Vrouwen in de oudheid

De heldendood die vrouwen stierven

Heel anders dan later in de Middeleeuwen, waarin mannen hun leven voor een vrouw gaven, werden talloze vrouwen in de oudheid door de Romeinen en Grieken de dood ingejaagd. Vaak om in de voorstelling van hun geliefde eeuwig jong, onschadelijk en kuis te kunnen blijven.

De dood is een fysiologisch verschijnsel. Omstreeks 300 voor Christus poneerde de Griekse denker Epikouros de stelling dat niet alleen ons lichaam, maar ook onze ziel uit atomen bestaat. De dood is niets anders dan een desintegratie van de tijdelijke eenheid van lichaam en ziel: zodra je sterft val je in losse atomen uiteen. «Het meest huiveringwekkende van alle kwaden, de dood, is dan ook niet iets dat ons aangaat, want wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer.»

Hoe eenvoudig en troostrijk ook, de theorie van Epikouros blijft in de oudheid, en trouwens ook daarna, een uitzondering. De verklaring daarvoor moet worden gezocht in het feit dat Epikouros’ opvatting als zou de dood geen betrekking hebben op levenden, van een bijna ontroerende naïviteit getuigt. Het is niet waar dat de dood ons niet aangaat. Juist de ongrijpbaarheid van het fenomeen heeft ervoor gezorgd dat de dood voor de meest uiteenlopende karren kan worden gespannen: de dood is een paard dat gehoorzaamt.

Om te beoordelen voor welke taken de dood in een gegeven cultuur wordt ingehuurd, kun je kijken naar de rituelen die het sterven, begraven en rouwen begeleiden, maar ook literaire teksten van gecanoniseerde auteurs vormen een betrouwbare bron. Natuurlijk drukt iedere grote dichter of denker zijn eigen stempel op de traditie, maar hij zal nooit als maatgevend worden beschouwd als zijn werk niet appelleert aan opvattingen, intuïties en gevoelens die onder een brede laag van de bevolking leven.

Zo analyseert Euripides het failliet van de traditionele moraal, kust Dantes Komedie een reeds sluimerende nieuwe literatuur wakker, en verwoordt James Joyce de verwarring van de moderne Europeaan. Het behoeft dus niet onzinnig te zijn teksten van Homeros en Horatius te gebruiken als we op zoek zijn naar het collectief onderbewuste van de antieke mens.

Een van de functies van de dood is dat hij ons ertoe in staat stelt helden te worden. Wie een zinkend schip verlaat, wordt geacht voorrang te verlenen aan vrouwen en kinderen. Waarom eigenlijk? Zijn vrouwen en kinderen betere mensen? Een rationele verklaring voor deze onwrikbare regel valt niet te geven, anders dan dat de man die zijn plaats in de reddingsboot afstaat aan een minder weerbaar wezen, daarmee zijn ridderlijkheid bewijst.

Deze opofferingsgezindheid is een relict uit de hoofse Middeleeuwen, de tijd dat in theorie iedere jongeling bereid was zijn leven te geven voor «la belle dame sans merci». In theorie, want zodra men werkelijk voor de keuze staat te sterven of gered te worden ten koste van een ander, blijkt de biologische drang om te overleven doorgaans sterker dan de moraal.

Wie de literatuur van de Grieken en Romeinen zelfs maar vluchtig bekijkt, wordt getroffen door het grote aantal verhalen waarin niet de man, maar juist de vrouw het leven laat. De combinatie van «der Tod und das Mädchen» is beslist niet door Schubert bedacht. In zijn meest letterlijke vorm komen we het motief tegen bij de roof van Persephone. Deze dochter van de oppergod Zeus en diens zuster Demeter, de godin van het graan, wordt op een fraaie voorjaarsdag door oom Hades ontvoerd naar zijn onderaardse rijk. Pikant detail is dat haar vader in het geniep zijn medewerking had verleend aan het snode plan van zijn pedofiele broer. Wanneer Demeter eindelijk ontdekt waar het meisje zich bevindt, weet ze haar twee broers ertoe te bewegen dat ze Persephone toestaan ten minste een gedeelte van het jaar de onderwereld te verlaten om op aarde voor bloeiende gewassen te zorgen.

