De broederschapsrevolutie of: wie is wij? (4) Rome

‘De hel is de eenzaamheid’

In zijn zoektocht naar broederschap in Europa bezoekt Bas Mesters na Parijs, Londen en Berlijn nu Rome, waar kunstenaars, filosofen en verschoppelingen vanuit verlaten gebouwen de egocratie bestoken. Met instemming van de bisschop.

De buitenkant van MAAM, het museum dat ook door tweehonderd mensen wordt bewoond

Er ligt een oude man ontkleed op zijn rug. Een slagersmes snijdt zijn hoofd in gouden schijfjes – muntstukken? Zijn romp en spillebenen zijn nog intact. Aan zijn voeten spartelen mensen in het water. De uitgemergelde persoon kon Italië wel eens voorstellen, het slagersmes het neoliberale Europa, de drenkelingen zullen migranten zijn. Of zit er nog iets anders achter?

Ik loop de hoek om. Ook hier is de voormalige worstenfabriek van Fiorucci in de periferie van Rome beschilderd met gigantische taferelen. Voor de gevel van het gebouw laden mensen huisraad uit een auto. Bij het benzinestation aan de overkant puilen vuilcontainers uit. Naast de ingang van de fabriek hangen tientallen brievenbussen met exotische namen. Een Noord-Afrikaanse man tilt een kinderwagen vol spullen door een klein deurtje in de poort. Ik glip achter hem aan. Op zoek naar Giorgio De Finis, de antropoloog en filosoof die hier een bijzonder verbroederingsexperiment aanging.

Anderhalf uur heb ik gereisd vanuit het stadscentrum van Rome. Eerst de metro tot de op een na laatste halte Ponte Mammolo. Toen de klapperende bus naar bijna het einde van het Romeinse deel van de Via Prenestina. We passeerden oude rangeerterreinen, leegstaande nieuwbouw, autosloperijen, parken, huizen met tuinkabouters, flats, illegale stortplaatsen, vervallen zeventiende-eeuwse boerderijen, verlaten fabrieken, een kudde schapen en een herder. Precies wat De Finis later het ‘gemumbaiïficeerde’ deel van Rome zou noemen.

En toen ik over de drempel van het deurtje in de poort van de ex-worstenfabriek stapte, stond ik op het punt een nieuw perspectief te ontdekken op de vraag ‘wie is wij?’, de vraag die me nu al maanden begeleidt tijdens mijn reis door Europa. Na Parijs, Londen en Berlijn ben ik nu in Rome. Ik tref er een wel heel wonderlijk ‘wij’ aan. Een wij dat wordt gefaciliteerd door kunstenaars die de ontmoeting centraal stellen in hun werk. Het wij van de verschoppelingen.

De man met de kinderwagen begeleidt me naar een gat in de fabrieksmuur. Hij stelt me voor aan Carlo Gori. Met grote streken trekt Gori golvende lijnen op de muren van dit trapportaal: rood, geel, blauw. Hij stopt geen moment. Ook niet als hij mijn vragen beantwoordt. Spetters vliegen in het rond.

Gori is een kunstenaar en documentairemaker die tien jaar geleden naar de periferie trok om er sociaal-cultureel werker te worden: onder- en onbetaald, maar hij deed het uit overtuiging. Terwijl hij schildert vertelt hij: ‘We zijn hier vanaf 2009.’ Eerst was er de noodzaak van arme mensen om een huis te hebben. Dit fabrieksgebouw was inmiddels van Salini Impregilo, een van de grootste bouwers in Italië en in de wereld. Ze verbreedden onlangs nog het Panamakanaal. De Blocchi Precari Metropolitani, een anarchistische groep krakers, bezette het reusachtige pand met tweehonderd daklozen, zoals ze dat al tientallen keren elders hadden gedaan. In totaal wonen meer dan honderdduizend mensen in illegaal gebouwde of bezette onderkomens.

De bezetters wisten dat ze hier een symbolische plek te pakken hadden. Vroeger maakte Italië’s grootste worstenmaker Fiorucci hier zijn salami’s, prosciutto’s en andere vleesproducten. De worstenmaker verliet het pand dertig jaar geleden. Het bedrijf kon met steun van de staat naar het goedkopere Zuid-Italië vertrekken om daar werk te creëren. Met de bezetting van deze fabriek twintig jaar later toonde Blocchi Precari Metropolitani aan dat ze in staat zijn een plek van grote ondernemers in te nemen. Meestal ontruimt de politie onmiddellijk als dergelijke eigendommen worden bezet. Maar hier dus niet.

De verklaring? ‘Verf’, zegt Gori. Hij wijst op de kleuren op de muren, op zijn kwast en spuitbus. Die kleuren hebben tot een kleine broederschapsrevolutie geleid: een verbond van anarchisten, verschoppelingen, kunstenaars uit de hele wereld, en ook met het museumpubliek dat deze plek inmiddels weet te vinden.

