DE CREATIEVE STAD (2)

De harde competitie der steden

Niet klassenstrijd maar stedenstrijd bepaalt de moderne stadspolitiek. De recente hype van de ‘creatieve stad’ moet in dat licht worden gezien.

In 2003 maakte de Amerikaanse hoogleraar Richard Florida een internationale promotietour voor zijn boek The Rise of the Creative Class. Op 25 en 26 september deed hij Nederland aan. Hij sprak in de Amsterdamse Westergasfabriek, een uitgekiende locatie voor dit onderwerp. Richard Florida had de uitstraling van een filmster en hij sprak met flair. Zijn boodschap was dat het creatieve milieu van kunstenaars, technici, mediabedrijven, reclamebureaus en vormgevers de economische motor van de stad in de 21ste eeuw wordt. Stadsbestuurders van linkse en rechtse snit waren enthousiast. De eersten omdat ze denken dat creatieve milieus maakbaar zijn. De tweeden omdat ze geloven dat creativiteit en liberalisering samengaan.

De hype van de ‘creatieve stad’ is geboren. Elke stad wilde creatieve stad worden: van Amsterdam tot Doetinchem. Dat de term ‘creatieve stad’ al een aantal jaren eerder was gelanceerd door de Engelsman Charles Landry is vergeten. Ook in de stadspolitiek is het de verpakking die telt.

Maar de hype van de creatieve stad staat niet alleen, ze is de laatste in een rij. De stadspolitiek is onmiskenbaar veranderd. Twintig jaar geleden was de toon zeer somber. De stedelijke malaise strekte zich ongeveer over de hele westerse wereld uit. De economie zakte in, de middenklasse verdween naar suburbia en de steden bleven achter met slechte woningen, een torenhoge werkloosheid, laag opgeleide immigranten en dreigende etnische conflicten. Angst domineerde de stadspolitiek: angst voor ‘Amerikaanse toestanden’, voor getto’s, voor de stad als armoedeval.

Ergens in de jaren negentig vond een omslag plaats. Sindsdien zijn het niet meer de metaforen van ‘achterstand’ en ‘probleemgebied’ die de stadspolitiek beheersen, maar die van de ‘global city’ (Saskia Sassen), de ‘stedelijke clusters’ en ‘brainports’ (Michael Porter) en nu dus de creatieve stad.

Vanwaar die omslag? Is de situatie van de stad veranderd? Of is er sprake van een opzichtige poging om met de woorden ook de dingen te veranderen? Over welke stedelijke werkelijkheid gaan de oude en nieuwe metaforen eigenlijk?

In De Groene Amsterdammer van vorige week gaven Gideon Boie en Matthias Pauwels een simpel antwoord op deze vragen. Ze poneerden de stelling dat Rotterdam de metafoor van de creatieve stad bewust inzet om te verhullen dat er een nieuwe klassenstrijd plaatsvindt, waarbij de ‘bevoorrechte klasse’ de stad in bezit neemt ten koste van de arbeidende klasse. Ze sloten hun onthulling af met een citaat van hun gids, de marxistische geograaf David Harvey: ‘Als iets ruikt naar klassenstrijd en zich ook zo gedraagt, kun je het ook beter maar zo noemen.’

Die stelling heeft de charme van de eenvoud. Maar ze verhindert inzicht in de structurele veranderingen die hebben plaatsgevonden in de positie van de stad en de stadspolitiek. Om drie redenen.

Ten eerste. Het lot van steden en daarmee van de stadspolitiek wordt goeddeels bepaald door de lange economische en demografische cycli. De oorsprong van de huidige stadspolitiek ligt in de jaren zestig van de twintigste eeuw, toen de grote suburbanisatiegolf begon. Stedelingen verhuisden naar de omgeving van de stad, naar de suburbane rijtjeswoning met de parkeerplaats voor de deur. De stad slonk en het ommeland groeide. De suburbanisatie was een revolutionaire verandering waarvan het belang voor de stedelijke conditie nauwelijks kan worden overschat. Het verstedelijkingsproces keerde om. In voorgaande eeuwen leidde economische voorspoed tot de toestroom van bedrijven en bevolking naar de stad, tot stedelijke groei. Nu werd in een periode van welvaart juist de beweging de stad uit dominant.

