf om heeft verzocht.’
Zelfs in het medisch-psychiatrische circuit heb je een stuk of veertig stichtingen voor schuldbemiddeling voor patiënten, zegt hij. 'Helemaal volgens de wet is het daar ook niet. Maar het heeft niet onze hoogste prioriteit.’
SCHULDENHANDELAREN jagen op de markt van, in het jargon van Melkerts armoedenota, 'huishoudens met problematische schulden’. Zonder hulp lukt het ze niet om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. Naar schatting zijn er al honderdvijftigduizend tot tweehonderdduizend huishoudens met problematische schulden. Volgens berekeningen van het CBS heeft veertien procent van de Nederlandse huishoudens meer schulden dan bezittingen, de minima voorop. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat zeker een derde deel van de minima één of meer schulden heeft. En maar liefst tien tot vijftien procent van alle minima heeft problematische schulden. Waaronder huurachterstanden. Vooral om die reden werden vorig jaar in Nederland per dag ruim zestien mensen met een gerechtelijk vonnis uit de sociale huursector ontruimd.
Veel schuldenaren kloppen niet alleen vergeefs bij de gemeentelijke kredietbanken aan, ook sociale diensten en andere instellingen geven nul op het rekest. Vanwege de bezuinigingen, zo heet het.
Onzin, zegt Jet Creemers, directeur van Planpraktijk, een particuliere hulpverleningsinstelling die door gemeenten wordt ingehuurd voor schuldhulpverlening: 'Al vanaf de jaren tachtig, toen wij met integrale schuldhulpverlening begonnen, wij hebben zelfs de term bedacht, heeft de overheid de schuldenproblematiek niet erkend - noch in aard, noch in omvang.’ Volgens haar begint het pas sinds kort in Den Haag door te dringen.
Men buitelt over elkaar heen om het schuldenfenomeen te verklaren. Meest gangbaar: de minima komen structureel tekort, zij weten de weg niet te vinden naar subsidies, kwijtscheldingen van heffingen en de hulpverlening; dan wel hebben zij geen zin, of schamen zich om hun hele hebben en houden op tafel te leggen voor een paar honderdjes aan kwijtschelding. Maar ook: eigentijdse burgers blinken niet uit in budgetteren. Zij hebben een slechte betalingsmoraal en lijden aan 'consumentisme’ - zij willen, bij wijze van spreken, niet alleen een videocamera, maar ook een breedbeeld-tv. Bovendien liggen kredietverleidingen op de loer - vooral dank zij het plastic geld waarmee de klant rood kan gaan staan.
En Nederland koopt graag op krediet. Volgens het CBS leenden particulieren het eerste half jaar van 1996 7,6 miljard gulden voor consumptieve doeleinden, een groei van bijna vijftien procent ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Het aflossen wordt echter wreed verstoord wanneer de baan of een goedverdienende partner wegvalt. Zo begint een schuldencarrière. De inkomens mogen geflexibiliseerd zijn, de uitgaven zijn niet één, twee, drie bij te stellen.
BAS, EEN SUCCESVOLLE veertiger in de reclamebusiness, sloot jaren geleden leningen af om zijn huis te verbeteren. 'Ik loste keurig iedere maand af. Totdat het bedrijf waar ik werkte failliet ging. Toen werd die post “aflossingen” te hoog’, zo zegt de reclameman in een 'Van der Valk’ aan een snelweg. Bij de gemeente durfde hij zich niet te vervoegen: 'Iedereen kent me daar. Ik schaamde me diep.’
Hij las een veelbelovende advertentie: 'Schulden? Wij helpen u ervanaf.’ De firma werd gerund door twee Nederlandse mannen die vertelden dat hun schuldbemiddeling zowat niets kost. Maar kort daarop eisten zij 2500 gulden - vooraf te betalen. En als ze de zaak goed op de rails zouden hebben, moest Bas met nog eens zevenduizend over de brug komen.
Bas schraapte 1500 gulden bij elkaar. Het duo nam zijn bankpapieren en koopaktes mee en beloofde aan de slag te gaan.
En toen werd het stil. 'Terwijl ik de ene deurwaarder na de andere aan de deur kreeg die met beslaglegging dreigde. De bank wilde de kraan dichtdraaien.’ Hij nam contact op met zijn schuldbemiddelaars. 'Wij gaan actie voeren’, kreeg hij te horen. 'Maak uw salaris maar over; één partje is voor ons, andere partjes gaan naar uw schuldeisers. Zo leggen we ze stil.’ De stroom deurwaarders en incassobureaus nam nochtans niet af.