Dit hier is het eerste en enige bewoonde museum ter wereld, zegt Gori. Ook hij woont er sinds een jaar, nadat hij zelf dakloos was geraakt. Zijn huisgenoten zijn van allerlei nationaliteiten: Peruvianen, Roemenen, Syriërs, Roma, Eritreeërs, West-Afrikanen, Italianen. Er werden zelfs al tientallen kinderen geboren. Negen jaar geleden begon deze uit nood geboren gemeenschap bakstenen muurtjes in de fabriek te metselen. De muren zijn inmiddels gestuukt, hun tv hebben ze aangesloten op het aanvankelijk illegaal afgetapte stroomnet. Hun warmte halen ze uit de op de vuilstort gevonden binnenketels van afgedankte boilers. Ze knippen er een gat in en stoken er een open vuurtje in. Sommigen verwarmen zich simpelweg door een schoteltje met een plasje spiritus in brand te steken.

Gori neemt me mee naar binnen, het museum in. We passeren een glasplaat. Het kunstwerk heet Portret. Twee Australische artiesten, die ook levensgezellen zijn, hebben er drie dagen lang elke dag acht uur op beschreven wie de ander is: hoe laat die opstaat, hoe die eruitziet, wat diens stopwoorden zijn. Alles wat in hen opkwam schreven ze op. Het resultaat is een muur van zwart glas. Aan het begin van het project was het glas nog transparant. Je kon de ander er doorheen zien. Daarna niet meer. Als jij je een beeld van de ander hebt gecreëerd, zo blijkt de boodschap, dan kan die ander proberen wat hij wil, maar dan zie jij hem niet meer. ‘Hetzelfde gebeurt met de migranten, met alle personen anders dan jij’, zegt Gori. ‘De ander zien is heel gecompliceerd. Je oordelen verhinderen het zicht op hem.’

Aan een muur hangen afbeeldingen van marineschepen die al schietend vluchtelingen ‘redden’. En weer iets verderop worden varkens die langs een slachtlijn gaan de lucht in gelanceerd. Zo is de fabriek omgetoverd tot een kleurrijke contemporaine grot van Lascaux, zal bedenker De Finis later zeggen. Een plek waar homo sapiens doet wat hij al sinds zijn ontstaan doet. ‘We sluiten de ogen en zien beelden, of we nu willen of niet.’

En dan ineens in een grotere ruimte is daar Cristina, een Roma-zigeunerin. Geen beeld, maar een echte vrouw. Ze hangt de was op. Om haar heen voetballen jongetjes, fietsen meisjes en zijn kinderen schreeuwend aan het skateboarden. Aan de muur een gigantisch op Guernica lijkend schilderij en een muurschildering met de tekst ‘La space est a Vous’. Waarbij de V is doorgestreept en veranderd in een N: ‘La space est a Nous’. Tussen de kinderen en langs Cristina lopen toeristen met hun rugzak en hun camera in de aanslag.

Cristina is 22 en vertelt dat ze sinds haar zevende in Italië woont. Ze zat tot haar twaalfde op school. Toen ging ze werken. Nog steeds heeft ze geen verblijfsvergunning, is ze niet verzekerd, hoewel ze wel zes dagen in de week schoonmaakt. Dat ze nog steeds geen geldige papieren heeft, komt doordat haar werkgeefster, een manager bij de spoorwegen, haar ook na tien jaar dienst nog niet wit wil betalen. Dat vindt deze vrouw te duur.

‘Arme mensen durft men te verjagen, maar kunstenaars en hun kunst niet: kunst is in deze wereld meer waard dan mensen’

Cristina wil me haar huisje wel laten zien. Twee kamers, opgetrokken uit grote bakstenen in de fabriekshal. Buiten overheerst de ruwheid van de fabriek, binnen een strak opgemaakt bed, een tv die net iets te hard staat om een prettige conversatie te voeren, felgroene muren, een paarse wand. Op de grond kleurrijke kleedjes. Links naast de deur staat de verwarming, zo’n bordje waarop spiritus wordt verbrand. Aan de andere kant zit een man gebogen op een stoel. Hij zwijgt. Hij maakt geen contact. Het is haar man. Zijn naam noemt ze niet.

Een voormalige worstenfabriek van Fiorucci is tegenwoordig een sociaal project: mensen wonen in het gebouw dat ook als museum dient, MAAM geheten, in Rome.

Hij heeft vanaf zijn vierde een tumor in zijn hoofd. In Roemenië is hij daar ooit voor geopereerd. Hij heeft een buisje waardoor het vocht kan worden afgevoerd. Maar twee jaar geleden raakte hij verlamd. Toen dat gebeurde wist Cristina niet waar ze het zoeken moest. Een zoontje van twee, schoonouders in huis, haar man die niet meer kon bewegen, zes dagen van huis om te werken, en geen ziekenhuis dat het aandurfde iets voor haar man te doen. Te riskant en te duur. ‘Het is zwaar’, zegt ze lachend. Op haar zeventiende trouwde ze deze man, in de wetenschap dat hij een hersentumor had. ‘De liefde was groter dan het ongemak. Mijn schoonmoeder noemt ons Romeo en Julia. Ik hou echt heel veel van hem. Hij is anders. Hij is rustig. Hij is verantwoordelijk. Niet als de anderen. Jammer dat hij er zo aan toe is.’

