Profiel: Edoeard Sjevardnadze

De held van destijds

Op het plein bij de staatskanselarij en het parlementsgebouw aan de Roestaveli-boulevard in Tbilisi is het al veertien jaar onrustig. Altijd is er wel een of ander meer of minder geflipt oppositieclubje dat het aftreden van de regering van Georgië eist, wie er ook de baas is in dit armenhuis aan de Zwarte Zee. Maar de afgelopen weken heeft de groep een zodanige omvang gekregen dat zelfs president Sjevardnadze het benauwd heeft. De «witte vos», zoals hij met een mengeling van respect en angst wordt genoemd, weet dat machtsuitoefening in Georgië op gezette tijden een kwestie van geweld is. Maar nu staat hij, de bejaarde president, voor een cruciale keuze: nog één keer letterlijk de beuk erin gooien of het eindspel aanvaarden en dat op een minder egocentrische wijze dan gebruikelijk afwikkelen. Dat is een immens dilemma voor de man die in het Westen wordt geëerd als de sovjetminister van Buitenlandse Zaken die rond 1990 de hereniging van Europa mogelijk heeft gemaakt.

Het eindspel is 2 november begonnen. Volgens oppositie en buitenlandse waarnemers waren de parlementsverkiezingen die zondag vervalst respectievelijk beroerd georganiseerd. Het presidentiële blok Voor een Nieuw Georgië en zijn coalitiepartijen zouden gezamenlijk de meerderheid der zetels hebben gehaald, zodat de oppositie rond de Nationale Beweging van de bijna 36-jarige jurist Michail Saakasjvili het nakijken zou houden. Voor de oppositie was dit gesjoemel het aas dat ze nodig had om de straat op te roepen tot «actie». In 2001 had ze het, na een inval bij een commerciële televisiezender, al eens geprobeerd. Tevergeefs. Sjevardnadze was een jaar eerder met tachtig procent van de stemmen herkozen en beschikte over een te vers mandaat.

Maar afgelopen vrijdag leken de kansen gekeerd. Zelfs de Georgische kiesraad nam de eigen tellingen niet meer serieus, en de minister van Defensie verklaarde dat de toestand «onbeheersbaar» was geworden. De polarisatie was daardoor zo op de spits gedreven dat Saakasjvili (tot 2001 kortstondig minister van Justitie en dus disgenoot aan de tafel bij de Georgische elite) een ultimatum durfde te stellen: «Ik geef Sjevardnadze één uur om naar het volk te komen, zo niet, dan is hij voor ons geen president meer.» Sjevardnadze was eerder die week nog wel naar buiten gekomen. Nu bleef hij binnen.

Tbilisi oogde als een stad in staat van beleg. In het centrum hadden zich tienduizenden demonstranten verzameld, oog in oog met gemaskerde veiligheidsagenten. Elders wachtten soldaten van de binnenlandse strijdkrachten — opgeroepen uit de Pankisi-vallei waar ze met hulp van een paar honderd Amerikaanse militaire adviseurs geacht worden Tsjetsjeense terroristen te bestrijden — op bevelen. Iedereen maakte zich op voor een finale.

Toch bleef het relatief rustig in Tbilisi, een stad met Napolitaanse allure waar mannen met een pistool tussen de broekband rondlopen en vrouwen in ongenaakbare oudtestamentische schoonheid flaneren. De kogel ging niet door de kerk. Saakasjvili deinsde terug, riep een milder klinkend comité voor «burgerlijke ongehoorzaamheid» in het leven en waarschuwde voor provocaties van politietroepen uit de provincie. Sjevardnadze bleef vooral zijn bijnaam trouw. Niemand was nog klaar voor de mogelijk gewelddadige slotclaus.

Voor de buitenwereld komt de weerzin tegen de president als een verrassing. Sjevardnadze was toch de bondgenoot van Michail Gorbatsjov en koos, anders dan zijn politieke baas, op het kritieke moment in 1990 toch tegen de conservatieve en vooral patriottische vleugel binnen de Communistische Partij der Sovjet-Unie (CPSU)? Sjevardnadze was toch de man die in 1992 een eind wist te maken aan de korte, vlammende burgeroorlog in Georgië die uitbrak in de anarchie die over het land vaardig was geworden tijdens het bewind van de nationalistische en licht paranoïde president Zviad Gamsachoerdia? Inderdaad. Maar Sjevardnadze is ook en vooral de ex-chef van KGB en Partij, die sinds 1972 Georgië bestiert. Die kwaliteit ligt verscholen in zijn levensloop als volksjongen van het platteland, die zich in de elite van het mondaine Tbilisi heeft moeten invechten.

