De heilige wittgenstein

WIE IN HET PRACHTIG uitgegeven fotoboek Wittgenstein: Sein Leben in Bildern und Texten bladert, komt temidden van de bijna vijfhonderd foto’s welgeteld twee keer een lachende Wittgenstein tegen. Al in zijn vroegste jeugd blijft het meestal bij een vage suggestie om de lippen, waarin een welwillende toeschouwer hoogstens de aanzet van een glimlach zou kunnen ontwaren. Later gaan de mondhoeken steeds vaker omlaag in een tic van misprijzen of ongemak, die zich in de penetrante blik daarboven soms tot ergernis verscherpt. Ronduit onthutsend zijn de foto’s waarop Wittgenstein bijna als een halve gare de wereld in kijkt, met een verwilderde of juist uitdrukkingsloze blik, verdwaald in gedachten waarvoor je op het eerste gezicht geen cent zou geven.

Hij was, ondanks de drie of vier geslaagde foto’s die sindsdien keer op keer worden gereproduceerd, geen fotogeniek figuur. Dat heeft hem waarschijnlijk weinig kunnen schelen. Uiterlijkheden waren wel het laatste waarom hij gaf. Zieleadel en het vermogen een anständiger Mensch te zijn, dat was waar het hem om ging. Over die Anständigkeit had hij zijn eigen gedachten, die slecht strookten met elk gezelligheidsideaal. Wat hij nastreefde waren een eerlijkheid en een authenticiteit die hem voor zichzelf geen gemakkelijk en voor omstanders waarschijnlijk ook geen prettig mens maakten. Hij was in alles de vleesgeworden radicaliteit. Dat verklaart wellicht de misnoegde trek die zich op latere leeftijd rond zijn mondhoeken vastzet. Tegenover zijn hoge standaard kon de werkelijkheid alleen maar tekort schieten. Om te beginnen de werkelijkheid die hijzelf was.
Wittgensteins onhandelbaarheid, die grotendeels voortkwam uit de onbereikbaarheid van zijn idealen, lijkt hem niet erg geschikt te maken voor grote populariteit. Een aantrekkelijk figuur kan men hem, met zijn zelfkwelling, ascetisme en wereldvreemde bevlogenheden, in ieder geval niet noemen. Toch is hij aan het einde van de twintigste eeuw voor het grotere publiek waarschijnlijk meer dan wie ook de belichaming van de filosofie geworden. Wittgenstein is zo opwindend als de filosofie moet zijn om te fascineren: ondoorgrondelijk, tegendraads, getourmenteerd en daardoor diep. Dat is wat anders dan de bestropdaste verschijning van Popper, die inmiddels van vrijwel iedereen gelijk gekregen heeft, maar juist daardoor geen hart meer sneller doet slaan. Of van de Beierse gestalte van Heidegger, waaruit teveel goedburgerlijkheid lijkt te spreken om het onrustig gemoed te bekoren. Misschien kon dat een paar decennia geleden nog onder de indruk raken van Sartre, wiens levenswandel tenminste van voldoende ‘filosofisch’ non-conformisme getuigde. Maar later bleek diens 'authenticiteit’ in werkelijkheid weinig te hebben voorgesteld en met de stelligheid waarmee Sartre zijn politieke en maatschappelijke idealen uitdroeg, kon de gemiddelde postmodernist ook niet zo goed meer uit de voeten.
BURGERLIJKE achtenswaardigheid en gespeelde rebellie waren bij Wittgenstein in ieder geval ver te zoeken. Alles aan hem was echt, en juist de norse ongenaakbaarheid van zijn gestalte vormden van die authenticiteit het beste bewijs. Hij was de grillige denker, die tijdens zijn colleges soms een kwartier lang kon zwijgen om dan met één lapidaire zin een onnavolgbaar inzicht te verwoorden. Hij was de man die, net als Socrates, nooit iets schreef - althans nooit iets publiceerde - en wiens aantekeningen na zijn dood waren voorbestemd om te worden bespiegeld en becommentarieerd alsof het wijsheidsspreuken waren. Het fragmentarische karakter maakte ze bovendien eminent citeerbaar en vrijwel naar behoeven uitlegbaar, als men aan uitleg al behoefte had.