Cristina is de kunstenaars dankbaar. ‘Dankzij dit museum hebben we een dak boven ons hoofd. Zonder hen waren we er al lang uitgegooid. Arme mensen durft men te verjagen, maar kunstenaars en hun kunst niet: kunst is in de hedendaagse wereld nu eenmaal meer waard dan mensen.’

Elke zaterdag gaan de deuren van de fabriek open. Dan mag het publiek dit ‘Museum van de Ander en het Elders Metropoliz’ binnen, zoals het heet, maam, Museo dell’Altro e dell’ Altrove di Metropoliz. Om de bedenker van dit project te spreken moet ik ook op een zaterdag naar het maam komen. Giorgio De Finis is doordeweeks druk. Hij is net benoemd tot directeur van het Macro, het officiële Romeinse museum voor moderne kunst. En er is veel verzet tegen zijn benoeming, omdat men vreest dat De Finis, gezien zijn werk hier in de worstenfabriek, tegen veel heilige huisjes aan zal gaan trappen. Om maar een van zijn uitspraken te citeren: ‘Het museum is dood, kunstenaars werken alleen voor zichzelf en voor een kleine elite. In mijn museum maam wonen, werken en leven mensen.’ Als het aan hem ligt, zal het straks ook zo zijn in het Macro.

Als we eenmaal zitten, heeft hij alle tijd en blijkt hij een zachtaardige en diepe denker. Over het maam zegt hij: ‘Museumbezoekers gaan normaal naar het centrum. Voor ons komen ze naar de periferie van de stad. Normaal grijpen ze naar hun portemonnee om die te beschermen als ze een Roma-zigeuner in de metro zien. Hier komen ze met elkaar in gesprek. Het hoeft niet, maar het kan. Vandaar de naam: Museum van de Ander en het Elders Metropoliz.’

Jarenlang deed De Finis als filosoof en antropoloog veldwerk in het oerwoud. In 2000 besloot hij het vizier te verleggen. Na de regenwouden zocht hij toenadering tot het bos van de mensen, de stad. De Finis fotografeerde, documenteerde en filmde urbane fenomenen. Hij maakte een studie van de stad Mumbai, de grootste economische motor van India, waar elf miljoen van de twintig miljoen mensen in de slums leven. Met die ervaring kwam hij terug naar Rome.

Hier sloot hij zich aan bij de Stalkers, een naar een film van Tarkovski vernoemde groep Romeinse filosofen, kunstenaars, architecten. Die besloten in 2008 de periferie van Rome te gaan onderzoeken. In drie maanden wandelden ze langs de Grande Raccordo Anulare, de rondweg van Rome. Niet aan de kant van de weg, maar driehonderd kilometer zigzaggend, dwars door de gebieden die door de ringweg worden gespleten. Ze klommen over muren, kropen door heggen, sprongen over sloten en lieten zich niet stoppen door spoorlijnen. Ze onderzochten de stad daar waar deze nog niet is gedefinieerd in stadsplannen. Ze probeerden te begrijpen wat Rome was, en ontdekten dat de stad in deze zones daadwerkelijk op Mumbai lijkt. Dat de periferie wordt gemumbaiïficeerd.

In Rome worden volgens De Finis net als in alle Europese steden mensen weggeduwd uit de stad. De huizen worden verzameld en gespaard door de rijken. Ze worden gefinancialiseerd. Deze assets dienen als onderpand voor nieuwe aankopen van nog meer onroerend goed, een oneindige speculatie die maakt dat grond en huizen niet meer dienen waarvoor ze bedoeld zijn: wonen en leven.

De Finis stuitte met zijn vrienden op de worstenfabriek van Salini Impregilo, de bouwmultinational die de leegstaande fabriek voor een prikkie kocht en erop speculeert dat dit vervallen complex jaar in, jaar uit meer waard zal worden. Toen de Stalkers en De Finis hier aankwamen, hadden de krakers en de tweehonderd daklozen de worstenfabriek net bezet. De Finis werd getroffen door de plek, door de mensen die woonden in de troosteloze, toen nog kleurloze fabriekshallen en tussen het verroeste slagersmateriaal.

Twee jaar later, in 2011, kwam hij terug, met een voorstel: ‘Jullie zijn het afval van de moderne samenleving en worden als zodanig behandeld. Niemand wil jullie meer. Laten we samen een raket bouwen en naar de maan vertrekken. We maken er een mooi spel van en filmen het.’ Hij noemde het Space Metropoliz. Zijn idee is dat er steeds meer ‘wegwerplevens’ zijn, zoals de filosoof Zygmunt Bauman dat omschreef. Migranten, Roma, werklozen zijn allemaal voorbestemd tot de vuilnisbelt. ‘Dus in plaats van hun lot richting de vuilnisbelt af te wachten, stelde ik voor om samen naar de maan te gaan.’

