De heilige geest

Van de auteur verschenen eerder bij uitgeverij Jan Mets de biografieen van Jezus en van God.
De laatste keer dat hij op aarde werd gezien, was op Pinksterdag, toen hij in ‘tongen van vuur’ aan de apostelen verscheen. Maar wat een tragiek gaat er achter die figuur van de Heilige Geest schuil! Hij was de werkezel van de drievuldigheid, die waaide, donderde en bliksemde dat het een aard had, terwijl God en diens zoon met de eer streken.
ZEER TOEPASSELIJK heeft de theoloog Alister McGrath in zijn Christian Theology (1994) de Heilige Geest de ‘Assepoester van de drievuldigheid’ genoemd. Terwijl Assepoester het huishouden deed, ging alle eer naar haar beide luie maar opdringerige zusters. Iets dergelijks geldt voor de Heilige Geest.

In de bijbel is zijn werkelijke geschiedenis vertekend weergegeven, vermoedelijk omdat God zelf de belangrijkste hand in het boek gehad heeft. Hij heeft de immense betekenis van de derde persoon van de drievuldigheid op kunstige wijze weten weg te moffelen. Het kost enige moeite om de contouren van deze figuur boven water te krijgen, maar het resultaat is verbluffend. Het blijkt dat, terwijl God zelf de wereld achteroverleunend bestiert, als een absentee landlord, en glamour boy Jezus het publiek heeft weten te trekken, niemand anders dan de Heilige Geest altijd het echte werk heeft moeten verrichten - in stilte. Dat dit onvermijdelijk een onprettig effect op zijn karakter heeft gehad, kan hem nauwelijks kwalijk worden genomen.
Een deel van de betrekkelijke onzichtbaarheid van de Heilige Geest wordt overigens veroorzaakt door vertaalproblemen. Kijkt men hier doorheen, dan doemt zijn ware gestalte als vanzelf op. Het Hebreeuwse woord roeach staat zowel voor ‘geest’ als voor 'adem’ en 'wind’. De 'Geest Gods’ die over de wateren zweefde toen de aarde nog woest en ledig was en toen duisternis nog op de vloed lag, was de adem Gods, oftewel de wind. In den beginne woei het.
Doch het was uiteraard geen gewone wind, maar, het zij herhaald: de wind Gods. En waarin anders zou een god van de hemel zich kunnen kleden dan in wind en wolken? Van welke andere instrumenten zou zo'n god zich kunnen bedienen dan van donder en bliksem, van leven brengende plensbuien en verzengende zandstormen? Deze zogenaamd almachtige god had attributen nodig om zich te kunnen manifesteren en zijn werk aan de wereld te kunnen volbrengen. Zonder deze zou hij niets zijn, en de woeste en ledige aarde werd dan ook voor hem bewerkt - door de wind. 'En God zeide: Er zij licht’ - maar hoe sprak hij? Zijn stem was de adem uit zijn mond, de wind, die over de wateren zweefde. Gods woord was niets anders dan het geluid van de loeiende, scheppende storm die hij had losgelaten. De profeet Jeremia heeft er geen misverstand over laten bestaan hoe Gods stem klinkt: als het geruis van water aan de hemel, als bliksems bij de regen, en als wind voortkomend uit zijn voorraadkamers. En in Psalm 33:6 is de (overigens volstrekt voor de hand liggende) samenhang tussen de adem Gods en zijn scheppend woord heel duidelijk geformuleerd: 'Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer.’
MAAR ONDERTUSSEN was deze 'wind’ met zijn regen en zijn donder, deze 'adem’, niet zomaar een instrument maar tevens een geest. De kerkvaders zijn heel duidelijk over de consequenties hiervan geweest. Hoeveel verwarring ze ook hebben gesticht (en het zal nog blijken dat op de vroege concilien een volstrekt foutief beeld van de drievuldigheid is vastgelegd), in dit opzicht hebben ze gelijk gehad. Het was niet te ontkennen: de wind Gods, de Heilige Geest, is een aparte persoon met alles erop en eraan, een wezen dat als alle andere respect verdient en niet ongestraft gekrenkt kan worden. En hier wringt nu de schoen, want de onontkoombare conclusie uit het voorafgaande is dat het niet God zelf is geweest die de wereld heeft geschapen, maar niemand anders dan de door hem er op uitgestuurde Heilige Geest, deze 'wind’, die er als de kippen bij was om de woeste aarde op te meten en vervolgens met zijn 'woord’ om te ploegen. God heeft zijn werk door een ander laten opknappen, zonder die ander daarvoor ooit de gepaste erkenning te geven.
