Profiel: Théoneste Bagosora

De heer Apocalyps

«Ik ga naar huis om de Apocalyps voor te bereiden.» Met die woorden zou Théoneste Bagosora de vredesonderhandelingen in het Tanzaniaanse Arusha in 1993 verlaten hebben. In diezelfde stad, waar het Internationale Rwanda-tribunaal gevestigd is, staat kolonel Bagosora momenteel terecht voor het organiseren van de genocide in Rwanda in 1994. Voor de slachtoffers en de overlevenden moet het inderdaad op het einde der tijden hebben geleken. In honderd dagen werden 850.000 gematigde Hutu, maar voornamelijk Tutsi vermoord. Meer dan veertigduizend lijken dreven de rivier de Akagera af tot in het Victoriameer. Bij barricades door het hele land lagen stapels ontzielde lichamen in de zon te vergaan. Kerken werden sterfhuizen met soms duizenden slachtoffers erin. De geur van rottend vlees hing als verderf boven het land. Mensen werden door hun buren gedood, door familieleden, door hun eigen man. Het is moeilijk voor te stellen dat iemand dit voor ogen heeft gehad.

Théoneste Bagosora wordt geboren in 1941 in het gehucht Giciye in het noordwesten van Rwanda. Hij komt uit een christelijk gezin, waar hij niets tekort komt, zo schrijft hij in een 28 pagina’s tellend document ter verdediging na de genocide vanuit Kameroen, het land dat hem later uitlevert aan het Rwanda-tribunaal. Zijn vader is leraar. Hijzelf begint met toewijding aan een lange carrière in het leger. Zijn opleiding krijgt hij onder meer in België en Frankrijk en tot juni 1992 is hij commandant van het belangrijke militaire kamp Kanombe bij de internationale luchthaven van de hoofdstad Kigali. Hij behoort ook tot «le clan de Madame», wat later de akazu, het kleine huis, gaat heten, de coterie rond de vrouw van president Juvénal Habyarimana. De akazu is de elite die economisch profiteert, baantjes verdeelt, en zich eind jaren tachtig ook bezighoudt met politieke afrekeningen. Rwanda is een éénpartijstaat en aan het «hof» van de president vinden verraad en samenzwering plaats. Deze kliek is voornamelijk afkomstig uit de geboortestreek van de president. Bagosora staat dan al bekend om zijn afkeer van Tutsi, die hij beschouwt als immigranten.

Op 1 oktober 1990 wordt het land opgeschrikt als de rebellenbeweging RPF vanuit Oeganda de aanval opent en Rwanda in een burgeroorlog stort. De nazaten van Tutsi-vluchtelingen die met de bloedige Hutu-revolutie van 1959 het land zijn ontvlucht, eisen recht op terugkeer en zeggen de dictatuur van Habyarimana te bestrijden. Bovendien wordt Rwanda onder internationale druk gedwongen tot democratisering. De elite verliest meer en meer het vertrouwen in president Habyarimana als blijkt dat hij deze dubbele dreiging niet naar hun zin weet op te lossen en zij hun machtspositie bedreigd zien. De democratisering leidt in april 1992 tot een interim-regering, waar een aantal oppositiepartijen deel van uitmaken, maar er wordt dan nog altijd gevochten in het noorden.

In datzelfde jaar vinden er grote moordpartijen plaats, waar de Belgische hoogleraar Filip Reyntjens onderzoek naar doet. In oktober 1992 onthult hij het bestaan van een doodseskader naar Latijns-Amerikaans model, het zogenaamde Zero-netwerk, waarvan Bagosora één van de leiders is. Het eskader vermoordt politieke tegenstanders en regisseert moordpartijen onder Tutsi, waarvan de rebellen de schuld krijgen. De extremisten binnen het regime willen door een gewelddadige destabilisatie de macht in handen proberen te houden. «Het lijkt», zo schrijft Gérard Prunier in zijn boek The Rwanda Crisis, «dat voor het eerst het idee postvat bij de extremisten om de Tutsi en de Hutu-oppositie op massale wijze om het leven te brengen».