Vaak was hun evocatie al voldoende voor het scheppen van een filosofische sfeer. Zo kon de leraar Wittgenstein de hoofdpersoon worden van een succesvolle theaterproductie en verschenen zijn teksten op de muren van de Wiener Secession en het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, als onderdeel van een installatie van de conceptuele kunstenaar Joseph Kosuth. De slotwoorden van zijn Tractatus - het enige boek van hem dat tijdens zijn leven verscheen, en dan nog dankzij de bemoeienis van anderen - zijn even gevleugeld geworden als Nietzsches boutade over vrouwen en zweepjes, maar worden inmiddels een stuk ernstiger genomen. En termen als 'familiegelijkenis’ en 'taalspel’ liggen nu net zo gemakkelijk - en een stuk slijtbestendiger - in de mond bestorven als eerder 'bovenbouw’ en 'eigenlijkheid’.
DAT NEEMT NIET WEG dat het succes van Wittgensteins oproep te zwijgen waarover men niet kan spreken, van tamelijk recente datum is. Veel recenter in ieder geval dan het boek dat ermee werd afgesloten, of de artikelen waarin W.F. Hermans zich in de jaren zestig tot voorvechter van Wittgenstein maakte. Hermans had een duidelijk beeld van zijn filosofische held, dat vrijwel geheel was gebaseerd op de Tractatus die hij later in het Nederlands zou vertalen. Zegbaar is wat het geval en wat constateerbaar is, onzegbaar is datgene wat zich aan constatering onttrekt: op die formule leken beide auteurs elkaar moeiteloos te vinden. Voor dat onzegbare had Wittgenstein de term 'het mystieke’ geïntroduceerd. Waarschijnlijk meende Hermans dat Wittgenstein daarmee hetzelfde bedoelde wat hij in zijn romans probeerde over te dragen. Hij heeft nooit begrepen dat Wittgenstein die uitdrukking volstrekt letterlijk bedoelde.
Daarin was hij de enige niet. Al in de late jaren twintig moesten de leden van de zeer positivistisch ingestelde Wiener Kreis na enkele discussies met Wittgenstein constateren dat zijn denkbeelden niets gemeen hadden met hun eigen anti-metafysische instelling. De directe voortekenen waren al omineus. Moritz Schlick, die Wittgenstein met veel moeite tot het bijwonen van de discussieavonden van de kring had overgehaald, bezwoer de andere leden - zo herinnert Rudolf Carnap zich - 'geen discussie te beginnen zoals we die gewend waren, omdat Wittgenstein iets dergelijks onder geen beding wilde. We moesten zelfs voorzichtig zijn met het stellen van vragen, omdat Wittgenstein overgevoelig was en door een rechtstreekse vraag snel verstoord kon raken.’
Misschien had de Kring toen al moeten weten dat het in een denktraditie die vóór alles prat gaat op heldere argumentatie en discussie zonder aanzien des persoons met zo'n man nooit iets kon worden. Wittgensteins optreden bevestigde alle voortekenen. Soms keerde hij zijn gehoor in Wenen de rug toe en begon dan - zo vertelt zijn biograaf Ray Monk - tot hun grote verbazing poëzie voor te dragen, vaak van de mystieke dichter Rabindranath Tagore, op dat ogenblik op het hoogtepunt van zijn roem. Zodat Carnap tenslotte moest constateren dat hij de Tractatus, en daarmee Wittgensteins filosofische interesse, geheel verkeerd begrepen had, omdat hij 'niet voldoende aandacht had besteed aan de uitspraken in zijn boek over het mystieke’.
Het zou nog bijna vijftig jaar duren voordat in brede kring werd erkend wat Carnap zelf pas dankzij zijn persoonlijke gesprekken met Wittgenstein had ontdekt: dat de visie die hij in de Tractatus uitdraagt alles minder wil zijn dan een scherpe scheiding tussen 'zin en onzin in de filosofie’, zoals Frits Staal dat ooit enigszins pedant heeft uitgedrukt. Beter gezegd: dat de vraag waar zinvol over te praten valt voor Wittgenstein allerminst samenvalt met de vraag wat ons leven zinvol maakt. Toch had hij dat in de Tractatus niet verzwegen. 'De zin van de wereld moet buiten haar liggen’, had hij enkele bladzijden voor het einde geschreven. 'Wanneer er een waarde is die waarde heeft, moet ze buiten elk gebeuren en zo-zijn liggen. Want alle gebeuren en zo-zijn is toevallig. Wat het niet toevallig maakt, kan niet in de wereld liggen, want dan zou het toch weer toevallig zijn.’
