Pijnlijke geschiedenis De decembermoorden in Suriname

‘De heer Bouterse lust ik rauw’

Op 7 januari is er in Paramaribo een nieuwe zitting van het proces inzake de vijftienvoudige moord op 8 december 1982 in Fort Zeelandia. Hoofdverdachte is ex-legerleider Desi Bouterse. Nabestaanden volgen het proces, dat zijn derde jaar ingaat, op de voet. ‘Troost is een gepasseerd station.’

‘MENSEN DROMDEN SAMEN voor het mortuarium; het zag er zwart van de mensen. Het gonsde van de geruchten, maar wij hadden al gehoord dat ze hem hadden vermoord’, herinnert Lila Gobardhan-Rambocus (61) zich. Ze is de zus van Soerindre Rambocus: een van de vijftien mannen die op 8 december 1982 werd omgebracht in Fort Zeelandia op verdenking van een tegencoup. 'Hij moet ’s morgens vroeg zijn doodgeschoten’, constateerde ze bij het zien van zijn lijk. 'Het lichaam was opgezwollen, vermoedelijk omdat het urenlang buiten had gelegen. Er zaten scheuren om zijn mond en er waren sigarettenpeuken in zijn gezicht uitgedrukt.’ Het rapport van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten dat in 1983 werd opgemaakt, meldde verder nog: 'Van de linkervoet tot aan de nek en over zijn middel was hij doorzeefd met kogels.’
Op televisie maakte de toenmalige bevelhebber Desi Bouterse bekend dat de vijftien 'arrestanten’ 'op de vlucht’ waren neergeschoten. Weinigen die dat geloofden. Nabestaanden zeker niet. De verminkte lichamen van hun geliefden spraken boekdelen. 'Achteruitlopend op de vlucht neergeschoten, zeker!’ smaalden ze. Ze meenden: kritiek op het regime is de vijftien mannen fataal geworden.
Wijlen vakbondsleider Fred Derby - de enige 'arrestant’ die het Fort levend mocht verlaten - verklaarde later hoe moedig Lila’s broer was geweest. 'Geef mij een uzi en die laffe baas van jullie (Bouterse - edv) ook. Laat hij het dan met mij uitvechten. Laat die arme burgers gaan’, zou de ex-militair Rambocus gezegd hebben. Lila zegt het met trots: 'Dat heeft me heel erg geraakt.’ Bouterse sloeg het aanbod af en zou Soerindre persoonlijk hebben mishandeld en vermoord. Bouterse zelf ontkent de trekker te hebben overgehaald; hij zou zelfs niet aanwezig zijn geweest in het Fort.
Ooit studeerde Rambocus aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda af op het onderwerp 'de staatsgreep’. In maart 1982 deed hij samen met de militairen Jiwansingh Sheombar, Wilfred Hawker en de universiteitsdocent Baal Oemrawsingh (de broer van Suchrin) een poging het leger dat in 1980 de macht had gegrepen, terug te dringen naar de kazerne. Hij vond: militairen horen niet in de politiek.
Hawker raakte daarbij gewond en belandde in het ziekenhuis. Militairen lichtten hem van de operatietafel en brachten hem naar Fort Zeelandia. Voor de televisie, gewond en liggend op een draagbaar, riep hij Rambocus op de strijd te staken. Niet veel later werd Hawker zonder vorm van proces geëxecuteerd op zijn brancard, slechts gekleed in een onderbroekje. Een teken dat de militairen het met de krijgstucht niet zo nauw namen. Baal Oemrawsingh pleegde vermoedelijk zelfmoord, Rambocus en Sheombar werden opgepakt en tot jarenlange gevangenisstraffen veroordeeld. Rambocus belandde in een cel in de Memre Bukukazerne.
Zijn zus Lila woonde daar recht tegenover met haar man en kinderen. Ze bracht hem de tekeningen die haar kroost voor hem maakte, schone was, eten en boeken. 'Het laatste boek dat hij las was Van Priory tot en met De Kom van Sandew Hira, dat was net uit.’ Op 8 december werd Rambocus overgebracht naar het Fort en geliquideerd. Na zijn dood brachten militairen zijn plunjezak bij haar thuis. Daarin zat ook de half opgegeten chocoladeletter die hij van een vriend had gekregen, vlak voor Sinterklaas. 'De afdruk van zijn tanden stond er nog in.’ Het zijn soms vooral de details die zo navrant zijn. Ze zet haar bril af en bet haar gezicht met een tissue.