De anonieme getuige ZF onderschrijft die analyse met een verklaring in november 2002 voor het Rwanda-tribunaal in de zaak tegen Bagosora. ZF werkte voor de militaire inlichtingdienst en beschrijft de eerste ontmoetingen voor het opzetten van de doodseskaders. Bagosora is daarbij aanwezig. Na de bijeenkomsten vindt de distributie van wapens plaats en wordt een radiotransmissiesysteem opgezet om de leiders van de milities te kunnen instrueren. Het is een geheim netwerk dat buiten alle bestuurlijke en militaire kanalen om opereert.

De extremisten proberen door geweld de bevolking angst aan te jagen en debiteren steeds openlijker dat de rebellen de verworvenheden van de Hutu-revolutie ongedaan willen maken en een Tutsi-heerschappij willen herstellen.

Bagosora schrijft in zijn verdediging vanuit Kameroen na de genocide dat het niet zozeer een strijd «tussen politieke groeperingen, maar tussen Hutu en Tutsi» was. De Hutu zijn de legitieme bewoners van het land en de Tutsi vreemdelingen die hun suprematie aan de rechtmatige bewoners proberen op te leggen. De Tutsi zijn «meesters in het bedrog, dictatoriaal, wreed en bloederig» en «arrogant, slim en gluiperig», terwijl de Hutu «gematigd, open, loyaal en onafhankelijk zijn». Deze ideologie die een breuk tussen de twee bevolkingsgroepen probeert te forceren, wordt begin jaren negentig intensief verspreid door de media, met name het beruchte Radio Mille Collines.

Bagosora doet begin jaren negentig vruchteloze pogingen om chef-staf van het Rwandese leger te worden. Hij ziet voor zichzelf een belangrijke rol weggelegd en koestert de droom ooit nog eens president te worden. Voor de oppositiepartijen is hij echter onaanvaardbaar. Net als een aantal andere extremisten binnen het leger wordt hij op een zijspoor gezet. De interim-regering raakt echter niet helemaal van Bagosora af. Hij wordt kabinetschef op het ministerie van Defensie. In die positie wordt hij voor de extremisten van cruciaal belang. In een agenda die Alison Des Forges van Human Rights Watch na de genocide in het huis van Bagosora vindt, staat een ruwe schets voor de organisatie van een civiel zelfverdedigingsprogramma, waarbij burgers bewapend en getraind worden. Elke gemeenschap moet een zelfverdedigings comité krijgen. In het geheim houdt Bagosora zich met de planning en implementatie bezig. «Partijbelangen moeten vermeden worden bij de distributie van wapens», schrijft hij. Er moet solidariteit tussen Hutu óver de partijgrenzen heen gesmeed worden. In de aanloop naar de genocide blijkt deze ideologie meer en meer aan te slaan. Zelfs in de oppositiepartijen veroorzaakt het een breuk tussen de aanhangers van deze etnische ideologie en de anderen die de problemen van Rwanda als politieke problemen beschouwen. De laatsten worden op lijsten bijgeschreven en zullen in de dagen na 6 april 1994 als eerste vermoord worden.

Die avond van de zesde april wordt om half negen het presidentiële vliegtuig uit de lucht geschoten nabij het vliegveld Kanombe. De presidenten van Rwanda en Burundi komen daarbij om het leven, evenals een aantal hoge medewerkers van de president. Kort na de aanslag vindt er een vergadering plaats op het ministerie van Defensie, waar de overgebleven leden van de generale staf bespreken wat te doen. De Presidentiële Garde werpt door de hele stad wegversperringen op. Bagosora komt rond half tien aan. Er zijn dan al verschillende officieren van diverse richtingen, duiven en haviken, aanwezig. Bagosora stelt volgens diverse getuigen voor dat het leger de macht in handen moet nemen. Hij wil een coup plegen waar hij de leider van is. Anderen wijzen dit idee af. Sommigen vragen waarom er geen contact wordt opgenomen met premier Agathe Uwilingiyimana. Bagosora weigert. De politiek was immers in de voorgaande maanden al niet in staat gebleken de toenemende chaos te hanteren. Dezelfde vraag wordt gesteld door generaal Romeo Dallaire van de VN-vredestroepen die met een kleine macht in Rwanda zijn om het vredesproces in goede banen te leiden. Maar Bagosora weigert opnieuw. De vergadering gaat uiteen met de toezegging dat het vredesproces voortgezet zal worden.