Zo bouwde hij met de bewoners van de worstenfabriek, kunstenaars en filmers een raket, als kunstobject en als aanklacht tegen de woningnood. ‘We wilden de schijnwerpers op Metropoliz richten. We wilden het met fantasie doen, zodat iedereen met ons mee zou spelen in het spel van de kunst.’ Ons, omdat De Finis meer dan honderd artiesten, wetenschappers en filosofen wist te betrekken bij het plan. Zelfs echte astronauten deden mee, zoals Umberto Guidoni die in de ruimte is geweest. Van afval en wrakhout bouwden ze hun raket van twintig meter hoog. ‘We hebben alles gedocumenteerd in de film Space Metropoliz.’

Als burger, als filosoof en als kunstenaar creëerde De Finis een verbond tussen hemzelf, zijn gelijkgestemden en de mensen op de bodem. Door de raket ontstond het idee om van de worstenfabriek een compleet museum te maken. Vijfhonderd kunstenaars uit de hele wereld hebben er inmiddels hun medewerking aan verleend. Er is vrijwel geen muur meer die onbeschilderd is. Het geheel is zoveel waard dat de overheid het pand niet meer durft te laten ontruimen, al voert ze nog wel rechtszaken tegen de bezetters, die geen steun van de gemeente krijgen.

Op de vraag wat zijn gift aan de daklozen hemzelf heeft gebracht, antwoordt De Finis: ‘Dit is mijn werk en mijn levensdoel. Ik geloof niet dat de wereld opgedeeld moet blijven. Muren moeten worden gesloopt. Het maam is een verbindingsstuk tussen het ene deel en het andere deel van de stad. Door te zeggen dat hier een museum van moderne kunst staat, zijn we twee dingen aan het enten, zoals je dat met planten doet. Je neemt één tak van een samenleving en maakt hem vast aan een andere scheut. En dat ga je voeden en laten groeien tot iets nieuws, tot een vrucht ontstaat. Zo kun je kloven overbruggen.’

Hij ziet Metropoliz als een plek waar je nog echt politiek kunt bedrijven in de zin van je bezighouden met de polis: een stad maken. ‘En daar komen duizend problemen bij kijken.’ De daklozen hadden heel andere problemen en verlangens dan kunst maken. De krakers begrepen het individualisme van de hedendaagse kunstenaars niet. Waarom, zo vroegen ze, wil die kunstenaar alleen over zichzelf vertellen: hij vertelt onze strijd niet. ‘Ik probeerde ze dan uit te leggen dat de ontmoeting juist daarom interessant zou zijn’, zegt De Finis. ‘De hedendaagse kunst drijft je richting de singulariteit, maar die singulariteit geplaatst in een project als maam wordt een koraalrif, een habitat. Het is niet meer het enkelvoudige visje, het wordt een milieu. Wij hebben te maken met duizend vormen van leven die hier samen vreedzaam bestaan in de schoonheid van het allemaal anders zijn. Daarom heet dit het museum “van de ander en het elders”. Het elders is de maan. De focus op de ander vertelt dat dit geen identitair museum is.’

‘Museumbezoekers komen hier met elkaar in gesprek. Vandaar de naam: Museum van de Ander en het Elders’

Is het een broederschapsrevolutie waar hij aan werkt? Broederschap, het woord doet de nekharen van De Finis in eerste instantie rijzen. ‘Velen citeren dat woord broederschap nu van paus Franciscus. Maar volgens mij heeft broederschap vandaag de dag geen kans om te bestaan zonder dat er eerst meer gelijkheid is.’ Alle theorieën over multiculturalisme in de jaren tachtig en negentig waren eigenlijk op het principe van broederschap gebaseerd. ‘Men dacht dat het in de gemixte samenlevingen simpelweg een kwestie was van het erkennen van de culturele diversiteit. Gewoon niet bang zijn voor het afwijkende in de ander. Maar ik denk dat het merendeel van de conflicten met migranten niet het gevolg is van de culturele verschillen. Ze zijn het gevolg van economische verschillen.’

Cristina is een van de bewoners van MAAM. In het weekend zijn bezoekers welkom

Wat we volgens De Finis niet willen accepteren van de migranten is het beeld in de spiegel dat zij ons geven van onszelf: ‘We accepteren de migrant niet, omdat we niet willen zijn zoals hij: arm. We vinden het niet erg dat hij andere kruiden eet of op een andere manier bidt – inmiddels eet de geglobaliseerde wereld zonder problemen alle soorten voedsel, overal, in restaurants, men reist de hele wereld over. Het gaat om de angst voor de armoede. Nu zijn zij als eerste op de vuilnisbelt terechtgekomen. Maar ook wij weten dat we in de rug worden gehijgd. En dus kan er voor mij geen broederschap zijn zolang de balans niet eerst wat evenwichtiger wordt en er iets meer rechtvaardigheid in de wereld komt.’

