Pijnlijke geschiedenisDe weeskinderen van Mussolini

De heerser als sekssymbool

Silvio Berlusconi wordt vaak vergeleken met Benito Mussolini, de Duce, die in de nieuwe film Vincere genuanceerd wordt neergezet. Er is echter een belangrijk verschil tussen de twee heersers. ‘Wat Mussolini deed met geheven arm, doet Berlusconi met een glimlach.’

EEN CHARISMATISCHE kop, een robuust lijf, handen als kolenschoppen die dan weer teder, dan weer bijna ruw over het frêle vrouwenlijf gaan. Passie. Dat was dus ook Benito Mussolini.
Het kan toeval zijn, maar de film Vincere (‘Winnen’, 2009) over de jonge Mussolini gaat over manipulatieve erotiek. Erotiek als sleutel tot de macht. Laat er nou net op dit moment een Italiaanse premier zijn die het land van tussen de lakens regeert. En dan ook nog een premier die voortdurend met de Duce wordt vergeleken.
De regisseur van Vincere, Marco Bellocchio, heeft wel vaker raak geschoten in zijn lange, niet altijd succesvolle carrière. Zijn debuut I pugni in tasca (‘De vuisten in de zak’, 1965) wordt gezien als een geniale verklaring avant la lettre voor het fenomeen Rode Brigades. En zijn Le Diable au corps (‘De duivel in het lijf’, 1986, met de Nederlandse Maruschka Detmers in de hoofdrol) als een voorspellend manifest over de leegte van het menselijk bestaan die tot zelfdestructie leidt.
En nu dus Vincere met zijn erotische benadering van het verschijnsel Duce. Het is een adembenemende Mussolini die Bellocchio (69) op de huid volgt. Sexy, wreed, krankzinnig. Met het hart in de keel kijk je toe hoe hij (acteur Filippo Timi) zijn geliefde Ida Dalser (de beeldschone actrice Giovanna Mezzogiorno) bijna opvreet. Ze laten elkaar alle hoeken van het bed zien en doen dat zo overtuigend dat het cliché dat seksscènes in auteursfilms altijd tenenkrommend zijn voor één keer volmondig kan worden tegengesproken.
Al die passie keert zich uiteindelijk tegen Ida Dalser, de eerste vrouw van de Duce en moeder van zijn eerste kind. Want zodra de jonge Mussolini zijn schaapskleren van bevlogen socialist aflegt en de grommende wolf die in hem zit bevrijdt, vindt hij het ineens lastig en irritant, zo’n hysterisch meelevende, passionele vrouw die hem intellectueel de baas is. Dan trouwt hij een solide moeder-de-vrouw, Rachele, met wie hij tussen de bedrijven door vijf kinderen maakt die hem veel minder persoonlijk hebben meegemaakt dan op de vele staatsieportretten met Padre Duce wordt gesuggereerd.
Ida Dalser was een groot probleem voor Mussolini, al is het huwelijksdocument waarvan zij bij hoog en bij laag volhield dat het bestond nooit gevonden. Maar zijn eerste zoon, Benito Albino Mussolini, had hij in ieder geval officieel erkend. Met dat soort problemen wist de fascistische dictatuur genadeloos korte metten te maken, zoals Vincere laat zien. Moeder en zoon worden opgesloten in psychiatrische inrichtingen en kwijnen weg in volstrekte vergetelheid. Ida Dalser sterft op haar 57ste, zoon Benito op zijn 27ste.

