De Afghaanse vrouw als rechtvaardiging voor oorlog

De harde, mannelijke hand

Meisjes en vrouwen van de onderdrukking redden, zo werd de oorlog tegen de Taliban ook verantwoord. Nu drukken de psychisch-sociale gevolgen van die oorlog in Afghanistan vooral op vrouwen. En de Taliban werden niet verslagen maar kwamen terug.

Luister naar dit artikel

Een vrouw bedelt in Kabul. Augustus 2018 © Pascal Maitre / Panos Pictures / ANP

Nu de westerse militairen vrijwel uit Afghanistan zijn vertrokken, de Taliban zich opmaken om de regering in een wurggreep te nemen en het land een nieuwe burgeroorlog opdringen, gaat er geen beschouwing voorbij waarin niet gevreesd wordt voor het lot van Afghaanse vrouwen. Die vrees is terecht. Een van de kenmerken van het radicaal conservatieve Taliban-bewind (1996-2001) waren de ernstige belemmeringen voor meisjes en vrouwen om zich te ontwikkelen. Inmiddels kunnen meisjes ook in veel delen van Afghanistan die door de Taliban worden bestuurd tot hun twaalfde naar school, maar daarna is het wel afgelopen.

Genderongelijkheid in Afghanistan is geen uitvinding van de Taliban, evenmin als de boerka dat is. Als in grote delen van het land een jongetje wordt geboren, worden er geweren afgeschoten en op trommels geroffeld; als het een meisje is, wordt er een ritueel gehouden om kwade geesten te verdrijven. Gelijkheid tussen de seksen is nog een ver goed. Afghanistan staat 170ste van de 189 landen op de Gender Development Index en voorlaatste tussen Syrië en Jemen op de Women Peace and Security Index. De Taliban zijn eerder een uitdrukking van de mores op het grote Afghaanse ‘platteland’ dan de bedenker ervan, maar geven er wel een religieuze en autoritaire draai aan. Onder moderne Afghaanse vrouwen leidde het repressieve bewind tot ondergronds verzet, bij vrouwenorganisaties in het Westen tot verontwaardiging en solidariteit.

Toen de regering-Bush na 9/11 het bewind van de Taliban omverwierp, maakte ze dankbaar gebruik van de genderapartheid van de Afghaanse moellahs. First Lady Laura Bush verklaarde dat de onderdrukking van vrouwen een centraal doel van de terroristen is. Het State Department onthaalde vertegenwoordigers van vrouwenorganisaties bij de presentatie van het Report on the Taliban’s War against Women, dat benadrukte dat de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme ten dele een oorlog was voor vrouwen en kinderen. George Bush, die niet bekend stond om zijn voorliefde voor vrouwenrechten – met het Vaticaan en islamitische landen voerde hij wereldwijd campagne tegen het recht op abortus – tekende in aanwezigheid van vrouwenactivisten de Afghan Women and Children Relief Act.

De Amerikaanse regering haalde daarmee een voor historici vertrouwd thema van stal, dat van de masculiene natie die ten strijde trekt om verdrukte vrouwen en kinderen te redden. Tijdens de Amerikaans-Spaanse oorlog om Cuba in 1898 was het redden van Cubaanse vrouwen tegen Spaanse bruten een populair thema in Amerikaanse kranten. In de Eerste Wereldoorlog beeldde Hollywood Duitsers af als monsters die kinderen uit ramen gooiden, en in de Vietnamoorlog zei de Amerikaanse generaal Westmoreland dat de Vietcong armen afhakte van gevaccineerde kinderen.

De vernietiging van de al-Qaeda-kampen in Afghanistan was een legitieme daad van zelfverdediging tegen de aanvallen op 11 september. Dit doel is vanaf het begin echter op één hoop gegooid met een oorlog tegen de Taliban, die niet betrokken waren bij de aanslagen, maar aarzelden om de daders op de Amerikaanse voorwaarden aan de VS uit te leveren. Terrorisme was de noemer om beide organisaties verantwoordelijk te maken. Terrorisme bedreven de Taliban zeker, maar binnen de Afghaanse grenzen; ze vormden geen internationale bedreiging. De Amerikaanse weigering om de verslagen Taliban te integreren in een nieuwe Afghaanse orde eind 2001 was de moeder van de vele fouten die tot de heropleving van de beweging en de langste oorlog uit de Amerikaanse geschiedenis leidden. Als een echo van de koloniale mission civilicatrice diende de bevrijding van de Afghaanse vrouw als morele vlag om de oorlog tegen de Taliban te rechtvaardigen, maar ze was nooit het politieke doel ervan.