Met zo'n redenering hadden middeleeuwse filosofen ooit al het noodzakelijke bestaan van God bewezen, en niets kon de Wiener Kreis vreemder zijn dan zo'n uitspatting in het transcendente. Ze hebben er waarschijnlijk vlot overheen gelezen, om in de slotpassages twee bladzijden verder, hun eigen overtuigingen weer terug te vinden: 'De juiste methode van de filosofie zou eigenlijk zijn: niets te zeggen dan wat zich zeggen laat, dus zinnen uit de natuurwetenschap.’ De daaropvolgende aanmaning om over de rest maar te zwijgen, moet hen ongetwijfeld als een diskwalificatie van die hele rest in de oren hebben geklonken - net zoals ze dat vier decennia later ook Hermans deed.
ER WAS EEN RECONSTRUCTIE van de geestelijke en culturele achtergrond van Wittgensteins denken voor nodig om alle misverstanden uit de weg te ruimen, en dat zou nog tot 1973 duren. Het was voor de Wittgenstein-wereld een bewogen jaar. De Amerikaanse filosoof William W. Bartley(III durfde in zijn studie Wittgenstein openlijk te suggereren dat de raadselachtige filosoof homoseksueel geweest zou zijn, wat in die jaren nog een schandaal kon veroorzaken. Maar toen de stofwolken eenmaal waren opgetrokken, bleek in datzelfde jaar een nog veel ingrijpender Wittgenstein-boek verschenen te zijn. In Het Wenen van Wittgenstein lieten Allan Janik en Stephen Toulmin voor het eerst zien hoezeer Wittgenstein een product was geweest van de Centraal-Europese preoccupaties van rond de eeuwwende. Hij was niet de aangenomen maar eerder de verloren zoon van Bertrand Russell, zijn mentor in Cambridge, die hij op een avond in diens kamer al eens tot wanhoop had gedreven door de zin 'Er is geen rinoceros in dit vertrek’ niet als voorbeeld van een onbetwijfelbare waarheid te willen aanvaarden.
Het boek van Janik en Toulmin vormde de aanzet tot een ware Wenen-hausse, die nog werd versterkt door Carl Schorskes imponerende studie Wenen in het fin de sièce die een paar jaar later verscheen. De megatentoonstelling L'apocalypse joyeuse in het Centre Pompidou in 1986 was er de meest glorieuze en de expositie Im Rosennetz, enkele maanden geleden in Brussel, de meest onbehaaglijk makende manifestatie van. Wat de eerste deed vermoeden, liet de laatste onverholen zien: het verwrongen gelaat van een cultuur die de meest verfijnde glans combineerde met het onthutste besef dat er onder alle pracht een onvermoede verschrikking aan menselijke drift, perversie, wanhoop en gewelddadigheid schuil ging.
Er was het lucide Wenen van Schlick en Carnap, van Loos en Otto Wagner, maar er was ook het duistere Wenen van Freud en Adler, Broch en Schnitzler, Berg en Schönberg, Klimt en Kokoschka. En van Egon Schiele, wiens ster in de slipstroom van boeken en exposities tot ongeëvenaarde hoogte is gestegen en in wiens zelfportretten men soms dezelfde verwilderde blik terugziet als bij Wittgenstein op zijn meest onbarmhartige foto’s. Dat is het Wenen waarin Schopenhauers mystieke pessimisme als de hoogste filosofie gold en de poëzie van Tagore als levenswijsheid werd verslonden.