FILIPPO TIMI (34), de acteur die de sexy Mussolini fantastisch vertolkt – fantastisch omdat hij in een orgasme al de waanzin weet te leggen waar de Duce later heel Italië in zou meesleuren – weet dat hij een heel mooie rol heeft gespeeld omdat Vincere in mei hoge ogen gooide op het filmfestival van Cannes, als de enige Italiaanse film die mocht meedoen. Toch wordt hij een beetje verlegen van de complimenten voor zijn erotische uitstraling.
‘De truc is…’, begint Timi door de telefoon met het diepe, gebronsde stemgeluid van de Duce uit de film. Er valt een lange stilte. Hij blijkt een zware stotteraar die zodra hij Mussolini wordt zijn gebrek ontstijgt.
‘De truc is… dat je een historische figuur actueel moet maken. Hij was voor de Italianen een sekssymbool. Mijn oma zei altijd: “Aaah, com’era bello (wat was hij mooi), de Duce.” En ik moest lachen. “Maar oma!” zei ik, “hij was toch totaal belachelijk. Met die kaken en die gebaren.” Toch zegt het veel. Heel Italië had natte dromen van de Duce en hij heeft de Italianen ook echt geneukt en verneukt. In dat opzicht is Ida Dalser Italië. Hij heeft haar psychologisch en fysiek uitgewoond, hij heeft van háár geld zijn eigen krant opgericht (Il Popolo d’Italia – red), hij heeft een kind bij haar gemaakt en hij heeft haar en zijn eerste zoon op gruwelijke wijze opgeofferd aan het Duce worden.’
Interessant aan Vincere is dat je ineens zo goed snapt waarom Mussolini voor de Italianen onweerstaanbaar was, iets wat niet blijkt uit het historisch beeldmateriaal of de vele cinematografische versies. Dat vergt een open blik, niet alleen van de acteur, maar ook van de regisseur. En Marco Bellocchio is tot op het irritante af een linkse regisseur, een drammer, een gelijkhebber. Dus kortom: hoe heeft Timi het voor elkaar gekregen om zo schaamteloos aantrekkelijk te mogen zijn als de Duce?
‘Nee, nee, nee!’ klinkt het verontwaardigd door de telefoon. ‘Als er één woord is voor Marco, dan is het coraggioso (moedig). Hij heeft me juist ontzettend aangespoord om een beest van een man te zijn, in de gunstige zin van het woord. Hij wilde noch van de Duce de karikatuur maken die hij is geworden, noch van Ida Dalser een heldin. Door haar obsessieve gedrag – ík ben de vrouw van de Duce! – draait ze ook haar zoon de vernieling in. Ik vind het dapper van Marco dat hij dat heeft laten zien. Hij is voorbij het cliché gegaan. Er zijn in Italië maar twee houdingen mogelijk tegenover Mussolini: verafgodend of totaal verwerpend. Marco heeft een andere weg gekozen. Dat is dapper en ook nuttig.’
Zou de acteur ook in staat zijn om Silvio Berlusconi te spelen? Filippo Timi moet lachen. ‘Nee! Ik wil Berlusconi nu helemaal niet spelen. Ik wil eerst dat we het overvloedig beschikbare beeldmateriaal eindelijk als totaal belachelijk gaan zien, zoals bij de Duce is gebeurd. Pas daarna is het een uitdaging om ook de sterke kanten van Berlusconi te laten zien. Nu zijn die helaas nog onze realiteit.’

