De heimelijke koning heidegger in holland

HET KON ZE NIET ontgaan. Verwonderd moesten de leden van de visitatiecommissie die in 1966 het universitair onderwijs in de wijsbegeerte heeft doorgelicht, vaststellen dat de Nederlandse filosofie een wel heel erg hoog Heidegger-gehalte kent. Harde cijfers zijn moeilijk te geven, maar als je kijkt naar de onderwerpen waar aio’s (assistenten in opleiding) zich mee bezighouden, dan blijkt dat twintig procent van hen ‘in Heidegger’ is. Althans, dat is de ruwe schatting van Gerard de Vries, hoogleraar filosofie van de technologische cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de visitatiecommissie. ‘Zo'n tien à vijftien aio’s doen projecten die direct aan Heidegger zijn gerelateerd. En dat is echt opvallend veel. In vergelijking daarmee komt bijvoorbeeldWittgenstein, die toch ook een van de belangrijkste filosofen van deze eeuw genoemd mag worden, er met twee à drie projecten bekaaid van af.’

Het is, meent De Vries, een trend van de laatste tien jaar. ‘Na in de jaren vijftig zeer populair te zijn geweest, verdween Heidegger in Nederland enige tijd uit het zicht. De afgelopen tien jaar heeft de belangstelling voor hem, onder invloed van Derrida en het postmodernisme, weer een hoge vlucht genomen.’
Is de Nederlandse filosofie, na een periode waarin redelijkheid en helderheid de hoogste waarden waren, teruggevallen in de duisternis van het obscure denken? Er blijkt van de denker uit het Zwarte Woud een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit te gaan, een aantrekkingskracht waaraan de onthullingen, eind jaren tachtig, over zijn langdurige lidmaatschap van Hitlers NSDAP niets aan af schijnen te doen.
AL VANAF het prille begin van zijn filosofische loopbaan heeft Heidegger die aantrekkingskracht uitgeoefend. 'Er was nauwelijks meer dan een naam, maar die naam reisde door heel Duitsland, zoals het gerucht van de heimelijke koning… Het gerucht zei heel eenvoudig: het denken is weer levend… Er is een leraar…’ Met die woorden beschrijft Hannah Arendt achteraf de betovering die Martin Heidegger op haar en haar studiegenoten uitoefende in een tijd dat de man nog vrijwel niets gepubliceerd had. Arendt ontmoette Heidegger in de herfst van 1924, toen zij aan de universiteit van Marburg aan haar studie filosofie begon. Tussen de achttienjarige studente van joodse komaf en de vijfendertigjarige docent en vader van twee kinderen ontspon zich een liefdesrelatie, die in 1928 door Heidegger werd verbroken toen hij zijn leermeester Husserl als hoogleraar in Freiburg opvolgde. Arendt ontvluchtte Duitsland in augustus 1933, drie maanden nadat Heidegger lid was geworden van de NSDAP en aan de universiteit van Freiburg zijn beruchte rectoraatsrede had gehouden, waarin hij zijn onvoorwaardelijke loyaliteit met het nazi-regime uitsprak.
De fascinatie van een hele generatie aankomende filosofen voor Heidegger is ergens wel begrijpelijk. In Sein und Zeit, dat in 1927 het licht zag, keerde Heidegger de van oudsher heersende rangorde tussen contemplatie en activiteit resoluut om. Het primaat kwam niet langer toe aan de theorie maar aan de praktijk. Maar meer nog dan aan zijn pragmatisme dankt Sein und Zeit zijn brisante werking aan de incorporatie van de existentiefilosofie van Sören Kierkegaard. De mens, meent Heidegger, zal zijn angst voor de dood niet langer mogen ontwijken en de eigen eindigheid als ultieme conditie voor een waarlijk menswaardig bestaan zien te aanvaarden.
Hoe explosief deze mengeling van pragmatisme en existentialisme in het interbellum was, blijkt uit de reactie van Herbert Marcuse, de latere peetvader van de studentenrevoltes. Aanvankelijk begroette Marcuse Sein und Zeit als een keerpunt in de geschiedenis van het denken. Zijn enthousiasme voor dit boek was zo groot dat hij onmiddellijk van Berlijn naar Freiburg verhuisde om daar assistent van Heidegger te worden. Dat duurde tot circa 1932, toen er aan Duitse universiteiten voor marxisten geen plaats meer was. Eind 1932 werd Marcuse medewerker aan het inmiddels naar Genève uitgeweken Institut für Sozialforschung van Horkheimer en Adorno. Daar hoorde hij een jaar later, tot zijn volstrekte verbijstering, van Heideggers openbare bekentenis tot het nationaal-socialisme.