TEGEN DIE achtergrond vielen Wittgensteins quasi-terloopse opmerkingen over 'het mystieke’ en zijn gekwelde levenswandel, van briljant student in Cambridge tot tuinman in een Oostenrijks klooster, van telg uit een puissant rijke familie tot heremiet in een Noorse blokhut, van aeronautisch ingenieur tot schoolmeester in een van de meest achterlijke streken van zijn vaderland, plotseling op hun plaats. Het bleek hem met zijn uitzuivering van de filosofie tot 'natuurwetenschap’, waarbij alle zogenaamd filosofische vraagstukken als schijnproblemen werden ontmaskerd, nooit om die natuurwetenschap zelf te doen geweest. Het ging hem nog altijd om 'filosofie’, maar die moest daarvoor wel zo'n radicale verandering ondergaan dat die naam - net als de 'ladder’ die je, door de Tractatus te lezen, noodgedwongen moest beklimmen om de onwezenlijkheid van de meeste 'filosofische’ problemen te doorzien - maar beter kon worden weggegooid. Wat echt van waarde was, kon trouwens toch niet worden gezegd, maar alleen getoond, had hij in de Tractatus al geschreven. Dat onzegbare komt ook in de ondertitel van de tentoonstelling van Kossuth weer terug (Le jeu de l'indicible, 'Het spel van het onzegbare’) en het is geen toeval dat die in samenwerking met de Wiener Secession werd opgezet. Wat Wenen zocht was een verborgen werkelijkheid waarop een stuurloos geworden cultuur, op het breukvlak van de vooruitgangsidealen van de negentiende eeuw en de grote teleurstellingen van de twintigste, zich opnieuw kon oriënteren. Zelfs de ogenschijnlijk zo academisch-filosofische Wiener Kreis was het uiteindelijk om een nieuw denken en een nieuwe taal te doen, waarin zich een beschaving kon uitdrukken die de dubbelzinnigheden van de oude wereld achter zich gelaten had. Maar waar zij het heil zocht in een volstrekte zicht- en zegbaarheid (de taal moest zo helder worden dat elke verborgenheid eruit was weggesneden), zocht het gros van de Weense cultuur die werkelijkheid buiten de taal en de zegbaarheid: in het woordloze onderbewuste, de begeerte die zich wel laat afbeelden maar niet beredeneren, het chaotische spel van krachten en driften waarop de rede en de orde drijven als niet meer dan een uiterlijke schijn.
DAT DE DIEPSTE werkelijkheid niet uitdrukbaar is, was overigens geen nieuwe gedachte. Schopenhauer had haar al verwoord, en Nietzsche, wiens slagschaduw in die jaren steeds massiever over de tijdgeest begon te hangen, had daarop voortgeborduurd. Allebei waren ze tenslotte geëindigd in een soort mystiek - de een van berusting, de ander van de daad - waarin woorden versaagden. Wittgenstein deelde noch het pessimisme van de eerste, noch de expansieve exuberantie van de tweede, maar ook zijn filosofie leek uiteindelijk uit te lopen op een Geheime Leer, die zich niet meer liet uitleggen maar alleen nog liet doen. Meer dan wat ook is de Tractatus een initiatieritus: een geestelijke reiniging die de neofiet vrijmaakt van gedachten die hem afhouden van het ideaal van heiligheid waarin het hele boek zijn bestaansrecht vindt.
Wittgenstein moest en zou een heilige worden, in de betekenis die Tolstoj - wiens Jezus-boek hij in zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog gelezen en herlezen had - daaraan gaf. Hij zou voorleven wat een echt anständiges Leben was, ver van de schittering en decadentie van een joyeus-apocalyptische beschaving die het allemaal had verpest. Hij wilde opnieuw beginnen, en zoals Tolstoj Petersburg ontvlucht was naar de boeren op zijn eigen landgoed, ontvluchtte hij Wenen én Cambridge naar de Oostenrijkse bergen, waar hij een soort bons sauvages hoopte aan te treffen wier gevoeligheid voor het goede nog niet onherstelbaar was verminkt. De kinderen in zijn lagereschoolklasje werden even zovele Emiles, op wier ongeschonden ziel hij met onberispelijke daden en zwijgende vroomheid (hij vertelde alleen evangelieverhalen) het stempel wilde zetten van een herboren mensheid.