Het omgekeerde vond ook plaats in de uitgestrekte gebieden buiten de steden waar de Taliban actief waren. De afdeling voor psychologische oorlogvoering van de Amerikaanse strijdkrachten (psyop) verspreidde indachtig het patriarchale stereotype over vrouwen posters waarop in boerka geklede Taliban-strijders ‘lafaards’ werden genoemd, omdat ze ‘lijken op en vechten als vrouwen’.

Ten strijde trekken vereist in een democratie steun van de bevolking. Het Nederlandse ministerie van Defensie liet regelmatig opiniepeilingen houden om te weten hoe de samenleving dacht over de verrichtingen van de krijgsmacht in de Hindoekoesh. Omdat het werkelijke doel – solidariteit met de Verenigde Staten – te mager was, werd publicitair ingezet op opbouw, onderwijs, vrouwenrechten en betere gezondheidszorg. Het ging daarbij ook om de motivatie van de militairen. De afgelopen weken vertelde menige Uruzgan-veteraan in de media dat hun uitzending zin had gehad, omdat er meisjesscholen waren gebouwd. Een Amerikaanse marinier en inlichtingenofficier schreef onlangs na vijf tours of duty in Irak en Afghanistan in The Atlantic hoe hij zijn cynisme over de oorlog overwon toen hij zijn dochter kon uitleggen dat hij op oorlogspad ging om meisjes zoals zij naar school te kunnen laten gaan.

De Nederlandse luchtmacht liet in 2005 een wervingsvideo maken voor de Ster, waarop in dertig seconden een Afghaanse meisjesklas, twee vliegende F-16’s en een groep mannen en vrouwen in luchtmachtkledij werden getoond met als mannelijke voice-over: ‘Er is waarschijnlijk geen land ter wereld waar meisjes zo blij zijn dat ze naar school kunnen als Afghanistan, want jarenlang was dat verboden, door de Taliban. In Afghanistan krabbelt de vrede weer langzaam op, ook dankzij de Koninklijke Luchtmacht.’ Een vrouwelijke voice-over sluit af: ‘De Luchtmacht. Eén team. Eén taak.’ De commercial is krachtig in zijn symboliek en eenvoud en speelt behendig met gendersymbolen. Tijdens het uitspreken van het woord ‘vrede’ vliegen de F-16’s over.

Het oorlogs­feminisme van George en Laura Bush en hun navolgers laat een wrange smaak achter

De wervingsspot werd uitgezonden in het najaar van 2005 tijdens de voorbereiding op de jarenlange missie in Uruzgan en herhaald in 2006. De rol van de luchtmacht leek meer op een politiesurveillance dan een dodelijk element in de counter insurgency tegen de Taliban, om maar te zwijgen over het feit dat het uitschakelen van Taliban-strijders nagenoeg gelijk stond aan het rekruteren van hun broers en neven voor de organisatie. In 2005 en 2006 krabbelde de vrede dan ook niet langzaam op, maar escaleerde de oorlog in hoog tempo.

Toch was het sterke van deze soft power van de navo-landen dat het wáár was: de Taliban stáken die jaren scholen in brand als symbool van buitenlandse bezetting (ze zijn daarmee opgehouden na protesten van ouders en lokale gemeenschappen en hebben de door de regering en buitenlandse donoren gefinancierde scholen overgenomen). Ook waar was dat de gezondheidszorg en het onderwijs voor jongens en meisjes daadwerkelijk vooruit is gegaan. De levensverwachting van vrouwen steeg met bijna tien jaar en kindersterfte nam beduidend af. Er is veel op af te dingen, zoals dat het aantal meisjes dat naar school ging inmiddels meer dan gehalveerd is als gevolg van de onveiligheid, de kwaliteit van het onderwijs vaak beroerd is en de omvang ervan is overdreven om geld voor niet-bestaande scholen in corrupte zakken te steken, maar dat er vooruitgang is geboekt is een feit.