HEIDEGGER kwam via Frankrijk ons land binnen, met Leuven (dankzij eerst De Waelhens en later IJsseling) als voornaamste doorvoerhaven. In de eerste fase, die van kort na de Tweede Wereldoorlog tot ver in de jaren zestig reikte, beschouwde men Heidegger vooral als voortrekker van het destijds populaire existentialisme. Zij het dat het hier een theologisch geïnjecteerd existentialisme betrof, dat van zijn al te pessimistische, nihilistische en atheïstische kanten was ontdaan.
In het algemeen hadden de filosofen van katholieken huize meer moeite met Heidegger dan die van hervormde en gereformeerde denominatie, wat ongetwijfeld samenhing met het feit dat hun huisfilosoof Thomas van Aquino door Heidegger bij diens ontmanteling van de metafysica niet was gespaard. Het was Samuel IJsseling die met zijn proefschrift Heidegger: Denken en danken, geven en zijn uit 1964 voor een doorbraak onder katholieke filosofen zorgde. Maar dan zijn we al in de tweede fase van de Hollandse Heidegger-receptie beland, waarin niet de menselijke existentie maar de zijnsdevotie centraal staat.
In de tweede helft van de jaren zestig kregen het existentialisme en de existentialistisch getinte fenomenologie in toenemende mate te kampen met concurrentie van de uit Duitsland geïmporteerde kritische theorie en de uit Engeland overgewaaide analytische filosofie. Hoewel het tussen de fenomenologen en de kritische theoretici zeker niet altijd boterde, vertoonden ze toch de neiging tegen elkaar aan te kruipen toen de analytische filosofie zich breed ging maken. Dat leidde tot een regelrechte oorlog tussen 'continentale’ en 'Angelsaksische’ filosofie, met als voornaamste protagonisten Frits Staal en Jan Aler.
JAN ALER verbleef in de jaren 1935-36 en 1938-39 enige semesters in Freiburg, waar Heidegger een onuitwisbaar stempel op zijn verdere ontwikkeling drukte. Heidegger aanvaardde Alers ontwerp voor een dissertatie over de dichter Stefan George, maar de promotie kon aanvankelijk vanwege de oorlogsdreiging niet doorgaan en vond uiteindelijk in 1947 in Amsterdam plaats. De feestbundel die in 1970 ter gelegenheid van Alers zestigste verjaardag verscheen, opende met een brief van Heidegger, waarin hij zijn oud-leerling 'kein Höriger sondern ein Hörender’ noemt.
Kort nadat hij in 1965 hoogleraar esthetica in Amsterdam was geworden, kwam Aler in aanvaring met Staal, die hier drie jaar tevoren tot hoogleraar systematische en vergelijkende wijsbegeerte was benoemd. De persoonlijke en inhoudelijke tegenstellingen tussen beiden escaleerden snel tot een heuse stellingenoorlog, die ook buiten de universiteit van Amsterdam tot heftig wapengekletter leidde. Eind van het liedje was dat Staal in 1967 naar Amerika vertrok, waar hij hoogleraar in Berkeley werd. Maar niet nadat hij, zoals Aler het ooit uitdrukte, 'nog snel en rauwelijks zijn gram haalde’ met het in De Gids gepubliceerde essay 'Zinloze en zinvolle filosofie’.
In dat essay merkte Staal op dat Europa zich wel van het Duitse politieke en militaire juk had bevrijd, maar niet van het filosofische. Dat geldt vooral voor Frankrijk, waar het verslagen Duitsland als een soort geestelijke bezettingsmacht is blijven rondwaren, maar ook voor België en Nederland, die nog steeds in de ban van Duitsland verkeren. 'De keerzijde van de medaille is dat de meeste Fransen, Belgen en Nederlanders wel de Engelse en Amerikaanse bevrijders hebben begroet, maar nog steeds zijn blijven vasthouden aan het vooroordeel dat de “Angelsaksische filosofie” voor ons overbodig is.’