Dat had met het zakelijk rationalisme van de Wiener Kreis of met de common sense van Cambridge niet veel meer te maken - en een tijd lang wilde ook hij met hen niets meer te maken hebben. Het deed er allemaal niet meer toe, sinds de Tractatus alle filosofische problemen letterlijk in niets had 'opgelost’ en het eigenlijke werk kon beginnen. Maar heiligheid bleek een lastiger en minder eenduidige opgave dan hij dacht, en zoals zoveel zoekers naar het absoluut goede werd hij door degenen wier gids en weldoener hij wilde zijn tenslotte als een incarnatie van het kwade verjaagd. Hardhandigheid en zelfs mishandeling van zijn pupillen werden hem verweten, en hij vertrok, smadelijk en diep teleurgesteld, uit de bergen terug naar Engeland.
Niet dat hij de hoop op een betere mensheid had opgegeven. In de jaren dertig overwoog hij ernstig naar de Sovjetunie te emigreren, waar hij die betere mensheid verwerkelijkt meende te zien. Waarschijnlijk heeft hij daarbij eerder aan Tolstojs idealisering van de Russische boereneenvoud gedacht dan aan het modernisme van de leninistische revolutie - wellicht zelfs geholpen door het tegelijk boerse en grootvaderlijke imago waarachter Stalin zijn schrikbewind verborg. In ieder geval is hem deze politieke naïviteit - anders dan Heidegger of Sartre - nooit nagedragen.
Hij werd in dat opzicht door zijn eigen wereldvreemdheid beschermd. Een Voltaire arresteert men niet; van een mysticus eist men zelfs geen politieke rekenschap.
TERWIJL DE ANGELSAKSISCHE filosofische wereld in Wittgenstein schoorvoetend steeds meer een 'continentale’ filosoof ontdekte - wat in die kringen zelden een compliment is - was het juist zijn Midden-Europese beklemdheid die hem vanaf het begin van de jaren zeventig zo populair hebben gemaakt. Hij belichaamt het verlossingsverlangen dat op een onbestemde manier door het huidige tijdsgewricht heenwaaiert: onzegbaar misschien, want voor dat verlangen schieten er nog maar weinig woorden over in een werelddeel dat geciviliseerder is dan ooit in het verleden het geval is geweest. Of het had in het Wenen van rond de eeuwwisseling geweest moeten zijn, op die paar vierkante kilometer rond de Ringstrasse die we nu met het Wenen van het fin-de-siècle identificeren en dat misschien zo populair is omdat we er het huidige gezicht van de Europese wereld in weerspiegeld zien.
Natuurlijk onderging Wittgenstein die heilsbeklemming in extreme mate, maar juist dat maakt hem als spirituele held aantrekkelijk. Grote geesten moeten lijden om op het voetstuk van de goeroe te worden verheven en daarvoor waren Heidegger, Sartre en Popper nu eenmaal te gewoontjes. Waarbij Wittgenstein op de eerste twee bovendien het aura van zijn technische en natuurwetenschappelijke achtergrond voor heeft. Want met hoeveel wantrouwen de filosofische piekeraar aan het eind van de twintigste eeuw de wetenschap ook mag bekijken, ook voor hem blijft ze het zegel houden van de ultieme betrouwbaarheid en ontnuchtering. Van een technicus, logicus of aeronautisch ingenieur die zich met bestaansvragen inlaat straalt alleen al daarom de glans van gepatenteerde echtheid af.
Wilde Wittgenstein zo'n geestelijke voorman zijn? Hij zou dat zelf van een verachtelijke oppervlakkigheid en tegelijk van hoogmoed hebben vinden getuigen. Maar verraadt zijn optreden voor de Wiener Kreis, en later voor het handjevol geprivilegieerde studenten dat hij tot zijn privaat-colleges toeliet, niet juist die hoogmoed die zich aan niets zozeer ergert als aan lastige vragen en alleen maar oreren wil?
Misschien heeft hij altijd wel meer de geest gehad van een sekteleider dan van een filosoof - minstens in diens academische gestalte, die hij nooit helemaal kon hoogachten. Omdat hij ook als filosoof briljant was, zal hij als een van de grootste denkers van deze eeuw de geschiedenis ingaan. Maar populair is hij allereerst als de Egon Schiele van de filosofie, gedrenkt in het Wiener Blut dat rond de eeuwwisseling vergiftigingsverschijnselen begon te vertonen die een eeuw later nog lang niet zijn uitgeziekt.