Lila Gobardhan-Rambocus is opleidingscoördinator Nederlands bij de lerarenopleiding IOL in Paramaribo. Het is vroeg in de ochtend. Leerlingen kloppen op de deur. 'Nee. Ik heb nu geen tijd.’ Praat ze met haar studenten over 8 december? 'Nee, het is te dichtbij. Het proces leeft slechts bij een klein deel van de jongeren. Als ik geen relatie had met het onderwerp zou ik het zeker behandelen.’ Ze weerspreekt de bewering van Irwin Kanhai, Bouterse’s raadsman, dat haar familie de zogenaamde Rambocus-coup financierde: 'Wij, zijn familie, geloven in de democratie, ook al gaat die scheef, en die ging op dat moment scheef.’ Ter verdediging van haar broer zegt ze dat hij weliswaar een staatsgreep pleegd, maar er niet op uit was te moorden.
Het was moeilijk, die beginjaren. Ze werd met de nek aangekeken: 'Men zei: je bent van de contra’s. Ik wilde weer studeren en vroeg een beurs aan.’ Ondanks politieke tegenwerking kreeg ze die. 'Collega’s zeiden: hoe kunnen ze “zo iemand” een beurs geven.’ Twee weken na de dood van haar broer kwam een collega die publiekelijk de executies had verdedigd haar gelukkig nieuwjaar wensen. 'Ik heb me omgedraaid en ben weggelopen.’
Ze is blij met het strafproces. Zaken komen door getuigenissen in een ander perspectief te staan, vindt ze. Duidelijk wordt dat haar broer niet uit zelfzucht handelde; gezien zijn eenzame opsluiting waren plannen voor een samenzwering onmogelijk. Toch woont ze de zittingen níet bij. Reden? 'Emoties deel je niet met iedereen. Dit is veel te openbaar. Maar ik volg het wel, ik kijk tv, lees de kranten en berichten van justitie en politie.’

HENRI BEHR (60) daarentegen behoort tot de 'harde kern’ die bijna altijd present is op de rechtbank in Boxel waar het proces tegen Bouterse en 24 andere verdachten plaatsvindt. In het dagelijks leven is hij directeur van het adviesbureau Door Training en Consultancy. De werkbespreking is zojuist afgelopen. Op de flip-over staan de woorden 'heden’, 'toekomst’ en 'verleden’. Hij was de oudere broer van 'Brammetje’, de journalist Bram Behr. 'We scheelden twee jaar, waren meer vrienden dan broers.’ Olijk: 'Eens deelden we dezélfde vriendin.’
In de rechtszaal hebben de nabestaanden een eigen vak toegewezen gekregen. 'Ieder heeft zijn vaste plaats, dat is zo gegroeid. Als ik op de plek van Henk Kamperveen zit, dan grapt die: “Wat is er vandaag, is jouw plaats harder dan die van mij?”’ De harde houten banken zijn voor sommigen reden om een kussentje mee te nemen.
De nabestaanden moesten een kwart eeuw op dit proces wachten. Tot 1991 trokken de militairen in Suriname aan de touwtjes. De burgerregering die in 1991 aantrad onder leiding van president Ronald Venetiaan schrapte de macht van het leger uit de grondwet. De angst voor de militairen zat er echter nog goed in. Langzamerhand wonnen de nabestaanden terrein. In 1992 vroegen en krégen ze van Venetiaan toestemming voor een fakkeloptocht door Paramaribo.
'Op het dak’, vertelt Henri Behr, 'zaten scherpschutters die alles in de gaten hielden en ons beschermden. Ik liep voorop. Samen met Ilse Labadie (de toenmalige voorzitter van de Surinaamse Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede - edv), mijn vrouw en twee dochters van vijftien en dertien jaar.’ Was hij bang? 'Nee, ik vond: gewoon doen.’ Toen er - per ongeluk - een geweer afging verstijfde iedereen, maar men bleef in de pas. Drie jaar later, in november 1995, was er een herdenkingsdienst in Fort Zeelandia. 'Diverse religieuze voorgangers hebben gebeden gezegd en de nare plekken van het Fort gezegend. We hebben kaarsen aangestoken voor de slachtoffers die in het Fort gevallen zijn.’