Edoeard Sjevardnadze werd in januari 1928 geboren in het dorpje Mamati vlak bij Zwarte Zee en Turkse grens. Zijn vader Ambrosius was er onderwijzer. Edoeard wilde ook leraar worden, in het weinig prestigieuze vak ge schiedenis. Maar daarvan maakte hij nimmer zijn beroep. Vanaf zijn twintigste was hij actief in de partij. Eerst als bezoldigd functionaris van de communistische jeugd beweging Kom somol en vanaf zijn 33ste als eerste secretaris van de partij in de kloosterstad Metscheta en de wijk Eerste Mei van Tbilisi. Met de komst van Leonid Brezjnev in het Kremlin (1964) kreeg zijn loopbaan een wending. Sjevardnadze werd staatssecretaris voor Openbare Orde, minister van Binnenlandse Zaken en uiteindelijk eerste partij secretaris van heel Georgië. Toen secretaris-generaal Gorbatsjov van de CPSU hem in 1985 als minister van Buitenlandse Zaken naar Moskou haalde, had Sjevardnadze er ruim twintig jaar opzitten als politieke chef van de gewapende machten in Georgië.

De mastodonten in het Kremlin hadden ook hem lang dwarsgezeten. Net als Gorbatsjov (in de jaren zeventig eerste secretaris in de nabijgelegen provincie Stavropol) en Boris Jeltsin (de eerste in het industriële district Sverdlovsk in de Oeral) voorzag hij dat de «stagnatie» onder Brezjnev de Sovjet-Unie zou opbreken. Maar Sjevardnadze heeft nooit geprobeerd deze voorzienigheid van enige theorie te voorzien. Hij is altijd een politicus met een neus voor de opportuniteit van de macht geweest. Het schrijnendste voorbeeld daarvan heeft hij ooit over zichzelf afgeroepen, tijdens het 25ste congres van de CPSU in 1976, een jubeljaar voor Brezjnev. Als Georgisch leider sprak ook Sjevardnadze het congres toe. Tot enthousiasme én hilariteit van de top zei hij: «Ze zeggen dat de zon opgaat in het oosten. Maar voor Georgië gaat de zon op in het noorden, in het Rusland van Lenin.»

Sjevardnadze wist dat het slechts beeldspraak was, maar hij had de metafoor nodig om in Georgië zelf de vrije hand te houden. Georgië was en is namelijk een van de meer gecompliceerde regio’s van de voormalige Sovjet-Unie. De republiek met amper vijf miljoen in woners — een derde is in het afgelopen decennium geëmigreerd — heeft tot nu toe weinig te bieden. Meer dan wat zware mijnbouw, lichte industrie alsmede landbouw, wijnbouw en toerisme is er niet. Handel is de voornaamste bezigheid, een kwaliteit die door Russen nog altijd als een parasitaire bezigheid wordt beoordeeld. Bovendien is Georgië etnisch en religieus heterogeen. De Georgiërs denken dat ze met zeventig procent een ruime meerderheid vormen ten opzichte van de minderheden (Armeniërs, Russen, Osseten, Koerden, Azeri, Adzjaren en Abchazen), maar onderling zijn ze verdeeld in regionale clans die elkaar minachten of vrezen. De elite in Tbilisi waant zich intussen superieur. Saakasjvili is een illustratie van die hoofdstedelijke houding.

Tijdens en na het communisme hield Sjevardnadze de grabbelton bij elkaar door te laveren tussen wortel en stok. Nu eens moest concurrentie de kop worden ingedrukt, dan weer dienden loyalisten te worden beloond. Een fraai staaltje daarvan heb ik in 1991 ervaren. Een voormalige rayonsecretaris van de partij had me thuis uitgenodigd. In de biljartkelder van zijn villa voerde hij me in anderhalf uur dronken. Een glas weigeren is in de Kaukasus, waar het principe van gastvrijheid dictatoriale trekken vertoont, verboden. Tussen de bedrijven door legde hij me uit dat Sjevardnadze een «domme schoft» was en de nieuwe president Gamsachoerdia een «intellectuele patriot». Twee jaar later waren de rollen in dezelfde kelder met dezelfde hoeveelheid wijn 180 graden gedraaid.

De bestuurlijke windvaan kon niet anders. Begin jaren negentig was Georgië een onvoorspelbaar kruitvat geworden waarin Sjevardnadze wederom zijn partijtje meeblies. Zeker vanaf april 1989, toen een nationalistische demonstratie op de Roestaveli-boulevard door speciale politietroepen letterlijk in de pan werd gehakt en de politieke verhoudingen op drift raakten. Volgens de toenmalige eerste secretaris van de Georgische partij zat Sjevardnadze zelf achter het bloedvergieten van 1989. Vorige week onthulde deze laatste communistische machthebber in Georgië dat Sjevardnadze een paar uur voor het «bloedbad» onder de betogers per vliegtuig in Tbilisi was gearriveerd om de orders uit te delen.

