De gebroeders Coen

De hel puilt uit

Op het International Film Festival Rotterdam gaat No Country for Old Men van Joel en Ethan Coen in première. Hiermee slaan zij een nieuwe weg in. Optimisme maakt plaats voor de harde werkelijkheid: de desolate landschappen van Cormac McCarthy.

Die pesky paperback. Wilde gewoon niet opengeslagen blijven liggen. Floepte iedere keer weer dicht! En zo sukkelden Joel en Ethan Coen maar voort tijdens het bewerken tot filmscript van Cormac McCarthy’s roman No Country for Old Men (2005). Samenwerken was wel cruciaal, zeggen de Coens verder spottend, want je kunt nu eenmaal niet met één hand tikken. Daarom hield één van hen de pocketeditie van McCarthy’s roman open terwijl de ander achter de computer de tekst zat in te tikken.

Het is een grapje, en de Coens laten ook geen gelegenheid onbenut het te vertellen, maar er zit een diepe waarheid in: hun nieuwste film is een letterlijke remake van McCarthy’s moderne westernroman, niet alleen wat plot en dialoog betreft, maar ook in toon en thematiek. Daarom is het zo’n boeiende koppeling: de Coens, wier oeuvre vol stilistische uitspattingen en snijdende ironie zit, en McCarthy, een auteur die in zijn romans de werkelijkheid en de taal zo dwingend en gestroopt brengt dat hij zich nauwelijks een komma of een apostrof veroorlooft.

Neem het wankele, angstige wereldbeeld van McCarthy’s sheriff Ed Tom Bell van Terrell County. Hij zegt stil: ‘I aint sure we’ve seen these people before. Their kind. I dont know what to do about em even. If you killed em all they’d have to build a annex on to hell.’ En plaatst tegenover hem sheriff Marge Gunderson (Frances McDormand) in de Coens-film Fargo (1996). ‘I love ya, Normie!’ zegt zij blij tegen haar man, om vervolgens stralend door de zwangerschapshormonen de karikaturale slechteriken op te ruimen.

Het contrast tussen de twee sheriffs kan niet groter zijn; het is exemplarisch voor de tijdgeest én voor een koerswijziging van de Coens: weg is de vrolijke, tamelijk vrijblijvende postmoderne visie die vooral de laatste jaren in hun werk evident was. Deze lichtheid, zelfs optimisme, maakt in hun nieuwe film plaats voor de harde werkelijkheid: de desolate geestelijke en fysieke landschappen van Cormac McCarthy, die in No Country even afschuwelijk mooi zijn als in zijn beste werk, de horrorwestern Blood Meridian uit 1985. Het is deze wereld, waarin de hel uitpuilt zoals sheriff Bell zegt, waarop de Coens zich nu hebben gestort.

Toch was het donker altijd aanwezig in hun werk, zeker aan het begin van hun carrière, toen ze werden beïnvloed door de harde mannen van de Amerikaanse fictie: Dashiell Hammett, Raymond Chandler en vooral James M. Cain, auteur van romans als The Postman Always Rings Twice (1934) en Butterfly (1947), die ooit zei: ‘In mijn boeken zijn er geen grote mysteries. Sommige personages plegen moorden, maar daarin schuilen geen geheimen. Ze doen het voor seks of geld, of beide.’ Het citaat is volledig toepasbaar op de films van de Coens. Blood Simple (1984), Miller’s Crossing (1990), The Big Lebowski (1998) en The Man Who Wasn’t There (2001) zijn stuk voor stuk moderne films noirs, compleet met scherp contrasterende schakeringen van licht en donker, femmes fatales, narcistische en zelfdestructieve mannelijke helden en onverwachte plotwendingen waarin seks, liefde, geld en geweld centrale motieven zijn. Opvallend in al deze films is dat de Coens hun literaire helden niet huldigen door bijvoorbeeld hele verhaallijnen op hun werk te baseren. De noir-invloed is eerder postmodern van aard; in het vroege werk van de Coens wordt het genre door subtiele referenties aan Chandler, Hammett en Cain geëerd en ook verrijkt, zeker in het geval van The Man Who Wasn’t There, een film die niet alleen Cain-referenties bevat, onder meer aan zijn roman Double Indemnity uit 1935, maar ook letterlijk een noir is door de prachtige zwart-witfotografie van Roger Deakins.

Film noir is niet het enige bewijs van de obsessie van de Coens met genre. Het postmoderne referentiespel vertakt zich verder naar de screwball comedy met bijvoorbeeld de recente, wat mindere films O Brother, Where Art Thou? (2000), Intolerable Cruelty (2003) en The Ladykillers (2004). Een hoogtepunt in deze fase is evenwel het ondergewaardeerde The Hudsucker Proxy (1994), waarin Jennifer Jason Leigh twee uur lang een weergaloze impressie van Katherine Hepburn geeft. Juist deze speelsheid, gecombineerd met de even frivole, schitterende art-decosets, vormde voor veel critici de aanleiding vragen te stellen over de diepere betekenis van de films van Joel en Ethan Coen. Draait bij hen alles om de oppervlakte? Om het netwerk van verwijzingen naar andere films en narratieve vormen, of is er ook sprake van een eigen, autonome artisticiteit?