Het probleem is echter dat de tegenstander te machtig is, stelt De Finis: ‘Het is als of we in het Jura-tijdperk leven. Wij mensen zijn als kleine zoogdieren die constant worden bedreigd door de T-rex. Het kapitalisme is de T-rex. We verstoppen ons overdag en komen alleen ’s nachts snel naar buiten. Je kunt de T-rex niet frontaal bestrijden. Wel kunnen we als een virus zijn dat zich vermenigvuldigt. Ik geloof in de kracht van het samen. Samen standhouden en wachten tot de T-rex uit zichzelf sterft, uitsterft, omdat dat zijn lot is. In maam creëren wij het virus van het samen.’

Een uur reizen naar het zuidoosten is nog zo’n laboratorium dat op zoek is naar een alternatief samenzijn. Het is gesitueerd bij het verwaarloosde park van de volkswijk Centocelle. Ook hier spelen zigeuners, burgers en kunstenaars samen met wetenschappers een hoofdrol. En opnieuw is de gemeente afwezig. Het gebied centreert zich rondom een oude benzinepomp die is bezet door twee Roma-families, en het park. Het geheel wordt begeleid door Christian Iaione van de luiss-universiteit in Rome die in verschillende wereldsteden experimenteert met het fenomeen van de commons: kapitaal, terrein en diensten die van niemand en iedereen (kunnen) zijn, en die mensen gezamenlijk onderhouden, gebruiken en besturen.

Iaione onderzoekt hoe de commons, die in vroegere eeuwen met name op het platteland door boeren en op zee door vissers werden gekoesterd, ook zijn aan te wenden in de grote stad. Hoe moet de lokale overheid omgaan met deze ‘broederschapsinitiatieven’ van onderop? En wat zijn de succes- en faalfactoren? Hij doet dit als hoogleraar en als directeur van het internationaal project LabGov dat inmiddels in Bologna, Rome, Turijn, New York, Accra, Liverpool en ook in Amsterdam is geland. ‘We leven in een tijdperk van transitie van zekerheden naar onzekerheden’, zegt Iaione tijdens een lunch. ‘De grote theorieën en ideeën die geloof hechten aan de markt en die de staat zien als organiserend principe, hebben niet meer de ordenende capaciteit van voorheen.’

Iaione is als veel aanhangers van de commons geïnspireerd door de Nobelprijswinnaar voor economie Elinor Ostrom. Zijn grote vraag is hoe de commons in de hyperconflictueuze stad zouden kunnen functioneren. Botsingen tussen markt, staat, gemeente en andere krachten zijn daar aan de orde van de dag. Commons konden op het platteland bestaan omdat er weinig interesse was in de gebieden waar ze functioneerden, omdat ze economisch niet echt relevant waren. Alles in de stad kan echter op vele manieren waarde creëren.

Wat hij in Centocelle doet is studenten van een elite-universiteit naar een arme buurt brengen waar ze totaal ten dienste staan van de behoeften van die gemeenschap. Niet vanuit een ideologie of vanuit het idee hulp te geven, maar vanuit de wens samen te werken. ‘Het gaat niet om participatie, of praten, maar om dingen dóen. Ons interesseert dat we aan het einde van het traject werk hebben gecreëerd, een economische realiteit, gezamenlijke ondernemingen die een tegenkracht kunnen bieden aan de markt en aan de overheid en die de economische diversiteit van de stad vergroten.’

In Centocelle hebben ze het verwaarloosde park uitgekozen als plek waaromheen een sociaal-economisch ecosysteem kan worden gerealiseerd, en uiteindelijk wellicht een coöperatie die het park gaat onderhouden en er waarde gaat creëren. Daartoe zijn allereerst sleutelfiguren gezocht die het park al gebruiken en organiserende kracht hebben. Een jogger die er door de rommel jogde, een fietser, een vrouw die er een klein tuintje had gemaakt. Ze zijn samen begonnen het park te onderhouden, door bankjes te repareren, vuilnis op te halen. ‘Zo willen we het park weer tot iets van de gemeenschap maken. En we zijn gaan werken met de mensen die in het park wonen, zoals de groep zigeuners die het leegstaande benzinestation hebben bezet.’ Met Iaione hebben ze samen een vereniging opgericht. Een van de zigeunervrouwen zit samen met burgers in het bestuur. ‘Zo zoeken we verlaten plekken in de stad die gezamenlijk gebruikt kunnen worden.’

In totaal zijn er honderd mensen betrokken: onderzoekers, studenten, buurtbewoners en de twee Roma-families. ‘Werken aan dit project geeft me betekenis’, zegt Iaione. ‘Ik was als advocaat ontevreden met mijn professie en hoe die door markt en staat wordt gebruikt. Als onderzoeker aan de universiteit zat ik alleen achter een bureau. Nu werk ik voor een nieuwe cliënt, de gemeenschap, en kan ik testen wat werkt.’