Waar of niet, zeker is dat drie jaar later Sjevardnadze wel terugvloog. Dit keer als redder der natie, die na de chaotische burgeroorlog rondom Gamsachoerdia uiteen dreigde te vallen omdat de christelijke Osseten en islamitische Abchazen zich met Russische hulp gingen afscheiden. Sjevardnadze verloor weinig tijd. Hij liet zich dopen in de Georgisch-orthodoxe kerk, gebruikte zijn internationale contacten voor de broodnodige US-dollars en D-marken en bouwde een netwerk op met patroons en cliënten die van zijn gunsten afhankelijk waren.

Zijn eigen familie zit midden in dit web. Echtgenote Nanoeli controleert via een aantal vrouwenbladen en de staatsomroep belangrijke inkomsten uit de reclame. Dochter Manana beheerst de mobiele telefonie. Zoon Paata, werkzaam bij de Unesco, heeft greep op de externe kasstromen. Zwager Goeram super viseert de haven van Poti, die van belang wordt als de zuidelijke oliepijplijn tussen Bakoe aan de Kaspische Zee en Ceyhan in Turkije (een door Amerikanen gefinancierd project dat moet concurreren met de noordelijke pijplijn die Rusland wil aanleggen) op Georgisch grondgebied eenmaal voltooid is. En neef Noegzar monopoliseerde de handel in sigaretten en olie.

Onder dit netwerk hangen subnetwerken van lokale patroons en cliënten. Dit systeem heeft niet alleen de democratisering maar ook de economische herstructurering van Georgië belemmerd. De buitenlandse schuld is officieel bijna twee miljard dollar, ofwel dertig procent van het bruto binnenlands product. Daarin komt binnen afzienbare termijn geen verandering, hoewel het BBP conform de formele cijfers groeit. De handelsbalans staat met een half miljard dollar in het rood en het begrotings tekort is dit jaar bijna vijftig procent. Negen van de tien Georgiërs leeft onder het bestaansminimum van vijftig dollar per maand en moet zich hosselend in leven houden, terwijl de resterende tien procent het ervan kan nemen.

Het is echter niet louter het voetvolk der verliezers dat Sjevardnadze de schuld geeft. Ook de studenten — die sinds 1991 steeds minder Russisch (de taal van de ex-bezetter) spreken, nog altijd geen Engels kennen en zo in een isolement verkeren — verwijten hem in koor met Saakasjvili «landverraad». In hun ogen heeft Sjevardnadze de separatisten in Ossetië en Abchazië hun gang laten gaan en baseert hij zich nu electoraal op andere niet-Georgische minderheden die de staat bedreigen.

Dat klopt ten dele. Maar Sjevardnadze weet beter dan de oppositie dat Georgië alleen kan bestaan bij de gratie van een subtiel spel van loven en bieden, waarbij de (regionale) machten Amerika, Rusland, Turkije en zelfs Azerbeidzjan niet over het hoofd mogen worden gezien.

Deze kennis speelt hij nu onbarmhartig uit. Enkele dagen voor de mislukte «countdown» van vrijdag vloog Sjevardnadze plotseling naar de autonome minirepubliek Adzjarië voor overleg met lokaal president Aslan Abasjidze, de voorzitter van de regeringsgetrouwe partij Wederopstanding, maar bovenal de machtigste clanleider van Georgië. In Tbilisi laat Abasjidze zich zelden zien. Hij heeft genoeg aan zijn islamitische deelstaatje, dat grenst aan Turkije en straks aan de oliepijplijn naar Ceyhan. Abasjidze verdient met recht de titel despoot. Hem komt de eer toe de enige officieel erkende politieke gevangene van Georgië achter de tralies te hebben. Met deze man heeft Sjevardnadze zijn exitstrategie besproken. Abasjidze beloofde steun. Volgens geruchten in ruil voor een formele positie in een staatsorgaan, zodat Sjevardnadze hem op het geëigende moment uit de coulissen kan toveren. Feit is dat Abasjidze direct daarna naar Bakoe vloog voor nader overleg met de Azerbeidjaanse regering en daarna door naar Moskou voor beraad met hoge Russische functionarissen. Sjevardnadze op zijn beurt ging vanuit de belegerde staatskanselarij een rondje bellen: met de collega’s Poetin en Bush.

Want één ding hoef je de man die Georgië nu al dertig jaar beheerst niet uit te leggen: dat de macht in het binnenland altijd wordt bedreigd door de dorstige revolverhelden en in het buitenland even zo vaak door de veel grotere buren. Zeker nu Georgië dankzij die ene pijplijn weer geopolitieke betekenis krijgt, is het een zaak van leven en dood om de Roestaveli-boulevard weer schoon te vegen. Poetin en Bush zullen er niet wakker van liggen.

De hoofdprijs in Georgië is te hoog en dus te gevaarlijk voor een simpele vossenjacht.