Het siert de Heilige Geest dat hij aanvankelijk weinig moeite had met zijn ondankbare rol. Dat hij diende als Gods loopjongen, als zijn immer parate manusje-van-alles, dat deerde hem vooraleerst niet. Maar hij was dan ook nog jong en enthousiast, en bovendien van nature loyaal. Wie de bijbel vanuit dit perspectief herleest staat versteld. Opeens is hij voortdurend daar: Gods met geest begiftigde stormwind. Wie heeft eigenlijk het leven in de mens geschapen? Toen God deze van stof uit de aardbodem geformeerd had, blies hij zijn levensadem in diens neus. En pas toen kwam de mens tot leven. En zo heeft elk wezen de 'adem van de levensgeest’ ingeblazen gekregen. God heeft het nooit ruiterlijk willen erkennen, maar het is telkens weer diezelfde Heilige Geest die in zijn opdracht het leven schept. Met enige volharding vind je velerlei passages waar het zwart op wit staat, zoals bij Job, die heel goed besefte wie zijn echte schepper was: 'De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen doet mij leven.’
Ooit gaf God de wind opdracht de profeet Ezechiel op te tillen en mee te voeren naar een dal vol beenderen. En daar zag de profeet in een visioen hoe de wind de uitgedroogde botten ratelend weer ineenvoegde, en hoe zij vervolgens met spieren, vlees en pezen werden overtrokken. En nadat Ezechiel had geroepen: 'Kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven’, herleefden zij. Met andere woorden, ook op de laatste dag, als de schepping wordt vernieuwd, zal het alweer de Heilige Geest zijn die het werk moet opknappen.
En wie heeft eigenlijk Gods grote straf, de zondvloed, ten uitvoer gebracht? Alle 'kolken der grote waterdiepten’ zette hij ervoor open, evenals de 'sluizen des hemels’, en het slagregende veertig dagen en nachten aaneen over de aarde. Het was, kortom, een regenstorm die op goddelijk bevel toesloeg. Voorwaar een straf een god van de hemel waardig. Maar het was een god die kennelijk niet in staat was mens en dier eenvoudig dood te commanderen. Hij had zijn loopjongen nodig om het vuile werk op te knappen. En om de wateren te doen dalen liet God alweer de wind over de aarde strijken. En daarna was het opnieuw een weersverschijnsel, een manifestatie van de Heilige Geest, waarmee God er definitief een punt achter zette: een boog in de wolken. Telkens weer, op alle cruciale momenten, duiken ze op: de winden en de stormen, de regen en de donder. Zij zijn het die Gods plannen ten uitvoer brengen. Wat gebeurde er toen het volk bij de Rode Zee aankwam? 'Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Here deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien’ en de wateren werden gespleten en tot een dam opgestuwd 'door de adem van uw neus’. Het ons inmiddels bekende werkpaard deed ook hier zonder mopperen wat van hem verwacht werd. En op de latere veldtochten doodde de heer Israels vijanden opnieuw met de 'adem zijner lippen’. Zijn gloeiende, schroeiende wind stak de goddelozen in brand als een stroom van zwavel, en regende zo nodig vurige kolen op hun hoofd.
ZONDER DE HEILIGE Geest kon God niet eens met de mens spreken, noch kon hij zich op eigen kracht voortbewegen: 'Hij maakt de wolken tot zijn wagen, Hij wandelt op de vleugelen van de wind. Hij maakt de winden tot zijn boden, laaiend vuur tot zijn dienaren.’ Op zijn lange mars naar het beloofde land werd het volk Israels begeleid door God zelf, die het de weg wees. Welnu, overdag reisde deze in een 'wolkkolom’ en ’s nachts in een van vuur. In feite ging het om een en dezelfde wolk - 'de wolk was duisternis, maar tegelijk verlichtte zij de nacht’. En wat anders was dit dan de bliksemspuwende Heilige Geest die het kennelijk niet beneden zijn waardigheid achtte zijn rug te krommen en zijn meester op diens lange tocht als rijdier te dienen?