Persephone is dus een vegetatiegodin zoals er wel meer zijn, een godin die moet sterven om herboren te worden en daarmee de eeuwige cyclus van winter en zomer symboliseert. In dit verband is het echter merkwaardig dat het meisje maagd blijft, althans volgens de gangbare mythologie nooit kinderen heeft gebaard. Een vruchtbaarheidsgodin stel ik me toch eerder voor als een mollige vrouw met een onuitputtelijk productieve schoot. Zou het verhaal van Persephone soms nog een andere functie hebben, een functie waarover we liever zouden zwijgen? Om de verborgen betekenis van deze mythe op het spoor te komen, leggen we er een paar verhalen naast waarin het motief van de stervende jonge vrouw ook opduikt.

Een onthutsend gebrek aan ridderlijkheid spreekt uit de wederwaardigheden van Admetos en Alkestis, zoals gedramatiseerd door Euripides. De god Apollo verleent Admetos een gruwelijke gunst: als de dood hem komt halen, mag hij proberen iemand te vinden die bereid is in zijn plaats te sterven. Eerst doet hij een poging zijn bejaarde ouders ertoe over te halen zijn dood over te nemen, maar de oudjes geven geen sjoege omdat in hun ogen iedere extra dag die aan je leven wordt toegevoegd waardevol is, hoe krakkemikkig je ook bent. Admetos’ jonge echtgenote Alkestis blijkt zich echter wel voor haar wanhopige man te willen opofferen, een aanbod dat Admetos maar al te graag accepteert, zelfs onder de voorwaarde dat hij niet zal hertrouwen.

Waarom wil Alkestis sterven? Omdat haar huwelijk met die egocentrische slappeling toch geen zin meer had? Hoe dan ook, na Alkestis’ dood krijgt Admetos bezoek van Herakles, een gezellige zuipschuit die niet in de gaten heeft dat zijn gastheer in de rouw is, misschien omdat Admetos inderdaad eerder opgelucht dan verdrietig is, misschien ook omdat hij zich zou schamen de ware toedracht te vertellen. Zodra Herakles van de huiselijke situatie op de hoogte is gebracht, reist hij af naar de onderwereld om Alkestis terug te halen, wat hem lukt. Het stuk van Euripides eindigt in jubelstemming, maar er is weinig inlevingsvermogen nodig om in te zien dat hier juist iets verschrikkelijks is gebeurd. Hoe moeten Alkestis en Admetos ooit nog normaal met elkaar omgaan?

Dat Alkestis moest sterven, is afschuwelijk, dat ze weer tot leven kwam, ondraaglijk. Een vrouw die sterft wordt geacht dood te blijven, zeker een geliefde die jong sterft. De weduwnaar kan zich behaaglijk in zijn verdriet wentelen zonder de verplichting een verouderende vrouw trouw te blijven.

Bovendien, een jong gestorven meisje blijf je altijd de baas. Van een weerzinwekkende symboliek is in dit verband het verhaal van Narcissus en Echo. Terwijl de mooie jongen zich verlustigt in zijn eigen schoonheid, kwijnt Echo weg tot een etherische schim die nog slechts de laatste woorden van haar aanbedene kan herhalen. Zou dat de diepste wens van veel mannen zijn, een vrouw die slaafs bevestigt en nooit tegenspreekt

Nergens worden de machtsverhoudingen duidelijker dan in het verhaal van Achilleus en Penthesileia. De bekendste versie van deze episode uit de Trojaanse oorlog is te vinden in het onsterfelijke epos van Quintus van Smyrna, een dichter uit de vierde eeuw na Christus die — ruim een millennium na Homeros — in onvervalst homerisch idioom een lijvig vervolg op de Ilias schreef. Na de dood van de Trojaanse held Hektor zouden de Trojanen steun hebben gekregen van de Amazonen, een mythisch volk dat geheel uit vrouwen bestond. Penthesileia, de vorstin van deze onverbiddelijke vamps, richt onder de Grieken een monsterachtig bloedbad aan, totdat ze met paard en al door Achilleus als een reebout aan het spit van zijn speer wordt geregen. Wanneer hij de helm van haar hoofd rukt, worden hij en zijn strijdmakkers tot in het diepst van hun ziel getroffen door de schoonheid van de jonge koningin.