Suburbanisatie werd in de halve eeuw daarna het grote onderliggende thema op de stedelijke agenda. Eerst overheerste de angst voor het ‘vollopen’ van het platteland. Eind jaren zeventig ontdekte men dat de suburbanisatie juist ook voor de steden zelf gevolgen had: de steden verarmden in hoog tempo. Dat kwam doordat rond die tijd ook de deïndustrialisatie van de stedelijke economie in volle hevigheid was begonnen. Toen ik in 1975 als beginnend student in Amsterdam-Noord ging wonen, waren daar nog de grote scheepswerven van de adm en de ndsm met duizenden werknemers. Tien jaar later waren ze vrijwel verdwenen, en met hen de banen. Datzelfde gebeurde in Rotterdam en andere steden. Vele grote haven- en industriegebieden bleven leeg achter.

De manier waarop de stedelijke malaise op de agenda van de stadspolitiek kwam, werd bepaald door het feit dat die stadspolitiek zelf in de naoorlogse periode sluipenderwijs onderdeel was geworden van de nationale verzorgingsstaat. Eeuwenlang was de stadspolitiek gevormd door de steden zelf, door de lokale politieke en economische elite, door de burgers. De opkomst van de verzorgingsstaat betekende politieke centralisatie. Met subsidiestromen werd de stadspolitiek vastgeklonken aan het nationale beleidsapparaat, met name in de volkshuisvesting. Daarom richtten stadsbesturen zich tot in de jaren negentig op de sociale woningbouw, alsof de stadsbevolking nog steeds voor driekwart uit arbeiders bestond. Ook de overige maatregelen pasten in het kader van de verzorgingsstaat. Er kwam sociaal wijkbeleid. De gesubsidieerde arbeid werd uitgevonden. Maar uitstroom van middengroepen uit de stad bleef zo in stand, en ook de economische regeneratie van de stad viel buiten het paradigma van de verzorgingsstaat.

Ten tweede. De huidige stadspolitiek wordt bepaald door een verhevigde stedenstrijd. Die strijd is het gevolg van een belangrijke wending in de jaren negentig. De economische positie van veel grote steden in de VS en Europa herstelde, vooral van de steden met een sterke positie in de zakelijke en financiële dienstverlening: in Nederland met name Amsterdam en Utrecht. Door de groei van de stedelijke economie werd de stad ook weer een aantrekkelijker woonplaats voor grotere groepen hoogopgeleiden, eerst aangeduid als yuppen en later opgenomen in de ‘creatieve klasse’. In zijn onlangs verschenen boek De nieuwe stad analyseert de sociaal-geograaf Rob van Engelsdorp Gastelaars deze ontwikkeling.

Met het economische herstel van de steden veranderde echter ook het speelveld. Door de snelle globalisering kwamen steden in directe concurrentie met elkaar. Steden streden om de vestiging van hoofdkantoren van bedrijven, om de positie van zee- en luchthavens, om internationale instellingen, kennisinstituten en laboratoria. Het ‘concurrerend vermogen’ van de stad als vestigingsplaats werd plotseling van belang. In Europa werd dat proces nog eens versneld door het wegvallen van de economische binnengrenzen in 1992. In Nederland werd bovendien de navelstreng van de gesubsidieerde volkshuisvesting tussen de verzorgingsstaat en de stadspolitiek doorgesneden. Steden konden niet meer rekenen op een automatische bouwstroom en moesten via de markt van koopwoningen gaan werven om midden- en hogere inkomens. Ze staan daarin niet alleen tegenover elkaar, maar ook tegenover suburbia. Want ondanks de hernieuwde belangstelling voor wonen in de stad gaat de suburbanisatie gewoon door.

De hypes van de brainports, de kennisclusters, de creatieve stad en ook het funshoppen, de topsport en de culturele festivals moeten in het licht van deze nieuwe stedenstrijd worden gezien. Het aantrekken van bedrijven, bewoners en bezoekers: daar gaat het om in de hedendaagse stadspolitiek. Stadsbesturen voelen de urgentie daartoe, omdat de globalisering doorgaat terwijl de optie van terugvallen op de verzorgingsstaat is afgesneden, en omdat veel steden strijden om een beperkt aantal alternatieven. Niet elke stad kan brainport of hoofdstad van de creatieve sector worden, zeker niet in Nederland met zijn hoge stedendichtheid.

