De harde les van de y-markt

Minister Andriessen van Economische Zaken opende op 31 oktober 1993 ‘dolgelukkig’ de Amsterdamse Y-markt. Op een kleine kilometer van het Centraal Station kregen tweehonderd merendeels allochtone ondernemers de kans om in kleine - meer of minder exotische - winkeltjes de weg naar het succes in te slaan. Want de verwachting was dat de Y-markt wekelijks vijftienduizend bezoekers zou trekken.

Nog geen 25 kilometer westwaarts was op hetzelfde moment een man ervan overtuigd dat het op een fiasco zou uitdraaien: B. van Kampen, marktmeester van de ruim twaalf jaar oude Zwarte en Oosterse Markt in Beverwijk, waar elk weekend vijftigduizend bezoekers op afkomen. Van Kampen had vijf jaar daarvoor gepoogd zijn markt te verplaatsen naar Amsterdam. Maar liefst 212 instanties wisten dat eendrachtig te voorkomen. De Y-markt mocht dus de belangen van marktkooplui en middenstanders niet in de weg staan. En Van Kampen voorzag nog wel meer problemen: ‘Een overdekte markt kun je aan de buitenkant van de stad maken, maar niet downtown, want dan trekt zij zwervers en junks aan. Ten tweede: tweehonderd kramen is te weinig om een toeristische attractie te vormen, daar moet je er minstens vijfhonderd voor hebben. En ten derde: een markt waar zeventig van de tweehonderd plaatsen bezet worden door langdurig werklozen is tot mislukken gedoemd.’
Nog geen jaar later krijgt Van Kampen gelijk. De Y-markt is op sterven na dood. Wethouder Peer laat begin volgende week weten of de poorten definitief dicht gaan of dat het project uitstel van executie krijgt. Het zwartepieten is inmiddels in volle hevigheid losgebarsten. De gedupeerde ondernemers leggen de schuld - overigens niet ten onrechte - vooral bij het gemeentebestuur dat blunder op blunder heeft gestapeld (foute locatie, onjuiste prognoses, slechte pr, onvoldoende begeleiding). Maar ook wijzen er vingers in de richting van de startende ondernemers zelf die te veel afhankelijkheid en te weinig initiatief zouden tonen.
Echt zinvol zijn deze beschuldigingen niet. De tragische teloorgang van de Y-markt wijst vooral op het failliet van een hardnekkig soort verzorgingsstaatdenken, waarin probleemgroepen in strak gereguleerde werkgelegenheidsreservaten worden afgezonderd, terwijl er tegelijkertijd nauwlettend wordt toegezien dat de gevestigde belangen niet met voeten worden getreden. Dat is een doodlopende weg, en de Y-markt vormt daarvoor het ultieme bewijs.
Niet zozeer de probleemgroep zou uitgangspunt moeten zijn, maar het bewezen succes van mensen uit deze groepen. De taak van de overheid zou moeten zijn om op een creatieve niet-bureaucratische wijze dat succes te vergroten en te versnellen, eventueel - en dat is dan een politieke keuze - dwars door alle gevestigde belangen heen. Een Y-markt met ervaren allochtone marktondernemers was op dezelfde locatie eerder een succes geworden voor de werkgelegenheid van deze groep dan het sociale werkproject dat er nu van is gemaakt. Om nog maar te zwijgen over de kans die de gemeente heeft laten liggen toen de Beverwijkse markt naar Amsterdam wilde verhuizen en de gemeente de moord-en- brand-schreeuwende handelaren niet in de wielen wilde rijden. Daarvoor betaalt het stadhuis nu de dure rekening.