Als God zich met Mozes wilde onderhouden droeg hij zijn geest op hem naar deze te vervoeren. Gehuld in de wolkkolom sprak hij hem dan toe. Zo daalde hij ook in deze donkere wolk af naar de top van de berg toen hij de leider van het volk de wet zou geven. De heer daalde neer in diepe duisternis, als een laaiend, 'verterend vuur’, en de berg dreunde en beefde van de blikseminslagen. Zes dagen lang bedekte de wolk de Sinai, die geheel in rook stond, en God antwoordde Mozes 'in de donder’. Wanneer de heer zich met de leiders onderhield, was hij onveranderlijk gehuld in zijn trouwe wolkkolom. Als hij om een praatje verlegen zat, posteerde hij zich vaak in deze dracht voor de ingang van de tent der samenkomst. En ook later, na de bouw van de tempel, hield hij aan deze gewoonte vast.
Wat deed de heer eigenlijk zelf, buiten zijn geest om? Het ontnuchterende antwoord moet luiden: niets. Hij kon zich niet eens op eigen kracht vertonen. Een van de weinigen die God ooit in de hemel zelf heeft mogen aanschouwen is de profeet Ezechiel. De heer bevond zich in een 'stormwind uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur’. In die wind bevonden zich vier gevleugelde wezens 'als bliksemschichten’, met raderen voor hun voeten. Zij werden door de wind, 'de geest’, bewogen. Boven hun hoofd was een uitspansel als ijskristal. Het geruis van hun vleugels klonk als het gebruis van vele wateren, met een dreunend geluid als van een leger. Bovenop dat uitspansel stond dan eindelijk een lazuurstenen troon met God zelf erop. Zijn lichaam was bekleed met vuur en omgeven door een glans als van 'de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt’. Ezechiel voegt vol plechtige bewondering toe: 'Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren.’ Maar voor elke onbevooroordeelde waarnemer was het duidelijk geweest dat hij er tussen genomen was. Een stormwind, een zware wolk met flikkerend vuur, bliksemschichten, de donder en de regenboog…? Deze god had niet eens een eigen gestalte, laat staan een 'heerlijkheid’. Om zich te kunnen vertonen liet hij zijn Heilige Geest, de meester der speciale effecten, aanrukken. De Heilige Geest was alles voor de heer, niet alleen zijn mantel, zijn rijdier en zijn troon, zijn stem en zijn zwaard, maar ook zijn voorkomen zelf.
Men zou verwachten dat de heer op een goed moment zijn knecht de erkenning gegeven zou hebben die hij inmiddels meer dan verdiend had. Echter, God had er nooit een geheim van gemaakt jaloers van aard te zijn. En als er iemand was voor wie hij naijver voelde, dan was het wel voor deze irritante medegod zonder wie hij volmaakt machteloos was, deze bruisende, naieve figuur die hij dag en nacht voor zich liet werken en die hem toch als een kwispelend, jong hondje trouw bleef volgen. En op een kwade dag besloot hij, in een opwelling van pure pesterij, zijn compagnon een hak zonder weerga te zetten. Het ging slecht in de wereld en hernieuwd ingrijpen was dringend geboden. Het was een mooie gelegenheid geweest om de Heilige Geest nu eens eindelijk, in alle openheid, een glansrol onder de mensen te laten vervullen en hem als redder tot voorwerp van hun dankbaarheid te maken. In plaats daarvan besloot God echter tot de schepping van nog een medegod, een derde, en wel een in de gestalte van een mens, een tot de verbeelding sprekende figuur, die alle aanhankelijkheid die de Heilige Geest eigenlijk verdiende zou vergaren.