De filosoof en de jurist staan niet alleen in hun poging kleine cellen, kleine virussen van het samen te creëren. In de periferie van Rome zijn steeds meer van dit soort plekken. Il Corviale bijvoorbeeld, de langste flat ter wereld, anderhalve kilometer, in de volksmond beter bekend als Il Serpentone, de grote slang. Een betonnen kolos met zesduizend inwoners. Een soort natte droom van Le Corbusier die als inspirator voor dit project heeft gediend. Een project dat in de jaren tachtig werd opgeleverd en al direct was mislukt, zo vertelt de actievoerder Pino Galeota die samen met vrijwilligers nieuw leven en nieuwe gezamenlijkheid in het gebouw probeert te brengen, waar douches lekken en het beton van de muren komt en waar drugsdealers, illegalen en maffiosi de afgelopen decennia de controle hebben overgenomen.

Hoe drastisch het verval is, toont de vierde etage van dit tien verdiepingen tellende gebouw. Deze had moeten dienen als openbare ruimte waar winkels en publieke activiteiten zouden neerstrijken; een soort agora. Maar al voor de officiële oplevering bouwden Italiaanse daklozen er muurtjes en bezetten ze de openbare ruimte. Er wonen 150 families illegaal die deze ‘huizen’ ook illegaal aan elkaar doorverkopen. De regio die de flat liet bouwen verloor de controle: de vuilnisdiensten haperden, de plantsoenendiensten vielen weg. Il Serpentone werd geheel aan zichzelf overgelaten. Op een gegeven moment kwamen er zelfs geen bussen meer.

Kunstenares Monica Melani heeft inmiddels met bewoners een vervallen gemeenschapsruimte opgeknapt en geeft er allerlei creatieve cursussen. Ook is er een klein museum geopend. Ze doet het gratis, uit overtuiging. Ook volgens haar is kunst er om ontmoeting te realiseren. ‘Ik geef ruimte aan de antilichamen die door het verval hier zijn ontstaan. Mijn missie is om de sociale rol van de kunst te tonen. Alleen al met onze manier van observeren kunnen we de dingen veranderen.’

Of haar idealisme zal slagen is geen uitgemaakte zaak. In het begin was het heel moeilijk om de bewoners in haar museum te laten komen, vertelt Melani. Er was veel wantrouwen en desillusie als gevolg van niet nagekomen beloften door politiek en eigenaren van de flat. Mensen moesten de trapportalen zelf schoonhouden, terwijl ze betaalden voor de schoonmaakdiensten die niet kwamen. Maar nu is er volop activiteit. Gymnastieklessen voor ouderen, dans, sport voor jongeren, schildercursussen. Ze toont de kleurrijke ‘energetische’ kunst met ‘vibrerende kleuren’ die ze met de mensen die hier wonen maakt. Half april kwam de ultieme erkenning voor de mensen in dit vergeten gebied: ineens kwam paus Franciscus op bezoek.

Er zijn nu meer dan honderd vrijwilligers betrokken bij het project. Activist Galeota heeft een plan opgesteld om het gigantische complex te restaureren in plaats van te slopen. Hij wil er een ‘productieve eenheid’ van maken met zonnepanelen, opvang van het water van het anderhalve kilometer lange dak om de wc’s mee te spoelen, onderhoud van de plantsoenen, herstel van de 98 liften die grotendeels stuk zijn, ontruiming van de bezette vierde verdieping. Hij heeft het allemaal laten doorrekenen en dertig miljoen euro aan fondsen verzameld. Maar de overheid werkt tegen. En ook de criminele families die bezit hebben genomen van twintig procent van de flat willen dat alles blijft zoals het is. ‘Maar ik heb jeuk’, zegt Galeota. ‘En als ik jeuk heb, blijf ik krabben. Ik geef niet op. Dit moet lukken.’

‘Wij zijn kinderen van Pasolini. Hij was tegen het establishment. Hij ging voor de waarheid en luisterde naar de meest nederigen’

Welk periferiegebied ik ook bezoek in Rome: het is steeds hetzelfde beeld. De overheid die er de greep kwijt is en kunstenaars die de regelloosheid aanwenden om er hun creativiteit ten dienste van de samenleving in te zetten. Neem Ostia, aan de kust. Ook hier staan aan de uiteinden van de buurt illegaal gebouwde stenen barakken. Ook hier maffiose clans, zoals die van de familie Spada die een groot deel van het gebied en de strandtenten controleert en samenwerkt met de extreem-rechtse politieke organisatie Casa Pound die hier veel stemmen trekt.

In dit geval is een theater de kern van gezamenlijkheid. Filippo Lange draagt al jaren bij aan deze curieuze plek. Twintig jaar stond het Teatro del Lido leeg, totdat het in 1997 werd bezet door theatermakers, zoals in heel Italië op dit moment meer dan tien theaters bezet zijn door kunstenaars en burgers, omdat de overheid ze niet onderhoudt of domweg sluit. Het theater van Ostia is het enige theater van Rome waar het publiek samen met de kunstenaars de inhoud van de theaterprogramma’s bepaalt. Omdat de deelgemeente Ostia van 2015 tot 2017 onder curatele was gesteld vanwege infiltratie door de maffia, wordt er veel geprogrammeerd rondom dit thema.