In eigen persoon toog Behr naar de doodzieke Paul Baghwandas - recordertje verstopt onder zijn kleding -, die hem op zijn sterfbed toevertrouwde dat Bouterse het brein achter de executies was geweest en eigenhandig de militair Rambocus en vakbondsleider Daal de dood injoeg. Baghwandas - zijn bijnaam 'beul’ spreekt voor zich - was Bouterse’s rechterhand. Helaas is de tape zoekgeraakt. Behr moest er onlangs in de rechtszaal een getuigenis over afleggen.
Met hart en ziel heeft hij zich ingezet om ervoor te zorgen dat dit proces er kwam. Mede door zijn inspanningen nam het Surinaamse parlement in december 1995 de motie aan om juridisch onderzoek in te stellen. Zijn gezin stond bloot aan hevige intimidatie: 'Mijn auto is beschoten en er is een molotovcocktail op ons huis gegooid.’ Er kwamen anonieme telefoontjes: we weten waar je dochters op school zitten en wat de kleur van hun brommers is. Zijn zestienjarige dochter werd in 1996 verkracht en beschoten, als gevolg waarvan ze verlamd raakte. De familie vertrok naar Nederland; in 2007 keerden Henri en zijn vrouw weer terug. Het gaat goed met zijn dochter, zegt hij.
De motie werd niet uitgevoerd. In 1996 kwam er een wisseling van de wacht: Jules Wijdenbosch werd president, Bouterse adviseur van staat. Het duurde nog tot 2000 voordat de inspanningen van Behr, andere nabestaanden en mensenrechtenorganisaties werden beloond. In dat jaar honoreerde het Hof van Justitie in Suriname hun smeekbeden en gelastte juridisch onderzoek. Net op tijd: niet veel later zouden de misdaden zijn verjaard. Eind 2007 ging het strafproces eindelijk van start.
Behr beschouwt zichzelf inmiddels als een routinier. Toch zijn er veel pijnlijke momenten tijdens de zittingen. Een goede vriend van de familie, majoor Ruimveld, kwam zijn moeder destijds vertellen dat Bram was neergeschoten. 'Dat ik dit nieuws van hem heb vernomen, verzacht de pijn enigszins’, zei zijn moeder destijds. Tijdens de verhoren bleek dat Ruimveld wíst wat er zich afspeelde en bovendien had geweigerd een van de 'arrestanten’ water te geven, onder het mom: wie gaat sterven heeft geen water meer nodig.
'Dat was een eye-opener en een tik in ons gezicht’, zegt Behr. Oktober vorig jaar getuigde de ex-schoonmoeder van zijn broer, de broze, tachtigjarige mevrouw Madeleine Rahman. Ze vertelde hoe militairen haar zoon Leslie kwamen ophalen voor 'verhoor’, hoe ze in het mortuarium even zijn voet aanraakte, die er slap bij hing. Vermoedelijk omdat zijn benen gebroken waren. 'Jarenlang heeft ze er niet over gepraat en zich opgesloten in een kamertje’, zegt Behr. Toen de rechter vroeg of ze nog iets wilde zeggen, brak ze. 'Ik kreeg een brok in mijn keel, ook nu weer terwijl ik het vertel.’ Hij is tevreden over de rechters: 'Af en toe worden getuigen heel emotioneel. De rechter spreekt ze moed in, licht toe dat zij er niet bij was, maar alles graag wil weten. Ik vind dat de president van de krijgsraad het erg goed doet. Het bieden van ruimte is het tonen van betrokkenheid. Soms zegt de rechter: u zult wel opgelucht zijn nu u dit verteld hebt.’ Hij vindt dat passend, omdat veel trauma’s nog niet verwerkt zijn.
Tijdens de schorsingen worden de uitlatingen van getuigen en verdachten door de 'harde kern’ besproken. Die bestaat uit onder anderen Henk Kamperveen, Sunil Oemrawsingh en Eddy Wijngaarde. Er wordt gegist naar de strategieën van het Openbaar Ministerie en de verdediging. Af en toe kunnen ze zich tijdens de zitting niet inhouden en reageren verontwaardigd, als raadsheer Kanhai bijvoorbeeld weer eens intimiderende vragen stelt. De rechter maant ze zich van commentaar te onthouden. Dan weer zijn ze met stomheid geslagen als een verdachte of getuige zich niets meer herinnert. Zoals Soepardi Moeslikan, die eerder verklaarde dat hij op 8 december schoten hoorde in het Fort terwijl Bouterse aanwezig was. Tijdens de zitting leed hij ineens aan 'Alzheimer’. 'Die konden we wel ophangen.’ Of het proces troost geeft? 'Het is de vraag of ik nog op zoek ben naar troost. Dat is een gepasseerd station. Maar de heer Bouterse lust ik rauw.’