De dichter laat zich zo door zijn opwinding meeslepen, dat hij verstrikt raakt in hopeloze tegenstrijdigheden: «Daar lag ze in haar wapenrusting op de grond, als de onvermoeibare Artemis, dochter van Zeus, wanneer die, afgemat door het jagen op snelle leeuwen in de hoge bergen, ligt te slapen. Want de fraaibekranste Aphrodite, bedgenote van de krachtige Ares, had haar zelf aanbiddelijk gemaakt in haar doodsstrijd, opdat Achilleus, de zoon van de onberispelijke Peleus, doorboord zou worden. En velen spraken de wens uit dat zij, eenmaal thuis gekomen, hun echtgenote in dezelfde staat in bed zouden aantreffen.

Achilleus is reddeloos verliefd geworden op de vrouw die hij heeft gedood. Alleen zij die definitief onschadelijk is gemaakt, weet bij de woeste held tederheid op te roepen. Zijn krijgsmakkers koesteren necroseksuele dromen. Veelzeggend is dat Quintus Penthesileia juist met Artemis vergelijkt, de sportieve godin die haar godenleven lang maagd bleef.

Men kan rustig beweren dat Griekse en Romeinse mannen, hoe veelzijdig hun driftleven ook was, geobsedeerd waren door de kuisheid van hun vrouwen. Het idee dat een echtgenote het in haar hoofd zou halen het bed te delen met een andere man, was voor de schrijvers aan wie wij ons beeld van de oudheid hebben te danken, dermate ondraaglijk dat er tal van verhalen ontstonden waarin een vrouw nog liever zelfmoord pleegde dan zelfs maar aan overspel te denken. Phaidra, de jonge vrouw van Theseus, werd verliefd op haar stiefzoon Hippolutos, die er niet over peinsde op de avances van zijn hitsige stiefmoeder in te gaan, waarop Phaidra een eind aan haar leven maakte, niet dan nadat ze Hippolutos in een smerig briefje postuum van aanranding had beticht.

De betekenis van het verhaal is duidelijk: een vrouw die haar kuisheid niet kan bewaren, moet sterven. Dat geldt zelfs voor vrouwen die nooit de bedoeling hebben gehad hun huwelijkstrouw te schenden, zoals we zien in de legende van Lucretia. Deze Romeinse dame pleegt, na te zijn verkracht door de Etruskische prins Sextus Tarquinius, in het bijzijn van haar vader en echtgenoot zelfmoord, omdat ze van zichzelf walgt nu ze «sporen van een andere man» in haar bed weet. De aartsconservatieve Livius laat doorschemeren dat alle vrouwen in principe een voorbeeld aan Lucretia zouden moeten nemen

Vrouwen moeten dus sterven om in de voorstelling van hun geliefde eeuwig jong, onschadelijk en kuis te kunnen blijven. Maar er is een nog prozaïscher reden voor de «dood van het meisje»: ze moet plaatsmaken voor een verse bruid. Menigeen kent de avonturen van Aineias, de Trojaanse weifelaar die tijdens de val van zijn vaderstad door verregaande onachtzaamheid zijn vrouw Kreousa verliest. Als we Aineias mogen geloven — ongetwijfeld is hij zelf van de waarheid van zijn relaas overtuigd — spoort de schim van Kreousa hem zelfs aan een nieuwe vrouw te zoeken. Dat doet Aineias dan ook: eerst drijft hij Dido, na haar gedurende enkele maanden uitgezogen te hebben, tot zelfmoord, vervolgens trouwt hij met de piepjonge Lavinia. Of hij intussen zijn potentie wist te behouden, is overigens de vraag, want in de meest gangbare versies van het verhaal raakte Dido noch Lavinia zwanger.