Het theater probeert een bijdrage te leveren aan de civiele scholing van de jeugd door samen met hen films, theater en ontmoetingen te organiseren. Het grote voorbeeld van de kunstenaars en deelnemers is Pier Paolo Pasolini, de cineast, schrijver, kunstenaar en activist die in Ostia werd vermoord. Hij zag al in de jaren zestig dat consumisme de burgerlijke waarden zou ondermijnen, vertelt Filippo Lange.

Terwijl Lange me in zijn auto naar het parkje brengt waar Pasolini werd vermoord en waar hij wordt herdacht, reflecteert hij op de trits van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid, broederschap. ‘Broederschap is de voorwaarde voor een solidaire gemeenschap. Je kunt het vertalen met liefde voor de ander.’ Pasolini, zegt Lange, is de geest van dit gebied. ‘Wij zijn kinderen van Pasolini. Elke 2 november gedenken we zijn dood en komen we bij elkaar in het theater om zijn denken te actualiseren. Hij was tegen het establishment, tegen de macht. Hij ging voor de waarheid en werkte altijd vanuit de periferie. Hij luisterde naar de meest nederigen. En hij verdedigde ze, net zoals Jezus dat deed.’

Pasolini had een katholieke moeder en verhield zich op geheel eigen wijze tot het geloof. Hij uitte felle kritiek op de kerk, het Vaticaan. Hij verfilmde het evangelie volgens Mattheus, en juist deze film van deze volstrekt onafhankelijke denker is voor een van de hoogste prelaten van de katholieke kerk, monseigneur Vincenzo Paglia, prefect van de Pauselijke Academie voor het leven en vertrouweling van paus Franciscus, een enorme inspiratiebron. ‘Pasolini’s analyses zijn van een ongekende, indrukwekkende helderheid’, zegt hij. ‘Zijn waarde was dat hij de corruptie van het consumisme blootlegde dat de humanistische waarden vernielt en onkruid zaait tussen de mensen. De mooiste film die ik over Jezus heb gezien is die van Pasolini. Voor het evangelie volgens Mattheus heeft hij geen acteurs gebruikt, maar mensen uit de periferie, en hij heeft geen andere woorden gebruikt dan die in het evangelie staan. Pasolini had de evolutionaire kracht van het evangelie begrepen.’

Il Corviale, de langste flat ter wereld, waar veel illegale bewoners verblijven. Op de vierde verdieping is een vervallen gemeenschapsruimte opgeknapt waar zich nu een museum bevindt en waar creatieve activiteiten plaatsvinden

De filosoof, theoloog en pedagoog Paglia ontvangt in een palazzo aan het begin van de Via della Conciliazione die naar het Vaticaan leidt. Door het raam van zijn kantoor is telkens opnieuw het geluid van sirenes te horen als hij zijn analyse uit de doeken doet, zittend onder een expressieve schildering van Jezus aan het kruis. De bisschop heeft net een boek gepubliceerd onder de titel Il crollo del noi (De ineenstorting van het wij), dat oproept tot de broederschapsrevolutie. Hij vertelt dat hij het schreef als ‘een noodkreet, een alarmbel en als een constatering’. De Europese Unie en de Verenigde Naties en de manier waarop mensen en landen elkaar daarin vonden, moeten we volgens hem zien als grote dromen geboren uit een ramp: de shoah. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was een grote culturele verovering. Alsook het feit dat er in Europa nooit meer oorlog is geweest. Maar vandaag lijken deze grote dromen verzwakt. ‘Er is sprake van een heroriëntatie richting het zelf. De eigen identiteit prevaleert boven het gemeenschappelijke leven.’ Paglia schrijft in zijn boek zelfs over ‘de dood van de ander’.

‘Ja, dat heb ik van een Italiaanse psychiater. Die refereerde aan de constatering van de filosoof Friedrich Nietzsche: God is dood. De psychiater schreef: maar ook de ander is dood. Ik vind het pessimistisch klinken, maar er zit een kern van waarheid in.’

Net als de individuen hebben ook de religies vanaf de jaren negentig voorrang gegeven aan hun eigen identiteit boven de wederzijdse ontmoeting. ‘In de jaren zestig zei Johannes XXIII: laten we zoeken naar wat ons verenigt, laten we terzijde leggen wat ons verdeelt’, zegt Paglia. ‘Maar in de jaren negentig gebeurde het tegenovergestelde. Sindsdien zoeken we wat ons identificeert en we leggen terzijde wat ons verenigt.’

We zijn, volgens Paglia, enigszins verarmd het nieuwe millennium ingetreden. We dromen niet meer in het groot. En dat moet wel weer, door de grote Europese perspectieven op de moderniteit te herwaarderen: ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap creëren een verbinding tussen het joods-christelijke en het seculier-humanistische denken.’