Henri Behr verwacht zeker dat er een veroordeling uit de bus rolt: 'De strategie van de verdediging brokkelt af.’ De beschuldiging dat er sprake was van een samenzwering tegen het leger is wel ontzenuwd, vindt hij. Evenals het verhaal dat de mannen 'op de vlucht’ zijn neergeschoten. Ook het alibi van de heer Bouterse lijkt op losse schroeven te staan. 'Vanaf dag één is slim volgehouden dat de mannen in de nacht van 8 op 9 december zijn doodgeschoten. Bouterse had een alibi: hij bracht de nacht door met zijn vriendin Rita Chin A Loi. Nu weten we dat er vanaf ’s morgens tot aan de late avond geschoten is. Vóór 22.30 uur was iedereen al dood.’
Op het graf van Behrs broer staat nog dat hij in de nacht van 8 op 9 december is gestorven. 'Dat opschrift wil ik veranderen.’
Getuige Henry Does, een oud-collega van Bram Behr en medeoprichter van het kritische blad Mokro, bevestigde in de rechtszaal nog eens dat Bouterse’s alibi in de prullenbak kan. Hij citeerde uit een e-mailcorrespondentie met Bouterse’s minnares Rita Chin A Loi, Does’ schoonzus (Suriname is klein). Zij schreef hem: 'Bouterse kwam bij mij als een moordenaar met berouw. Hij had spijt en was gebroken. (…) Hij weet dat hij Derby heeft gespaard en de anderen heeft vermoord. Hij moet zich niet verschuilen achter mijn smalle schouders.’ Voor Does een bewijs dat zijn schoonzus Rita wíst dat Bouterse aanwezig was bij de executies.

EDDY WIJNGAARDE (66), directeur van filmproductiemaatschappij The Backlot, heeft slechts één zitting gemist. Hij constateert: sommige veronderstellingen worden nu bewaarheid. We zitten bij het restaurant De Optimist aan zijn vaste tafeltje. Verkeer raast voorbij. Mensen lopen langs en groeten.
Tijdens de zittingen vragen de rechters steevast wie de mannen naar het Fort hebben gebracht. Wijngaarde heeft een vermoeden, maar weet niet zeker wie zijn broer Frank destijds ophaalde: 'En ik wil niemand beschuldigen.’ Toen het gebeurde woonde hij in Nederland. KRO’s Brandpunt, waarin de verwondingen van zijn broer ter sprake kwamen, bezorgde hem nachtmerries: 'Mijn broer was geen held. Als kleine jongen was hij bang voor spoken.’
Zijn schoonzus Hedy de Miranda onthulde tijdens het proces wat ze aanschouwde in het mortuarium: 'Ik trok een wit laken van het lichaam weg en ik zag een brede snee op zijn voorhoofd. Ik zag dat met een scherp voorwerp vlak in de punt van zijn oog gesneden was, tot onder aan de kaak. Zijn neus was doorgesneden en met twee krammetjes vastgezet. Ik had alle tijd om te kijken, want ik heb daar minimaal tien minuten gestaan. Ik zag een schotwond in zijn slaap. Op zijn borst heb ik vijf schotwonden geteld. Gaten van één centimeter doorsnee. Ik probeerde hem op zijn buik te keren, want het verhaal ging dat ze op de vlucht neergeschoten waren. Ik heb op zijn rug geen schotwonden gezien. Zijn schouders waren gaaf.’
In 2001 keerde Wijngaarde terug naar Suriname. Om wille van forensisch onderzoek werden de lijken jaren na dato opgegraven. Familieleden was gevraagd de foto’s te bekijken. Het lichaam van zijn broer zien, deed Wijngaarde niet zoveel. 'Je herkent het niet meer als het lichaam van je broer.’ Het zijn wederom details die zo schrijnend kunnen zijn. In zijn kist lagen de balletpakjes van zijn kinderen. 'Die had zijn vrouw erbij gelegd.’
Soms lijkt het alsof het proces een zaak van de nabestaanden is en niet van de gehele samenleving. 'De politiek heeft nooit het initiatief genomen voor berechting, het Openbaar Ministerie evenmin. De moorden zijn een zwarte bladzij uit de geschiedenis. Het hele volk is jarenlang geterroriseerd. Dat heeft zijn weerslag op de maatschappij. Ouderen praten er niet over. De jeugd weet niet wat er gebeurd is.’