Wat niet waar is, is dat dit het hele verhaal is. De Amerikaanse oorlog heeft zo’n 171.000 mensen het leven gekost, waaronder bijna vijftigduizend burgers, voor een aanzienlijk deel vrouwen en kinderen. Samen met de gewonden minstens een half miljoen mensen, voor het overgrote deel Afghanen. Alle omgekomen en gewonde strijders hadden moeders, de meesten zusters en vrouwen. Het Afghaanse sociale systeem vangt weduwen en vrouwen van gehandicapte mannen zo veel mogelijk in de familie op, maar niet altijd, getuige het forse aantal bedelende vrouwen en kinderen. De psychisch-sociale gevolgen van de oorlog drukken in het bijzonder op vrouwen.

Oorlogsstress en huiselijk geweld gaan hand in hand. Al in 2009 meldde het Afghaanse ministerie van Gezondheid dat twee derde van de bevolking met mentale problemen kampte. Het aantal vrouwen dat aan heroïne verslaafd raakte groeide van minstens drie procent in 2009 tot 9,5 procent in 2015. De Amerikaans-Pakistaanse antropologe Anila Daulatzai, die onderzoek deed naar de heroïneverslaving onder vrouwen in Kabul, wijst op de haalat, de algemene situatie van het land als oorzaak van de toegenomen misère. Vele honderdduizenden vrouwen zijn dankzij de oorlog in ellende gekomen.

Hierover had Jaap de Hoop Scheffer het nooit toen hij als secretaris-generaal van de navo voortdurend de loftrompet stak over de vooruitgang in Afghanistan. Ook demissionair minister van Defensie Ank Bijleveld, die onlangs op de vraag naar de zin van de oorlog antwoordde: ‘Je ziet dat de positie van vrouwen met name is verbeterd (…)’, lijkt ziende blind. Er is geen twijfel aan de oprechtheid van vele militairen, diplomaten en ngo’ers die gemotiveerd waren om het leven van Afghanen te verbeteren, maar het oorlogsfeminisme van George en Laura Bush en hun navolgers laat een wrange smaak achter.

Vrede is een voorwaarde voor een hernieuwde ontwikkeling van het land en vrede is waar vrouwen naar verlangen, blijkt uit een gedegen recent onderzoek onder vrouwen op het ‘platteland’, waar vrijwel driekwart van de Afghanen woont. Wie bedenkt wat er óók en beter met de 2,26 biljoen (ruim tweeduizend miljard) dollar die de oorlog alleen al aan de VS kostte had kunnen worden gedaan, krijgt last van hallucinaties.

Mensenrechten, waaronder vrouwenrechten, zijn universeel en een cadeau voor de mensheid, maar een succesvolle verwezenlijking ervan geschiedt doorgaans niet via de bajonet. Humanitaire oorlogen, schreef de vroegere directeur van Artsen zonder Grenzen, Rony Brauman, zijn doorgaans bedrog. Weinigen zullen een oorlog tegen Saoedi-Arabië bepleiten dat, behalve veel rijker, niet veel beter is voor vrouwen dan Afghanistan, of India, met zijn kinderdoding van meisjes, weduweverbranding en vele verkrachtingen.

Het internationaal recht kent sinds Thomas van Aquino criteria voor een rechtvaardige oorlog als laatste middel, proportionaliteit en de vereiste van een redelijke kans op succes. Aan geen van deze vereisten voldeed de Amerikaanse oorlog tegen de Taliban. In plaats van Afghanistan in kalmer vaarwater te loodsen en het land te helpen verzoenen, werd de ene partij in een burgeroorlog aan de macht gebracht en de andere twintig jaar lang te vuur en te zwaard bestreden. De overbodige oorlog heeft het omgekeerde bereikt van wat werd beoogd: de Taliban kwamen terug en maken een serieuze kans om opnieuw hun Islamitisch Emiraat in Kabul te vestigen.

Niet alleen moderne vrouwen en mannen, maar een aanzienlijk deel van het land is in paniek: huizenprijzen kelderen, miljoenen willen vertrekken, anderen grijpen de wapens en mobiliseren. Voor de vrouwen en meisjes voor wie de oorlog bedoeld heette, rest bij dit cynische einde van de westerse decennia misschien een schrale troost: de Taliban zullen het moeilijker krijgen dan tijdens hun eerste heerschappij om het land in hun greep te krijgen. Zeker in de steden is een generatie opgegroeid die de nieuwe verworvenheden niet wil afstaan en van wie al dan niet ondergronds verzet kan worden verwacht. Vrouwen, zoveel is zeker, zullen daarin een prominente plaats innemen.


Joris Versteeg was analist bij het ministerie van Defensie en is betrokken bij de ngo Talk for Peace