Als ultieme vernedering dwong de heer zijn immer gehoorzame geest om in eigen persoon deze Jezus, de man die hem het licht uit de ogen zou stelen, zelf te verwekken. Dit moet hem als geest op zich al de nodige moeite hebben gekost, zoals God zich heel goed realiseerde, maar uiteindelijk heeft hij het klaargespeeld. Maria werd zwanger 'uit de Heilige Geest’. Maar dit was de heer nog niet genoeg. Hij stond erop dat de vader publiekelijk zijn zegen zou geven aan zijn ongewenste zoon en deze zelf tot medegod zou bombarderen. Nadat Jezus zich in de Jordaan had laten dopen, openden de hemelen zich en daar daalde de Heilige Geest neer, gehoorzaam als altijd. Maar wat een nieuwe vernedering! Niet als de imposante, brullende en bliksemende donderstorm van weleer mocht hij zich vertonen. God stuurde hem in de gestalte van een miserabel duifje - als wilde hij het alle aanwezigen laten weten: jouw tijd is geweest, geef je zegen maar aan je opvolger.
Vervolgens moest de geest Jezus ook nog eens wegwijs maken in de boze wereld om hem op zijn taak voor te bereiden. Hij geleidde de toekomstige heiland naar de woestijn om hem met zijn tegenspeler, de duivel, te laten kennismaken. En als klap op de vuurpijl moest de Heilige Geest ervoor zorgen dat Jezus, die net als God op eigen kracht niets wonderbaarlijks klaarspeelde, als wonderman door het leven kon gaan. Telkens als de 'verlosser’ de boze geesten uitdreef deed hij dat, naar eigen zeggen, 'door de geest Gods’ - maar hij was het natuurlijk wel die de bewondering oogstte.
NA JEZUS’ DOOD kwam de Heilige Geest nog eenmaal terug. Op de Pinksterdag kwam er eensklaps uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag, en dit vulde het vertrek waar de twaalf apostelen zaten, en er toonden zich aan hen 'tongen als van vuur’. De geest van donder en bliksem was het kennelijk nog niet verleerd. Maar het was niet meer dezelfde trouwhartige figuur die hij ooit was. Hij was geknakt en versomberd. De schellen waren hem eindelijk van de ogen gevallen. Voor hem was geen glansrol weggelegd, nu niet en nooit niet. Nooit zou hij schitteren, besefte hij verbitterd. Maar de moed om te rebelleren tegen zijn kwelgeest bracht hij niet op, en in plaats daarvan besloot hij de mensen het leven net zo zuur te gaan maken als God het zijne.
De Handelingen en de apostolische brieven geven een uiterst deprimerend beeld van het kleine groepje mensen, de oerkerk, dat onder het totale bewind van deze vernieuwde Heilige Geest terecht kwam. Deze hield zich nog met slechts een ding bezig: het bestaan van zijn onderdanen even flets en kleurloos te maken als dat van hemzelf. 'Het vlees is zondig’ werd de nieuwe lijfspreuk van hem die zelf geen lichaam had, en via de door hem ingepalmde apostelen, zoals de verschrikkelijke Paulus, slingerde hij de ene sombere waarschuwing na de andere tegen 'brasserijen en drinkgelagen, wellust en losbandigheid’ de wereld in. Bedrinkt u niet aan wijn, houdt u verre van de 'hoereerders’ en 'spreekt onder elkander in psalmen’. 'Omgordt uw lendenen met de waarheid’. De geest die ooit de wereld had geschapen, had zich in jaloerse wrok van haar afgekeerd.
Toen dit alles al weer enkele eeuwen in het verleden lag, heeft de kerk getracht de drievuldigheid in een formule te vangen. Maar men heeft er een potje van gemaakt. 'In den beginne was het Woord’, aldus het evangelie van Johannes, en 'het Woord is vlees geworden’. De kerk trok hieruit de conclusie dat Jezus (het 'vlees’) al voor zijn geboorte bestond, en wel in de gestalte van het 'Woord’. De realiteit is anders. Het 'Woord’ - dat was het geluid van de goddelijke stormwind, de stem van de oorspronkelijke Heilige Geest voordat hij in Nieuwtestamentische bloedeloosheid verstomde. Voor Jezus’ geboorte bestond de godheid slechts uit God zelf en zijn trouwe geest, en deze laatste werd, tegen zijn wil, Jezus’ vader.
Het roomskatholieke idee, tenslotte, dat de aloude Heilige Geest zijn oorsprong mede in zijn eigen ongewenste nakomeling Jezus vindt, is zo mal dat het deze kerk haast wel door de heer zelf moet zijn ingefluisterd. Dat hij de wereld van deze evidente ongerijmdheid wist te overtuigen, is de laatste ironische loer die God zijn geest gedraaid heeft.