Nog rigoureuzer is het gedrag van Hera kles, die, alvorens de goedmoedige dommekracht uit het verhaal van Alkestis te worden, in een vlaag van verstandsverbijstering zijn vrouw Megara vermoordt. Een onafzienbare reeks lieftallige jongedames weet daarna de weg naar zijn bed te vinden.

Het beroemdste verhaal over een jong gestorven vrouw is dat van Orpheus en Eurudike. Deze beeldschone nimf wordt achternagezeten door Aristaios, een enge imker die zijn handen niet kan thuishouden. We hebben het patroon al vaker gezien: een vrouw die zelfs maar geassocieerd wordt met overspel, moet, hoe trouw ze in haar hart ook is, sterven. Eurudike trapt tijdens de achtervolging dan ook op een slang en wordt gebeten, waarna ze in al haar onschuld het dodenrijk betreedt. Orpheus is ontroostbaar en besluit een poging te wagen zijn geliefde terug te winnen. Met zang en snarenspel weet hij de bewakers van de onderwereld te vermurwen, om door te dringen tot het paleis van Hades en Persephone zelve. Ook het vorstelijk echtpaar is diep geroerd door Orpheus’ smeekbede en geeft hem toestemming Eurudike mee terug te nemen. Op één voorwaarde: hij mag niet naar haar omkijken zolang ze zich nog in het ambtsgebied van Hades bevinden.

Wat er vervolgens gebeurt is van een hartverscheurende onbegrijpelijkheid. Vergilius, de bekendste bron voor dit verhaal, weet geen andere verklaring voor Orpheus’ gedrag te verzinnen dan furor, waanzin en — wel héél erg slap — vergeetachtigheid. Wellicht moeten we Vergilius’ interpretatie van Orpheus’ fatale blik zien in het licht van de neiging die deze dichter heeft om zijn personages iedere handelingsbekwaamheid te ontzeggen. Ook Aineias en Dido zijn in Vergilius’ visie immers slechts marionetten van de goden.

Ovidius, wiens poëzie als dermate subversief gold dat hij door keizer Augustus werd verbannen naar een plaats aan de Zwarte Zee, komt met een plausibeler verklaring voor Orpheus’ gedrag: de getroebleerde bard zou bang zijn geweest Eurudike te verliezen, of zijn verlangen om haar te aanschouwen niet meer hebben kunnen onderdrukken. In deze versie is Orpheus tenminste een man die voor zijn daden verantwoordelijk kan worden gesteld.

Toch lijkt ook Ovidius zich te vergissen. Dat kunnen we opmaken uit het feit dat Orpheus na het definitieve afscheid van zijn geliefde een periode van ongekende literaire productiviteit tegemoet ging. Zelfs bomen en rotsen stroomden toe om naar zijn gezangen te komen luisteren. Op de drempel van de onderwereld moet Orpheus zich hebben gerealiseerd dat hereniging met Eurudike de doodssteek voor zijn poëzie zou zijn geweest. Wilde hij haar wel echt terug? Zou zijn mislukte flirt met een levend lijk geen onsterfelijke gedichten kunnen opleveren? Juist omdat hij besefte zonder Eurudike nooit meer gelukkig te zullen worden, koos hij voor het leven.

Het kan geen toeval zijn dat de dood voor de Romeinen een vrouw is. Varro vereenzelvigt de begrafenisgodin Libitina met Venus Lubentina, een van de vele verschijningen van de Cyprische diva. Horatius beschrijft de dood als een bleke bitch die tegen deuren van krotten en paleizen bonkt. Ook al beschouwt deze dichter zichzelf als een zwijn uit de kudde van Epikouros, in dit opzicht heeft hij zijn nuchtere herder niet willen volgen. De dood gaat ons wel degelijk aan. We houden van haar.