De heer

Ach, waar zijn de heren van vroeger? Ik ken er slechts enkele.
Waar zijn de goede manieren gebleven van de heer die weet dat hij voor moet gaan door een draaideur omdat anders de dame moet duwen? Welke heer gaat nog als eerste de trap op omdat hij weet dat hij anders onder je rokje kan gluren? Welke heer verheft zich onmiddellijk van zijn stoel als je je manteltje wilt uittrekken teneinde het met een zorgzaam gebaar van je schouders te nemen en neer te vlijen? Welke heer schuift je stoel nog aan? Zoals gezegd, ik ken er nog een paar.

De heer is van aard veranderd, onbehoorlijker geworden. Dat geldt ook voor de Heer, maar dat wisten we al na Auschwitz.
De Heer heeft in mijn leven nooit een rol gespeeld. Alle geloof is bijgeloof, zei mijn moeder en daarmee was voor haar het onderwerp godsdienst afgedaan. Mijn vader ging iets dieper en sprak over het afschuiven van eigen verantwoordelijkheden naar iets niet bestaands, waarbij de mens zich niet hoefde te schamen omdat biechten en weesgegroetjes en bidden om vergeving er ook daadwerkelijk toe leidden dat de zonden door een externe factor tenietgedaan werden. De mens is volledig verantwoordelijk voor de eigen slechte daden en voor de eigen inborst.
Daarom deugen sektes ook niet, dat is precies hetzelfde. God bestaat niet. Alleen de leuze ‘When God created man, she was only joking’ heeft me groot plezier gedaan. Godsdiensten zijn mandiensten en drukken de vrouw in de onderdanige en reproduktieve rol, waarbij ze ook nog als de grote hoer beschouwd wordt, vandaar allerlei voorschriften over gedrag en het verbod tot het tonen van je fysionomie.
Ik heb een vurige hekel aan godsdiensten en ook aan de Heer en zeker aan de zending. Ik ben ik.