Hij maakt zich zorgen om de jongeren die achter Bouterse’s partij, de Nationaal Democratische Partij, aanlopen: 'De ex-voorzitter van het jeugdparlement (Melvin Bouva - edv) zit nu bij de NDP. In een vraaggesprek vertelde hij dat Bouterse, ook al wordt hij veroordeeld, nog best president kan worden. Want, zei hij, Mandela heeft ook in de gevangenis gezeten.’
Bouterse is te bang om naar Boxel te komen, denkt Wijngaarde en hij veracht hem erom: 'Al die schimpscheuten naar de rechterlijke macht; hij denkt dat hij boven God en iedereen staat.’

OOK HENK KAMPERVEEN (61) volgt de zittingen op de voet. Maximaal twee familieleden mogen per zitting aanwezig zijn. 'Soms neem ik mijn schoonzus Helen, mijn eigen of Johnny’s kinderen mee.’ Kamperveen is directeur van het radio- en tv-station ABC. In de hal hangt een portret van zijn vader André Kamperveen, Ampie, oprichter van dit station. Gehuld in een blauw colbert en een zwart openstaand overhemd kijkt hij de bezoeker indringend aan. Op het koperen plaatje staat: 'Hij geloofde in de kracht van het woord.’ Aanvankelijk steunde André Kamperveen het militaire regime, maar kritiek moest hij met de dood bekopen. Zijn radiostation werd in brand gestoken. Zoon Johnny (inmiddels overleden) stond eveneens op de dodenlijst, maar ontsprong de dans. Halsoverkop vluchtten de broers naar Nederland. 'Er is gemoord, je bezittingen zijn kapot. Niemand kijkt ernaar om’, zo verwoordt Henk de gevoelens de eerste jaren na 8 december 1982.
Toen in 1991 de burgerregering was aangetreden besloten ze in 1992 terug te keren naar Paramaribo om het station weer op te bouwen. Vanaf de luchthaven Zanderij reed Henk rechtstreeks naar de plek waar het ooit stond. 'Alles was overwoekerd. Alleen de zendmast stond er nog.’ Hij laat foto’s zien.
De radiozender floreerde en werd uitgebreid met een tv-zender.
Elke zittingsdag is radio ABC nu live in de ether; ook de tv-ploeg is aanwezig. Kamperveen maakt weliswaar een journalistiek programma, maar de stem van Bouterse, thans leider van de grootste politieke partij, de NPD, is er niet te horen. 'De man die mijn vader vermoordde en de zender afbrandde is hier niet welkom.’
Hij herinnert zich de eerste zittingsdag: 'We waren blij. We hadden er 25 jaar op gewacht. Er was veel pers, uit Nederland, CNN was er en ook internationale waarnemers waren aanwezig. Die aandacht is goed en garandeert een eerlijk verloop van het proces. Bouterse heeft geluk. Hij krijgt de gelegenheid van de rechter om alle foefjes en regels toe te passen om het proces te vertragen. Bouterse had aangegeven niet te zullen verschijnen. Het was dus geen verrassing dat hij zich niet liet zien. Maar je houdt er rekening mee dat hij misschien toch komt. Je probeert dat te visualiseren.’
Als er pijnlijke verhalen worden verteld, ondersteunen de nabestaanden elkaar: 'Ze raken je even aan of houden je vast.’ Zoals toen hij niet eerder vertoond filmmateriaal zag, waarin zijn vader, naast Bouterse op de bank gezeten, in de lens van de camera gedwongen werd een verklaring voor te lezen. Daarin 'bekende’ hij de macht te hebben willen grijpen. Het materiaal werd nooit op tv vertoond, alleen op de radio was de stem van zijn vader destijds te horen. Vermoedelijk omdat de legerleiding bang was dat de kijkers zouden zien dat Kamperveen onder dwang stond. 'Mijn vader zag er gebroken uit. Zijn kaak stond een beetje scheef. Hij was geestelijk mishandeld, dat zag je duidelijk. De tape werd in de avonduren uitgezonden op de radio, toen was hij vermoedelijk al vermoord.’