De vraag is ook nu weer relevant, met de ‘remake’ van Cormac McCarthy’s roman, te meer daar de Coens hebben besloten het boek vrijwel pagina voor pagina te verfilmen. Het antwoord is evenwel snel gegeven: No Country for Old Men is onmiskenbaar een Coens-film. Dat valt al aan de vorm af te lezen. Na film noir en screwball comedy hebben de Coens nu een western gemaakt. McCarthy’s roman speelt zich af in West-Texas, waar good old boys hard werken en veel bier drinken. Op een dag stuit een van hen, Llewelyn Moss, gespeeld door Josh Brolin, tijdens het jagen op de prairie op een drugsdeal die op geweld is uitgedraaid. Behalve een handvol lijken vindt Moss ook een tas gevuld met miljoenen dollars. Hij kan het niet laten, hij gaat ermee vandoor.

Binnen de kortste keren zit iedereen achter hem aan: sheriff Ed Tom Bell (Tommy Lee Jones), maniakale Mexicaanse moordenaars en Anton Chigurh (Javier Bardem), een killer. En wat een naam: Chigurh. Nauwelijks uit te spreken, klinkt als sugar, maar dan met een gorgelende klank aan het einde. Opvallend zijn de overeenkomsten tussen McCarthy’s creatie, zoals de Coens hem voorstellen in hun film, en soortgelijke, gezichtsloze moordenaars uit andere films van de gebroeders: John Goodmans personage in O Brother, de duistere motorrijder met de riot guns in Raising Arizona (1987) en Gaear Grimsrud (Peter Stormare), de geblondeerde killer en het ‘maatje’ van Steve Buscemi in Fargo.

Misschien is in Fargo het beste bewijs te vinden voor het feit dat No Country for Old Men, ondanks de slaafse verfilming van de roman, specifiek een werk van de Coens is. En dat ze met deze film aantonen dat ze een nieuwe weg in slaan, een weg die zo donker is als het huidige geestelijke klimaat in Amerika. Immers, als iemand dat klimaat weet te vertolken, dan is het McCarthy wel. En zeker ook de Coens, zo blijkt in No Country maar eigenlijk al in Fargo, waarin de weidse, ijzige landschappen de mentale kilheid en de geestelijke leegte van de killers symboliseren, een idee dat zich fysiek manifesteert in het hagelwitte haar van Grimsrud (nog zo’n ijzingwekkende naam, klinkt als het monster ‘Grendel’).

Hetzelfde gebeurt in No Country: pijnlijk mooi is de ruwe aarde van Texas, die terug te vinden is in de taaie, gerimpelde huid van sheriff Bell, een personage dat niemand anders zou kunnen spelen dan Tommy Lee Jones, die overigens ook echt een Texaan in hart en nieren is. In een meesterset leggen de Coens een connectie tussen Bell en Chigurh door in afzonderlijke scènes de reflectie van beide personages op precies dezelfde wijze in een donker televisiescherm in beeld te brengen. Dat symboliseert Bell/Chigurh als een even onmogelijke als dodelijke twee-eenheid. Chigurh, met zijn vreemde naam en bespottelijke uiterlijk (hij heeft een perverse, archaïsche haarstijl), is een gotspe in West-Texas: akelig glad en onmenselijk en onnatuurlijk, en dat ook nog tegen de uitgewassen, romantische achtergrond van El Paso en El Saba en San Antonio. Wie aan Chigurh denkt, wie die naam zegt, hoe zacht ook, rilt. Ook Ed Tom Bell, die de wereld niet meer kent, zeker niet wanneer hij de krant leest.

In zijn roman creëert McCarthy een prachtig beeld: hij laat Bell in een kopje koffie staren en zien hoe zijn eigen reflectie daarin bibbert en zweeft en uiteindelijk opbreekt. En Bell denkt: ‘I know as certain as death that there aint nothin short of the Second comin of Christ that can slow this train.’ Weg is de eenheid die er nog zo mooi in Fargo was, waarin het vertederend is hoe Marge oprecht versteld staat van het kwaad, hoe zij zegt: ‘Weet je, het leven bestaat uit meer dan geld!’ En dan kruipt zij weer bij Normie in bed. Het monster is er niet meer. Het was makkelijk te verjagen, een karikatuur eigenlijk, een postmodern droombeeld dat geen humor nodig had, juist omdat het zelf zo hilarisch was.

De Coens brengen het beeld van het kwaad nu, in No Country, heel anders. Lijnrecht tegenover de vrijblijvende Fargo-killer Grimsrud staat de McCarthy-killer Chigurh, die beginselvast is. Hij geeft je een kans: kop, het leven, munt, de dood. Chigurh is de naderende dood – vandaar dat de Coens hem visueel aan Bell koppelen. Bell, de oude sheriff, het oude Amerika, het land dat nooit meer kan zijn. Of toch wel? Een hoofdthema in McCarthy’s roman is de wijze waarop het verleden constant een houvast in het heden heeft. Bells vader bijvoorbeeld, over wie hij droomt, staat voor het troostende, onbereikbare verleden. En Bell zelf, die graag verhalen over de ‘old timers’ hoort en dan bedenkt hoe zij tegenover de huidige wereld zouden hebben gestaan.

Aan het einde van McCarthy’s roman (en deze verhaallijn is ook wel de enige die niet in de film van de Coens voorkomt) biecht Bell iets op over zijn eigen verleden. En terwijl hij dat doet, wordt duidelijk waarom hij de oude helden vereert. Hij zegt: ‘I’m not the man of an older time they say I am. I wish I was. I’m a man of this time.’ Dit laatste omvat de tragiek van sheriff Ed Tom Bell. Gevangen in de hel van nu. En altijd wacht Chigurh.

Het werk van Joel en Ethan Coen staat centraal in Meet the Maestro op het IFFR, van 23 januari t/m 2 februari. Voor andere films op het IFFR zie pagina 30 t/m 34