Harry van Wijnen, D.G. van Beuningen

De havenbaron van Rotterdam

Harry van Wijnen

D.G. van Beuningen (1877-1955): Grootvorst aan de Maas

Balans, 528 blz., € 35,-

Na een naar eigen zeggen beperkte slavenarbeid van tweeënhalf jaar research is D.G. van Beuningen (1877-1955): Grootvorst aan de Maas van Harry van Wijnen een zeer leesbare biografie geworden over een van de mannen die verantwoordelijk zijn geweest voor opkomst en wederopbouw van ’s werelds grootste haven. De historicus Van Wijnen heeft zich gelukkig laten ompraten door de journalist Van Wijnen.

Het zijn de Van Beuningens die met de Utrechtse familie Fentener van Vlissingen de Steenkolen Handels Vereniging (SHV) tot leven brengen. Ze sturen DG (zoals Daniel George van Beuningen wordt genoemd) naar Rotterdam. Daar aan de Maaskade komt de ondernemer DG tot wasdom, de zakenman die een fortuin maakt door buiten gewoon hard te werken – in Rotterdam nog steeds normaal –, intussen driemaal trouwt (daarnaast andere vrouwen niet schuwt) en niet alleen het Feyen oord-stadion helpt financieren maar ook museum Boijmans. Tegelijkertijd wordt hij de grootste particuliere schilderijenverzamelaar, die er geen been in ziet eerst de Koenigs-collectie (onder meer tekeningen en schilderijen van Dürer) te kopen en die vervolgens tijdens de bezetting via zijn schoonzoon te verpatsen aan de nazi’s voor het Führer-museum in Linz. Wat verwacht men van een collectioneur die in zijn buitenhuis in Vierhouten een Rembrandt op de wc hangt? Kunst verzamelen is leuk, geld verdienen is nog leuker. DG boft dat de na de oorlog uit Londen teruggekeerde overheid hem niet vervolgt wegens handel met de vijand, omdat men in arm naoorlogs Nederland de zakenman Van Beuningen nog meer nodig heeft dan de soms glibberige kunstverzamelaar. De doodklap komt na de oorlog overigens toch: in de persoon van schilder/vervalser Han van Meegeren, die onthult dat hij de maker is geweest van een aantal «onbekende» Vermeers (De Emmaüsgangers, De Christuskop, Het Laatste Avondmaal), waaraan DG in de eerste oorlogsjaren 2,4 miljoen gulden heeft gespendeerd. Het bezorgt hem veel gezichtsverlies en kost hem nog meer geld. Het blijft de vraag wat voor hem erger was.

Maar DG was geen alleenheerser in Rotterdam. Ook grootvorsten als mr. K.P. van de Mandele, mr. Jacq. R. Duthil, Willem van der Vorm, W.H. de Monchy en Nolst Trenite waren meedogenloze onderhandelaars. Onderlinge ruzies waren in vooroorlogs en naoorlogs Rotterdam aan de orde van de dag. Niemand vond het een probleem een ander beentje te lichten. Want de belangen van deze sterke mannen lagen – ook na het bombardement van 14 mei 1940 – primair in Duitsland, vooral in het Ruhrgebied. Daar kwamen de kolen vandaan die de SHV groot maakten. Een strenge winter, vond DG, brengt geld in het laatje. Zo is Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog bijna verscheurd tussen de zakelijke belangen (Duitsland) en de misdaad van het, op Warschau na, zwaarste nazi-bombardement tijdens die oorlog.

Maar over die tweespalt is nooit een woord gezegd. Want de grootvorsten hadden ook een ruime hand voor het belang van de stad. Legendarisch is de wekelijkse Kring, die meestal op maandagmorgen in het aan de Duitse bommen ontsnapte stadhuis bijeenkwam. Van de Mandele zwaaide daar als voorzitter van de Kamer van Koophandel de scepter. Elke week had hij een lijstje bij zich dat hij aan het einde van een vergadering opdreunde. De welpen in Kralingen moesten een clubhuisje hebben: «DG, jij?» Nee werd niet geaccepteerd. Ook niet toen er twee miljoen voor een verbouwing en uitbreiding van museum Boijmans nodig was. «Willem (van der Vorm), jij vijftig procent, ik neem de rest.»

Mannen als DG zagen sommige asociale aspecten van hun handel en wandel – de bootwerker die steenkool moest lossen werd per valreeptrede betaald, bij laag tij kreeg je dus meer dan bij hoog tij – overigens wel in. Toen Van Beuningen in het begin van de vorige eeuw hoorde dat in de Verenigde Staten mechanische transportbanden voor het lossen van steenkool bestonden, reisde hij er direct per boot heen om vervolgens een betere versie in Rotterdam te introduceren. Het lossen zelf werd ook nog eens goedkoper.

Dit Rotterdamse mecenaat bestaat niet meer. De zwaargewichten hebben de stad inmiddels verlaten, zich gevestigd in Woudsche Plantage, Belgisch Putten of Wassenaar en zich teruggetrokken uit de Scheepvaart vereniging Zuid (SVZ), tegelijk met de legendarische havenstakingen waar de – ook niet meer bestaande – bootwerkers hun strijd met de havenbaronnen tot diep in de nacht uitvochten, besprenkeld met veel jenever.

Eén der laatsten was Frans Swarttouw, die de European Container Terminus (ECT) aan de Maasvlakte voor Fokker verruilde. Swarttouw had nog dat rauwe van de Rotterdamse werk gever die, terecht diep gehaat door de bootwerker, er rond voor uitkwam dat zijn overgrootmoeder een hoer van de Maaskade was die het werkvolk ronselde in de havenkroegen – weer met veel jenever – en zich door haar man naar het te lossen schip liet roeien.

Het is deze mentaliteit van kansen zien en pakken die men niet veel meer ziet, mede doordat de grote bedrijven in handen zijn gekomen van multi nationals. De klassieke havenbaron in Rotterdam is nu een zetbaas die de besluiten moet uitvoeren die in Monaco, Düsseldorf of New York zijn genomen.

De laatste figuren die nog aan vroeger herinneren zijn voormalig havenbarones, thans eurocommissaris Neelie Kroes en chemiereus Joop van Caldenborgh. «Je ziet het aan hun loop», aldus een oude vakbondsman.