Ten derde Rotterdam, het mikpunt van de kritiek van Boie en Pauwels. Rotterdam is onderdeel van deze verhevigde stedenstrijd, ook ten opzichte van andere steden in de Randstad. Die stedenstrijd is het reële speelveld, en niet de bestuurlijke retoriek over samenwerking, complementariteit en synergie in de Randstad of nog erger de Deltametropool. Die retoriek overleeft een empirische analyse namelijk niet, zoals enkele van mijn collega’s vorig jaar lieten zien in Vele steden maken nog geen Randstad.

In deze strijd heeft Rotterdam niet de beste papieren. Ze ervaart het meest de gevolgen van de deïndustrialisatie. De haven is niet meer de grote banenmotor. De beroepsbevolking heeft een lager opleidingsniveau dan die van de andere grote steden. Amsterdam groeide door zakelijke dienstverlening, Schiphol en de creatieve sector. Rotterdam nauwelijks. Rotterdam mist de aantrekkelijke woonmilieus van de historische binnensteden of de zandgronden rondom Den Haag. Al een eeuw geleden bouwden Rotterdamse havenbaronnen villa’s in de Haagse wijk Duttendel. De Rotterdamse woonmilieus waren voor de elite niet aantrekkelijk. Dat is nog steeds zo. Met oude industriesteden als Manchester, Turijn of Detroit zoekt Rotterdam wanhopig naar een koers in de nieuwe stedenstrijd.

De laatste jaren heeft Rotterdam een van de schaarse voordelen van de deïndustrialisatie ontdekt: de erfenis van de verlaten stedelijke ruimten, vooral rond de havens. Die worden nu ingezet en moeten elite en middengroepen verleiden om niet naar de suburbane gebieden of andere steden te verhuizen. In Rotterdam is het door Boie en Pauwels genoemde Lloydkwartier een van die oude haventerreinen waar een nieuw woongebied wordt ontwikkeld. Er komen bijna tweeduizend woningen, waarvan de helft koopwoningen in de vrije markt, dertig procent middeldure woningen (voor de middeninkomens) en twintig procent in de sociale sector. Daarnaast maakt men bedrijfsruimten voor de Rotterdamse ‘niche’ van de creatieve stad: de nieuwe media. Er wordt geen bestaande woonbuurt gesloopt. Daarom is de retoriek van Boie en Pauwels over het verdrijven van de arbeidende klasse uit de stad misplaatst. Het gaat hier om stedenstrijd, niet om klassenstrijd.

Met hun klassenstrijd zijn Boie en Pauwels net als hun leermeester David Harvey blijven haken in de stedelijke conditie van een kwart eeuw geleden. Dat blijkt ook uit hun typering van wijken als Spangen en Nieuw Crooswijk als ‘sociale woonbuurten’ en ‘oude, hechte arbeiderswijken’. Dan moet je wel decennia geslapen hebben. Spangen was eind jaren negentig dé drugswijk van Nederland. De bevolking vroeg er om drastische maatregelen. In het marxisme van Boie en Pauwels heet dat ‘een verwarde populistische reactie’, hun equivalent van het aloude ‘valse bewustzijn’. Een bewijs van onvermogen om greep te krijgen op de huidige stadspolitiek.

David Harvey liet dat zelf op een erg pijnlijke manier zien. Najaar 2000 gaf hij in Den Haag de Megacities-lezing. Toen hij een vraag kreeg over The Rise of the Network Society van Manuel Castells, voor velen de basis van de huidige stadstheorie, reageerde hij grimmig. Hij beschuldigde Castells ervan een ‘overloper’ te zijn die zijn ziel had verkocht aan het grote geld en de roem.

Om Harvey zelf te parafraseren: als iets ruikt naar broodnijd en zich ook zo gedraagt, kun je het ook beter maar zo noemen.

[Vorige week publiceerden wij een artikel waarin werd betoogd dat de ‘creatieve stad’ door stadsbesturen wordt misbruikt om een klassenstrijd te voeren.](http://groene.alias.nl/index.php?show=article&source=issue&articleid=2377e7c7ecb9ef3fc6d6d5f559cdfb41)Op uitnodiging van_ De Groene Amsterdammer schreef Ries van der Wouden bovenstaande reactie. Van der Wouden is politicoloog en sectordirecteur van het Ruimtelijk Planbureau