Volgens Filip Reyntjens, die een reconstructie maakte van de eerste dagen van de genocide onder de titel Rwanda: trois jours qui ont fait basculer l’histoire, is hier sprake van een dubbele agenda. Bagosora zegt dat hij zich gebonden acht aan het vredesproces, maar begint diezelfde nacht met de voorbereidingen van de genocide. Hij heeft de beschikking over een parallel communicatiesysteem met de Presidentiële Garde, de troepen die in de vroege morgen van 7 april beginnen met het uitschakelen van politieke tegenstanders die op lijsten staan. Tevens heeft hij contact met bestuurders en gelijkgezinden door het hele land. In die eerste dagen, als het machts vacuüm bestendigd wordt, is er eigenlijk nog geen sprake van genocide. Het zijn voornamelijk de Presidentiële Garde, de jeugdbeweging van de MRND, de Interahamwe en wat Gérard Prunier «het lompenproletariaat» noemt, die zich te buiten gaan aan moorden: de autowassers, daklozen en voddenrapers die straffeloos kunnen moorden, stelen en dronken worden, zolang ze zich aan de juiste kant van de politieke tegenstelling bevinden.

Volgens Alison des Forges zijn er na vijf dagen, op 11 april, twintigduizend mensen vermoord. De hele bevolking wordt bij het moorden betrokken. Dat gebeurt door opdrachten van het centralistische bestuur uit Kigali aan de lokale autoriteiten, aangevuurd door verschillende media, die overigens ook onder regie staan van de inmiddels nieuw gevormde regering. Bagosora heeft met een aantal anderen die regering gevormd, maar blijft zelf op de achtergrond. Politici en media dragen de boodschap uit dat de oorlog «de verantwoordelijkheid van iedereen is» en dat de vijand de Tutsi zijn. In de gebieden waar het rustig blijft, zoals Butare in het zuiden, worden van buitenaf troepen of militia binnengebracht om met het karwei te beginnen. De rebellen van het RPF hebben dan de oorlog hervat om het moorden te voorkomen en de macht te grijpen.

Gérard Prunier probeert in zijn boek The Rwanda Crisis de logica van de extremisten te volgen: «Is het waarschijnlijk dat een groep mannen de burgeroorlog zou hervatten, wegkomen met massamoord en daarna het land blijven besturen?» Deze mannen hebben hun plan opgevat als een zelfverdedigingsprogramma van de Hutu tegen de Tutsi en het zo ook aan de bevolking gepresenteerd. «Ze rekenden op internationale passiviteit», gaat Prunier verder, «en dat gebeurde. Ze rekenden op de steun van het volk bij de uitvoering van de genocide. Over het algemeen kregen ze die. Ze gingen uit van de standvastige steun van het leger. Op een paar uitzonderingen na kregen ze die ook. Ze hadden erop gerekend dat het land onderwijl bestuurd zou kunnen worden. Met enige moeite lukte dat. En ze rekenden erop dat ze de rebellen militair zouden kunnen weerstaan. En dat laatste was een misvatting, maar anders zouden ze in hun plan zijn geslaagd.» Waarschijnlijk heeft hij gelijk dat de wereld verbijsterd zou zijn geweest, maar dat deze mannen toch zouden hebben kunnen doorregeren en dat na een aantal jaren van boycot dubieuze regimes weer banden zouden hebben aangeknoopt en de rest van de wereld gewoon zou volgen.

Bagosora wordt door alle specialisten als dé spin in het web van de genocide beschouwd, min of meer toevallig in die rol beland door zijn baan als kabinetschef op het ministerie van Defensie. Die overtuiging wordt echter nauwelijks ondersteund door harde bewijzen. De aanklager van het Rwanda-tribunaal is nog in onderhandeling met een aantal cruciale getuigen, die voor hun getuigenis strafvermindering of vrijwaring van vervolging eisen. Bovendien hoopt de aanklager op de transcripties van het radioverkeer dat het Amerikaanse Defence Intelligence Agency in de eerste zeven dagen van de genocide onderschepte. De aanklager heeft deze transcripties na herhaaldelijk verzoek nog altijd niet ontvangen. En als er geen akkoord wordt bereikt met de getuigen zou de veroordeling van Théoneste Bagosora nog wel eens heel lastig kunnen worden.