TIEN JAAR LATER werd deze strijd tussen continentalen en Angelsaksen, met Heidegger als kwade genius op de achtergrond, nóg een keer opgevoerd, maar nu als farce. Het ging om het proefschrift ARPH: Kunstfilosofische onderzoekingen, waarmee Eldert Willems bij Aler hoopte te promoveren. Uitgaande van een aantal jeugdgedichten en geïnspireerd door Heidegger reflecteert de auteur op het wezen van de creativiteit, welk wezen hij in de volgende 'ontologische formule’ samenvatte: 'Er is opdat, maar zo wordt dus.’ Op 16 september 1978 wendde de Belgische hoogleraar Philippot-Reniers zich tot het College van Decanen met het voorstel cum laude te verlenen. 'Dit proefschrift is meer dan een proefschrift’, zo begon ze haar motivering. 'Het is een meesterwerk.’
Wie daar allerminst van overtuigd was, was de hoogleraar taalfilosofie Renate Bartsch, op dat moment plaatsvervangend decaan. Zij vroeg de rector magnificus haar van de plicht te ontheffen de promotieplechtigheid te leiden, omdat het werk ver beneden de maat was en grote delen ervan op haar overkwamen 'als een parodie op Heidegger, ook al zijn ze door de auteur zonder twijfel serieus bedoeld’. Bartsch kreeg steun van tekstwetenschapper Teun A. van Dijk, die zich met een kritisch commentaar op ARPH rechtstreeks tot het College van Dekanen wendde.
Het feit dat ook Van Dijk letterlijk van een parodie van de heideggeriaanse existentiefilosofie sprak, gaf voedsel aan het vermoeden in het Aler-kamp dat hier sprake was van een heuse samenzwering. Een rel was geboren. Wekenlang stond de Amsterdamse universiteitskrant Folia Civitatis stijf van de ingezonden stukken en columns over ARPH. Om duidelijk te maken dat de uitverkoop van titels was begonnen, deelden de met spanddoeken gewapende tegenstanders bij de promotie op 1 december 1978 pseudobullen uit.
NA DE SERIEUZE ontvangst die Heidegger hier kort na de oorlog ten deel was gevallen, speelde Heidegger in de jaren zeventig en tachtig dus vooral een rol als aanstichter van opstootjes in de filosofie. Tot hij in de tweede helft van de jaren tachtig op de vleugels van het Franse postmodernisme opnieuw ons wijsgerige zwerk kwam binnengevlogen. Maar ook die nieuwe doorstart ging niet zonder rumoer gepaard.
Dat rumoer kwam eveneens uit Frankrijk. Het werd veroorzaakt door de publicatie van het boek Heidegger et le nazisme, waarmee de auteur, de voormalige Heidegger-leerling Victor Farias, zelfs tot de voorpagina’s van de dagbladen wist door te dringen. 'Heil Heidegger’ kopte de linkse krant Libération. En Le Monde stelde de vraag of men voortaan onderscheid moest maken tussen Mr. Hyde, de slechte nazi, en Dr. Jekyll, de goede filosoof.
Ook in Nederland stonden de kranten er vol van. Tot ongenoegen van de vaderlandse filosofen. In hun voorwoord bij de discussiebundel Heidegger en het nazisme uit 1988 noemen Henk Oosterling en Awee Prins het een treurige zaak dat Heideggers naam op de voorpagina’s van een aantal dagbladen was beland. Hier horen we de echo van Heidegger, die de openbare mening placht af te doen als 'geklets’ en louter 'nieuwsgierigheid’.
In zijn bijdrage aan de discussiebundel Heidegger en het nazisme noemt Awee Prins Farias 'een lelijke, domme eend’ in de bijt van heideggerianen. Farias suggereert slechts, 'in formuleringen die op zijn minst kwade trouw verraden’, dat Heideggers intellectuele biografie vanuit zijn politieke betrokkenheid bij het nazisme geschreven moet worden. Maar Heideggers sentimentele liefde voor het Zwarte Woud mag volgens Prins niet verward worden met de nationaal-socialistische Blut und Boden-ideologie. Diens nationalisme, 'dat zich geworteld weet of weten wil in volk en traditie’, is van een minder verwerpelijk soort.