EEN FILM ALS Vincere is bedoeld voor Italianen die kennis hebben genomen van de geschiedenis. Dat betekent in Italië bijna automatisch dat je ‘links’ bent, alhoewel dat begrip in politiek opzicht zo goed als uitgevaagd is vanwege onvoorstelbaar gekluns aan linkerzijde. In Italië bestaat niet zoiets als onafhankelijk denken. Maar voor dat deel van de bevolking dat zich nog niet heeft uitgeleverd aan Berlusconi – ongeveer een derde – is Vincere bedoeld.
Niet voor D. Ik moet een beetje lachen om dat ‘D’. Zoiets gebruik je toch alleen voor maffiosi of verdachten in pedofiliezaken? Maar D. wil dat ik D. schrijf. Hij is het neefje van mijn goede vriendin Ginevra, een succesvolle Italiaanse architect met het hart op de juiste plaats, ‘links’ dus, zoals dat in Italië heet, een normaal mens, zoals we in Nederland zouden zeggen.
Ginevra’s neefje D. had zich als puber tot een zorgwekkend geval van Duce-verering in het postfascistische tijdperk ontpopt. Hij organiseerde bustripjes met zijn vrienden naar Predappio, de geboorteplaats van de Duce en nu een soort eng maar o zo camerageniek bedevaartsoord, waar zwarthemden bij het graf van de Duce met gestrekte arm de fascistische strijdkreet ‘Eia-eia-alala’ uitschreeuwen.
D. was de laatste jaren veranderd, had Ginevra verteld. Hij was communicatiewetenschappen gaan studeren en een stuk genuanceerder geworden. Zijn fascistische passie had hij altijd een beetje ondergronds beleefd omdat het nog gevoelig ligt in Italië. De wet verbiedt fascistische samenscholingen en je moet oppassen met bepaalde symboliek. Duce-parafernalia zijn overvloedig verkrijgbaar, maar die houd je een beetje voor jezelf op je jongenskamertje.
Daar klopte D. op mijn deur, keurig op het afgesproken tijdstip, met twee geschiedenisboeken onder de arm. Hij zei meteen: ‘Ik wil niet dat mijn professor wordt genoemd.’ D. studeert af in de zwaar fascistische provinciestad Viterbo, waar de verhoudingen tussen objectiviteit en subjectiviteit gespannen zijn. Zijn professor is iemand die niet van subjectiviteit houdt.
D. gaf een keurige weergave van de geschiedenis die hij in zijn afstudeerscriptie Een vergelijk tussen nationaal-socialisme en fascisme behandelt. Alle mij bekende feiten klopten, en hij zei ook nog uit eigen beweging: ‘Want diegenen die de holocaust ontkennen en de moord op zes miljoen joden willen uitwissen zijn criminelen.’
Dat lag een paar jaar terug nog anders bij D., maar nu noemde hij Mussolini’s onderschrijving van de Italiaanse rassenwetten in 1938 ‘zijn grootste fout’. Vanaf dan bewondert D. hem ook niet meer. Hij is een fan van de vooroorlogse Mussolini met idealen, al heeft hij ook kritische kanttekeningen bij de manier waarop hij de macht heeft gegrepen: ‘Met geweld, en geweld is altijd fout.’
Daarom ook doet D. niet mee aan de officiële clubjes die zich vooral in Rome met steeds groter enthousiasme en steeds grotere aanhang rond het fascistische gedachtegoed vormen zonder het f-woord te gebruiken, althans niet in het logo. Clubjes als Casa Pound – ‘Voor Sociale Rechtvaardigheid’ –, het Huis van Ezra Pound, de Amerikaanse dichter die een authentieke Mussolini-bewonderaar was en die de Duce zelfs opzocht tijdens zijn ballingschap in Salò aan het Gardameer.
D. heeft best waardering voor een aantal punten van Casa Pound, zoals voor de leuze ‘De dictatuur van de glimlach’, die slaat op het bewind van Berlusconi. ‘Dat vind ik een goede definitie. Berlusconi kneedt het geweten en het hart van het volk en hij laat ze denken wat hij wil. Net zoals Mussolini deed. Alleen, wat Mussolini deed met geheven arm, doet Berlusconi met een glimlach.’
Waar D. geen waardering voor heeft, is de racistische ondertoon die al dit soort clubjes hebben. En ook niet voor de ‘spelletjes’ met geweld. ‘Al zien ze er nu niet meer uit als skinheads. Als je nu door Rome loopt, kun je veel normale mensen zien die een T-shirt met Casa Pound dragen. Dat kon een tijdje terug nog niet. Het is een boodschap. Maar ik vind ze toch niet prettig. En dan, je kunt vandaag niet zeggen dat je “fascist” bent. Fascisme hoort bij een bepaalde historische periode. Fascist op Adidas-gympen, laat me niet lachen.’

D. HEEFT ZIJN EIGEN ideeën en zijn eigen vrienden. ‘We voelen ons nergens door vertegenwoordigd. Niet door Fiamma Tricolore, niet door Forza Nuova, niet door La Destra.’ Dit zijn de splinterfracties van het postfascistische gedachtegoed die zich mokkend blijven verzetten tegen de modernisering van Gianfranco Fini, de politicus die het fascisme salonfähig heeft gemaakt. Het communicatieve talent Fini, voorzitter van het parlement en vaak genoemd als opvolger van Berlusconi, is inmiddels zo beschaafd en redelijk dat je je soms afvraagt waar hij eigenlijk vandaan komt. Eerder uit Oxford dan uit fascistische knokploegjes, zoals de realiteit is.
Bij de namen Fini en Berlusconi vertoont D. een meewarige glimlach. Nee, die nóemt hij niet eens. Dat zijn opportunisten, e basta.
‘Dat bedoel ik. Wij voelen ons nergens door vertegenwoordigd en hebben geen zin om met een vlag aan deze schijndemocratie deel te nemen. Bij de laatste verkiezingen ben ik naar het stemlokaal gegaan, want ik vind het je plicht om te stemmen. Maar toen ik die namen zag en moest denken aan die treurige koppen die erbij horen en die niet weg te branden zijn, is het me niet gelukt. Sommigen zaten er al toen ik werd geboren, 24 jaar geleden. En ze zitten er nog steeds. En kijk hoe Italië eraan toe is. Weet je wat ik het ergste vind? Mensen met goede ideeën, mensen in wie ik vertrouwen had, die je nu hoort zeggen: “Ach, nou ja, misschien dan maar beter Berlusconi.” Dat is verschrikkelijk. Onverschilligheid is erger dan welk extremisme dan ook. Wij beschouwen onszelf als politieke weeskinderen.’

De film Vincere komt voorjaar 2010 in de Nederlandse bioscopen