Kamperveen realiseert zich dat veel jongeren nauwelijks de feiten rondom 8 december kennen. Op school wordt er mondjesmaat aandacht aan besteed. Hij probeert bij te dragen aan de voorlichting. 'Op de zender houden we op 8 december een rouwdag. De hele dag praten we erover op radio en tv met gasten. 8 december is nog geen nationale rouwdag. Maar dat moet er wel een worden’, vindt hij.
Hij hoopt dat er vóór de verkiezingen van mei 2010 een uitspraak komt. Want hij vreest dat Bouterse, indien hij wint, de rechtszaak zal willen stopzetten.
SUNIL OEMRAWSINGH (50) - neef van Suchrin - wilde eigenlijk jurist worden. Maar na de staatsgreep van 25 februari 1980 door Bouterse en vijftien andere sergeanten ging die droom letterlijk in rook op. Militairen schoten het hoofdbureau van politie in brand. De juwelierszaak van zijn ouders die er pal naast stond, vatte vlam en werd in de as gelegd. Geld om te studeren was er niet meer; Sunil hielp zijn ouders om de zaak weer op te bouwen. 'Ze waren erg van slag vanwege de financiële schade.’ En ook, memoreert hij, vanwege het feit dat een medewerker bij de beschietingen was omgekomen.
De juwelierszaak waarvan Sunil nu eigenaar is, staat vlak bij het oude politiebureau. Daar bouwden de militairen, tot ergernis van de politie en anderen, het Monument van de Revolutie. Hij is eigen baas. Voor het proces neemt hij altijd vrij. Hij gaat samen met zijn oom Dhier, een broer van Suchrin en Baal. 'Onze familie hier is klein geworden’, zegt hij. Velen vertrokken na 1982 uit Suriname.
Hij vindt dat hij tijdens het proces 'alleen maar’ nieuwe dingen hoort: 'Voordat de rechtszaak begon kende je de verhalen van de weduwen die vertelden hoe hun mannen werden opgehaald en dat hun de volgende dag werd meegedeeld: uw familie is dood. De geruchtenmachine draaide natuurlijk. Maar nu hoor je de details.’ De rechters proberen te reconstrueren wat er in de aanloop naar de executies en in het Fort gebeurde, wie de plannenmakers waren en wie er allemaal aanwezig waren.
'Ik schrik ongelooflijk van de verhalen. Als ik hoor dat John Baboeram in de ruimte waarin hij opgesloten zat in wanhoop zijn hoofd tegen de muur stootte, dan maakt dat diepe indruk. Of als verteld wordt dat de militair Sheombar tijdens de rit naar Fort Zeelandia besefte: ze gaan me vermoorden. Dan kijk je naar de familie… en leeft mee.’
Hij beseft: gaandeweg veranderen je gevoelens. Eerst dacht je: de lagere officieren die in het Fort aanwezig waren hebben ook maar een bevel opgevolgd. Nu denk je: ze hadden ook een eigen verantwoordelijkheid. Het proces helpt Sunil bij de verwerking. 'Je begrijpt de situatie beter en komt steeds meer achter de waarheid.’ Die waarheidsvinding geeft een goed gevoel: 'Het is lang onoverzichtelijk geweest wat er gebeurde.’
Hij vindt: 'Suriname is geen rechtsstaat zolang de daders niet worden berecht.’


De vijftien slachtoffers
Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten publiceerde op 14 februari 1983 het rapport De gebeurtenissen in Paramaribo, Suriname 8-13 december 1982: de gewelddadige dood van 14 Surinamers en 1 Nederlander.
Honderden mensen, onder wie medici, zagen in het mortuarium de lijken van de vijftien mannen. Hieronder de beschrijving van een aantal getuigen die tussen 9 en 13 december 1982 in het mortuarium waren.
‘Nagenoeg alle lichamen vertoonden sporen van zware mishandeling in het gezicht, met name, stompen en slagen met zware voorwerpen. Deskundigen en zij die zich beroepshalve met geweldslachtoffers bezighouden hebben verklaard dat vele van de sneden in de gelaten opengebarsten wonden waren, veroorzaakt door slagen met een hard, niet te scherp voorwerp, maar ook niet te stomp voorwerp, zoals een geweerkolf. Voorts vertoonden de lichamen zonder uitzondering sporen van kogelgaten in de borst, buik, gezicht of ledematen. Getuigen die kennis van zaken hebben op het gebied van wapens en wapenverwondingen hebben verklaard dat de kogelverwondingen in borst en buik duidelijk zogenaamde inschotwonden waren, dat wil zeggen dat de slachtoffers van voren zijn neergeschoten.’