'Minder verwerpelijk’, wellicht, maar in ieder geval wel op gespannen voet met de gangbare democratische beginselen. Daar hebben heideggerianen echter geen moeite mee, zoals blijkt uit een opstel uit 1990 van de Tilburgse heideggeriaan Egide Berns. In dat opstel bespreekt de auteur 'Heideggers afwijzing van de democratie als gepast antwoord om de problemen van een vertechniseerde samenleving in beweging te krijgen’. Berns knoopt aan bij Heideggers inzicht dat er in zijnshistorisch opzicht geen wezenlijk verschil bestaat tussen collectivisme en individualisme. Fascisme en democratie ziet de auteur als twee kanten van dezelfde humanistische medaille, die een kennelijk twijfelachtige legering is van waarden als 'mensenrechten, wetenschappelijke objectiviteit, mondigheid, algemeen kiesrecht en dergelijke’.
Berns kan gerekend worden tot de stroming der 'hyper-heideggerianen’, die zich de laatste tijd gevoegd heeft bij het al wat oudere gilde der orthodoxe heideggerianen, van wie Th.C.W. Oudemans, hoogleraar te Leiden en ook wel bekend als de buikspreker van Heidegger in Nederland, de meest prominente vertegenwoordiger is. Voor zover Heidegger nog niet geheel en al van humanistische smetten vrij is, willen de hyper-heideggerianen 'mét Heidegger tégen Heidegger denken’. Zij willen de meester qua 'ontmenselijking’ van het filosofisch vertoog stoutmoedig overtroeven, om zijn filosofie uit haar fatale verstrikking in het nazisme te bevrijden.
Sinds kort hebben de orthodoxe en de hyper-heideggerianen gezelschap gekregen van de 'eco-heideggerianen’. Onder aanroeping van Heidegger schrijven zij de huidige milieucrisis toe aan het antropocentrisch humanisme van de moderne tijd, die de mens tot maat aller dingen verheft en de natuur verlaagt tot louter 'materiaal’ waarover hij naar eigen goeddunken kan beschikken. Een recent voorbeeld levert het boek Kritiek van de technische rede. Daarin pleit Marc van den Bossche voor een 'ecologie zonder hoop’ die gestoeld is op het aan Heidegger ontleende ethos van gelatenheid, onder het motto: 'De natuur gewoon laten zijn en de technisch-wetenschappelijke natuurbeheersing afbouwen.’ De eco-heideggerianen grijpen de milieuproblematiek aan om Heidegger als profeet van de ras nakende ondergang in ere te herstellen. Daarbij hanteren ze de argumentaties van de hyper-heideggerianen om de voor de hand liggende verdenking te ontkrachten dat de diepgroene 'ecosofie’ slechts een eigentijdse variant is van de diepbruine Blut und Boden-ideologie.
BINNENKORT STAAT de Hollandse heideggerianen een fikse uitdaging te wachten. Ditmaal geen politieke verdachtmaking of journalistieke roddelarij, maar een frontale aanval op de kern van hun filosofie. Onder de neutrale titel Heidegger’s Philosophy of Being: A Critical Interpretation verschijnt dit voorjaar bij de Princeton University Press in Amerika een rond de zeshonderd pagina’s tellende evaluatie van Heideggers filosofie van de hand van de Leidse hoogleraar Herman Philipse.
Vier jaar lang werkte Philipse aan zijn monografie, aanvankelijk met een zo open mogelijke geest, maar hoe langer hoe meer vervuld van een hevige scepsis. 'Er bleef steeds minder en minder van Heideggers filosofie overeind’, zegt Philipse, 'ook van zijn veelgeroemde Sein und Zeit. Achteraf denk ik: vergelijk zo'n Heidegger nu eens met iemand als Bertrand Russell, iemand die het wat mij betreft veel meer verdient om als grootste denker van deze eeuw de geschiedenis in te gaan. Alleen al in doodgewone intelligentie blijft Heidegger ver achter bij Russell, laat staan wat betreft politiek benul en liefde voor de waarheid.’
Wat vindt u er nu van dat Heidegger momenteel op de Nederlandse faculteiten wijsbegeerte de meest bestudeerde filosoof is?
Philipse: 'Het is dood- en doodzonde dat er zoveel geestelijke energie in deze denker gaat zitten. Verspilde moeite.’