Het schuldbemiddelingsduo bood hem vervolgens aan bij hen in dienst te komen. Bas was toch reclameman? Welnu, hij mocht voor hen een produkt promoten. Voor 25 mille kon Bas zich inkopen. Toen hij opperde dat zíj toch moesten weten dat hij geen cent meer te makken had, werd er gesust: hij kreeg eerst zes maanden de tijd om zich te ontplooien. 'Drie dagen nadat ik actief was, belde een van hen mij op: “Ik kom alle spullen bij je weghalen, want je hebt nog geen enkel contract binnen.” Drie dagen!’ Bas is nog sprakeloos.
Geëmotioneerd: 'Ik heb ze thuis ontvangen. Ze hebben bovenop me gezeten. Letterlijk en figuurlijk. Ik had geen speeksel meer in mijn mond van angst. “We nemen je spullen mee”, schreeuwden ze. Het huis trilde op zijn grondvesten. Drie, vier huizen verder was hun geschreeuw te horen. Ze eisten dat ik die 25 mille zou betalen, het geld om mij in te kopen in het produkt c.q. idee. En als ik die vijfentwintigduizend gulden niet had, “brak bij mij de pleuris los”. Ze zijn gegaan en hebben onder bedreiging enkele dure spullen van mij meegenomen, zogenaamd als onderpand.’
Eén dag later stonden ze weer op zijn stoep. 'Op klaarlichte dag hebben ze de voordeur eruit geramd. Ze stonden in de gang. Daar hebben ze weer hun showtje opgevoerd. Schreeuwen en brullen. Binnen een week vijfentwintigduizend gulden op tafel.’
Er volgde een boodschap op het antwoordapparaat: 'We maken jouw gezin helemaal kapot. Je kinderen gaan eraan, en jij ook. Wij verkopen je huis. De pleuris barst los.’
Hij zoekt naar woorden: 'Schoften zijn het. Insecten. Bacillen.’ Maar in die tijd was hij geen partij voor het oplichtersduo: 'Je hebt schulden, je zit diep in de put, je bent je draagkracht kwijt. Je bent een marionet.’
Zijn huis afpakken, dat bleek het einddoel van het schuldbemiddelingsduo. 'Van al die centen die ik maanden naar hen heb overgemaakt, is alleen mijn hypotheek betaald. Zij hielden mijn poen in hun pocket’, zegt Bas, die duizenden guldens verloren heeft. De materiële schade, zegt hij, is niet eens het ergste. 'De psychische schade is onherstelbaar. Er is stress en onrust in het gezin. Mijn vrouw is een wrak. Ik slaap niet meer. Mijn zoons lopen bij de Riagg. Soms rennen ze ’s nachts schreeuwend door het huis - bang dat het duo weer op huisbezoek komt.’
Van twee rechercheurs van de Economische Controledienst vernam Bas dat hij de eerste was die het optreden van dit duo naar buiten durfde te brengen, maar zeker niet het enige slachtoffer. 'Wij hebben een inval gedaan, en stapels rekeningen en papieren gevonden. U bent misschien wel nummer 101 in de rij’, zeiden ze. 'We zijn er weken, maanden mee bezig. Maar we weten nog niet alles, want niemand durft te praten.’
'Ja’, zegt Bas, 'je hoeft maar eenmaal zo'n huisbezoek meegemaakt te hebben.’ De rechercheurs vertelden hem dat de twee onder een nieuwe firmanaam weer actief zijn.
HENK DE WINTER erkent dat zijn rechercheurs met het oplichtersduo bezig zijn. 'Een bijzonder extreme zaak’, zegt hij. 'Het overgrote deel van de schuldbemiddelaars is gelukkig niet gewelddadig.’
Vorige maand kwam een niet-gewelddadige, maar evenzeer geldkloppende firma in Amsterdam in het nieuws, die door de Economische Controledienst succesvol werd opgerold. Die firma handelde onder de naam Crecencia, een administratiekantoor dat enkele honderden Amsterdammers heeft opgelicht. Deze mensen veronderstelden dat hun schulden betaald zouden worden. Maar de honderden guldens die zij daarvoor maandelijks naar dit bedrijfje overmaakten, belandden in de zakken van de schuldsaneerders.
Verduistering dus. Dan komt het Wetboek van Strafrecht op de proppen en wordt de opsporing steeds tijdrovender voor de slechts zes rechercheurs op de expansieve schuldbemiddelingsmarkt. Als het aan De Winter ligt, wordt zijn team uitgebreid.