Hij spreekt daarbij over vijf grote tradities, wegen die Europa doorkruisen en verbinden. ‘Europa is helemaal niet mono-cultureel. Het is diep pluri-cultureel. De vijf grote wegen verbinden haar en alle vijf zijn ze onmisbaar.’ Hij somt ze op: de grote Griekse onderstroom maakt aan alle Europeanen de zin van de polis, van de democratie, duidelijk. ‘En de zin van eros, de grote traditie van de affecties.’ Maar er is ook de weg van het Romeinse recht dat alle burgers waardigheid geeft. En dan de Hebreeuwse weg, van het grote monotheïsme. Monotheïsme moet volgens Paglia worden gezien als de beklemtoning van de waardigheid van de menselijke persoon. ‘Immers elk mens is er dankzij die ene God van het monotheïsme en niet door iets anders. Die God heeft de mens gewild. In die zin is monotheïsme humanisme.’

De vierde weg is de christelijke weg. Die voegt aan het Europese weefsel ‘de dimensie van de liefde en van de dankbaarheid en de vergeving toe die je zelfs verplicht om je vijanden lief te hebben’. En de vijfde weg? Dat is die van het wereldlijke humanisme, die ‘een burgerlijke vertaling is van de Hebreeuwse, Griekse, Romeinse en christelijke traditie tezamen. Die humanistische traditie beklemtoont de waardigheid van het subject, of zo je wil: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Die drie zouden onvoorstelbaar zijn zonder de andere tradities die ik net aanstipte. In de hedendaagse samenleving hebben de religieuze tradities dan ook de plicht vrijheid, gelijkheid en broederschap te ondersteunen en elke totalitaire politiek te bekritiseren.’ Opnieuw klinkt door het raam de sirene van een ziekenwagen.

Als de markt de nieuwe religie wordt en vrijheid, gelijkheid en broederschap bedreigt, zo vervolgt Paglia, dan moeten de religies daar tegenin gaan en de vijf stromen beschermen. De bisschop raakt bevlogen: ‘We hebben in het Europese erfgoed dus alles voorhanden om weer in het groot te gaan dromen. Sterker nog: volgens mij is de toekomst van Europa óf gemeenschappelijk óf zij zal er niet zijn. En de toekomst van de planeet is óf gemeenschappelijk óf we zullen onszelf vernietigen.’ De sirene buiten klinkt steeds harder.

De niet ingeloste belofte van de moderniteit, van het humanisme, is volgens Paglia: broederschap. ‘Er zijn stappen richting vrijheid en gelijkheid gezet – al gaat het nu de verkeerde kant op. Soms ook revolutionaire stappen. Maar een vreedzame toekomst voor Europa en de planeet is volgens mij alleen mogelijk via een nieuwe revolutie: de broederschapsrevolutie. En die is mogelijk doordat broederschap in een geglobaliseerde wereld zichtbaarder kan worden dan in het verleden. We kunnen in een seconde weten wat waar dan ook in de wereld gebeurt. Niemand kan zeggen: ik weet niet wat er in Aleppo gebeurt.’

Op de tegenwerping dat het desondanks allemaal doorgaat, de vernietiging en het moorden, zegt Paglia: ‘De opdracht aan ons is om de smaak van de nabijheid met de ander te hervinden. We moeten de passie voor eenheid van de menselijke familie hervinden.’

Maar hoe? Wat is volgens Paglia dan het antwoord op de vraag: ‘Wie is wij’? ‘Ik geloof dat we helaas heel goed weten wie ik is. We leven in een egocratie, waarin de macht van het ik overheerst. Het grote gevaar van de verzwakking van de gezamenlijkheid is dat je alleen nog een verbinding met jezelf onderhoudt, of met de eigen groep. Er is dan geen vrije tussenruimte meer om in te zien dat elke ik die niet verbonden is met de ander gedoemd is om te verarmen. En dat die ik conflicten zal creëren en zich zal elimineren. Want het ik neigt er altijd naar om de enige te zijn. Daarom is het nodig om een nieuwe verbintenis te vinden tussen het ik en het wij.’

De oplossing ligt volgens hem in de erkenning dat we het zonder de ander niet zullen redden. Het verschil, het onderscheid, is een integraal deel van de eigen identiteit. ‘Ik besta niet alleen. Het woord identità is in het Italiaans ook niet voor niets alleen in het meervoud voorhanden. De diversiteit is in een ieder van ons geschreven. We worden meervoudig geboren. Daarom zei ik dat de broederlijkheid natuurlijk is. Die is er al. We moeten haar ontdekken en laten groeien.’

En daarom, zegt Paglia, staat hij tegenover Jean-Paul Sartre. ‘Die zei: “De hel, dat is de ander.” Nee: de hel is de eenzaamheid. De hel is het ik dat uniek wil zijn. Laten we stoppen met ons afvragen: wie ben ik? Laten we ons afvragen: voor wie ben ik?’


Dit stuk is mede mogelijk gemaakt door ECF