Intussen zijn zeven zaken bijna afgerond. Er liggen processen-verbaal bij het Openbaar Ministerie. Soms staat men niet te popelen om deze wetsovertreders aan te pakken. Dat ontdekte De Winter toen hij een paar processen-verbaal kwam aanleveren bij een economisch officier van justitie. Slechts met moeite wist hij haar te overtuigen om de zaak te vervolgen. 'Die officier voelde er eigenlijk niks voor’, zegt hij. 'Zij ging er tegenaan zitten kijken en zei: “Maar als die mensen hen niet helpen, wie doet het dan? Ik mag het foutje opknappen, omdat de overheid geen algemene maatregel van bestuur uitvaardigt?”’
Inderdaad, de overheid kan een algemene maatregel van bestuur uitvaardigen, waarmee toezicht komt op de schuldbemiddeling. Dan kan er bijvoorbeeld een registratieplicht worden ingesteld voor degenen die zich met schuldbemiddeling bezig houden. Er kunnen eisen worden gesteld aan de inrichting van de administratie en aan de maximale kosten die aan de klant in rekening mogen worden gebracht. Het ministerie van Economische Zaken voelt echter niets voor zo'n maatregel, in tegenstelling tot de eigenares van het schuldbemiddelingsbureautje in de kop van Noord-Holland: 'Laten ze ons een vergunning geven. Dan mogen ze elk half jaar bij ons in de boeken komen kijken.’
Jet Creemers van Planpraktijk vermoedt dat er mensen bij de overheid zijn die er belang bij hebben dat malafide praktijken 'opgeklopt’ worden. Alle instellingen van buiten de overheid, zegt ze, worden daardoor al gauw op één hoop geveegd. Vanzelfsprekend is Creemers tegen zulke malafide bedrijfjes. 'Die moeten keihard aangepakt. Maar hoe vaak hebben wij niet met fraudezaken binnen het overheidsapparaat te maken gehad? Toen hebben wij toch ook niet de héle overheid aan de schandpaal genageld?’
De overheid moet ruimte maken voor particulier initiatief in de schuldhulpverlening, zegt ze. 'Dat past in deze tijd waarin burgers hun verantwoordelijkheid willen nemen. Maar dan moet de overheid haar taak als regisseur en coördinator voor schuldhulpverlening serieus nemen.’ Zij bespeurt onder ambtenaren èn politici onwil en angst om hun taken met de vrije markt te delen. Dus moddert ieder maar door op de vertrouwde maar volgens Creemers doodlopende weggetjes. In discussies, bijeenkomsten en nota’s over de schuldenproblematiek mist zij ruimte voor particulier initiatief.
NIET DAT NEDERLAND stil zit. Volgende week komen de problematische schuldenaars ter sprake op de eerste Sociale Conferentie over armoede. 'Het veld’ is om de tafel gaan zitten. Plaatselijk ontstaan initiatieven. Enkele gemeenten willen stichtingen oprichten voor schuldbemiddeling voor de groep die niet door de sociale diensten en de gemeentelijke kredietbanken wordt geholpen. Een vangnetje onder een vangnet.
Integrale schuldhulpverlening is het toverwoord. Hulpverleners moeten niet alleen de schulden oplossen, maar de hele situatie van een klant bestuderen. Zijn er psychosociale klachten? Woont iemand te duur? Achter de schermen zijn sommige gemeenten in overleg met woningbouwcorporaties om desgewenst sneller naar een goedkopere woning te kunnen verhuizen.
Het heeft de schijn van aardige maar wellicht te beperkte lapmiddeltjes die de tweehonderdduizend huishoudens met 'problematische schulden’ niet echt vooruit zullen helpen. Zoals recent het goedbedoelde voorstel van de Amsterdamse PvdA-fractie. Die wil langdurig werklozen op Melkertbanen inschakelen voor de schuldhulpverlening. 'Budgetassistenten’, 'inkomensadviseurs’ en een 'formulierenbrigade’ zullen de huishoudens met schulden moeten bijstaan.
Voor de problematische schuldenaar lonkt vooralsnog de vrije markt. Hoewel? 'Ook wij kunnen de zware gevallen niet helpen’, zegt de schuldbemiddelaarster in de kop van Noord-Holland. 'Die met een uitkering en hoge schulden, die sturen wij ook weer weg. Ja, sorry hoor.’