De herdenking van honderd jaar écht algemeen kiesrecht

De helft is niet iedereen

Terecht wordt honderd jaar algemeen kiesrecht gevierd in 2019 en niet in 2017. In 1917 was het immers alleen nog maar het gehele mansvolk dat voortaan mocht stemmen. Opmerkelijk daarbij: vooral de socialisten dwarsboomden het vrouwenkiesrecht.

­Amsterdam, 1914. ­Betoging voor vrouwen­kiesrecht. Derde van links dr. Aletta Jacobs © Foto’s Spaarnestad Photo / HH

Op 4 november 2017 kondigde Tweede-Kamervoorzitter Khadija Arib publiekelijk aan wat binnenskamers al langere tijd bekend was: de nationale herdenking van honderd jaar algemeen kiesrecht zou plaatsvinden in 2019 met daarbij extra aandacht voor vrouwenkiesrecht. Zij week daarmee af van de plannen die door een stuurgroep onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken waren ontwikkeld om een gefaseerde herdenking te organiseren, te beginnen in de Ridderzaal op 12 december 2017, in het bijzijn van de koning, op de dag dat honderd jaar eerder de grondwetswijziging van 1917 in werking trad. In 2019 zou dan een slotbijeenkomst kunnen plaatsvinden, misschien wel in Groningen, met een nadruk op vrouwenkiesrecht en misschien wel met de koningin.

Ik had mij al eerder publiekelijk uitgesproken voor een eenmalige herdenking op het moment dat in Nederland het kiesrecht echt algemeen was geworden, namelijk op het moment dat ook alle vrouwen het actieve kiesrecht kregen, in 1919. Weliswaar had de grondwetswijziging van 1917 aan de laatste dertig procent van de mannen boven de 25 jaar in Nederland een stem gegeven en de belemmeringen weggenomen voor het actieve kiesrecht van vrouwen, geen enkele vrouw kreeg daarmee het actieve kiesrecht. Daarvoor zou nog steeds, zoals dat voorheen voor mannen gold, een aparte kieswet moeten worden aangenomen. Wel kregen vrouwen alvast het passieve kiesrecht, zodat zij voortaan door mannen gekozen konden worden in parlement, Provinciale Staten en gemeenteraad.

Inmiddels is bekend dat ergens in het voorjaar van 2019 inderdaad een feestelijke bijeenkomst zal plaatsvinden in de Ridderzaal, in tegenwoordigheid van koning en koningin. Niettemin vinden er nu rond het Binnenhof toch al allerlei activiteiten plaats onder de vlag van honderd jaar algemeen kiesrecht: een tentoonstelling over de eerste vrouw die in 1918 werd gekozen in het parlement, Suze Groeneweg, in de zomer van 2018, en de tentoonstelling Ik vier mijn stem in het gebouw van de Tweede Kamer, die op 27 september 2018 werd geopend en bij welke gelegenheid ook een buste werd onthuld van – alweer – Suze Groeneweg.

Deze toch gespreide viering, met een nogal zwaar accent op de vrouw die nou niet direct als boegbeeld kan gelden voor de vrouwenkiesrechtbeweging, roept de vraag op of de verschuiving van de viering echt ook het gevolg was van het inzicht dat niet 1917 maar 1919 het (voorlopige) beginpunt was van het algemeen kiesrecht in Nederland. Want hoewel historici zich in de afgelopen decennia onder invloed van vrouwengeschiedenis zijn gaan realiseren dat het algemeen kiesrecht dat zij altijd in 1917 hadden gedateerd slechts algemeen mannenkiesrecht was geweest en zij ook langzamerhand begonnen te wennen aan de termen ‘algemeen mannenkiesrecht’ en ‘algemeen vrouwenkiesrecht’ gebeurde dat niet vanzelf of van harte. Het lijkt erop dat de werkelijke betekenis van deze verandering van de terminologie nog steeds niet is doorgedrongen tot een breder publiek, de politiek incluis.

Onbekendheid met en stereotypering van de fascinerende geschiedenis van de vrouwenkiesrechtbeweging is de reden dat in deze herdenking het licht nog steeds zo weinig valt op die geschiedenis die zo geheel anders was dan de strijd om het mannenkiesrecht. De strijd om het vrouwenkiesrecht vereiste niet alleen een geheel eigen politieke strategie, maar de voorstanders moesten ook een geheel eigen idioom en kennis, en een voor vrouwen overtuigend actierepertoire ontwikkelen in een politiek veld waarin zij als vrouwen geen vrouwelijke voorbeelden of vertegenwoordigers hadden. Hoe groot de beweging werd is bijna onvoorstelbaar – tot in alle dorpen en gehuchten van Nederland ontstonden vanaf de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in 1894 afdelingen. De lidmaatschapsaantallen van de Vereeniging en de latere Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht samen liepen op tot 35.000 in 1919, op een haar na even veel als het aantal leden van de sdap in datzelfde jaar.

***

Herdenken is altijd onderhevig aan debat, of eigenlijk, herdenken is altijd politiek omdat er altijd sprake is van verschillende interpretaties en perspectieven op de geschiedenis, die te maken hebben met verschillende belangen en toegang tot macht. Hoe belangrijk herdenkingen zijn voor het genereren van kennis en het toekennen van historisch belang aan bepaalde gebeurtenissen blijkt uit wat Mari Takayanagi daarover schreef in een paper die zij deze zomer voordroeg tijdens het congres van de International Federation of Research in Women’s History in Vancouver.

Takayanagi is de curator van de tentoonstelling die dit jaar te zien was in het Britse House of Commons, ter gelegenheid van de centenary van de Representation of the People Act uit 1918, waarbij nagenoeg alle mannen en vrouwen boven de dertig jaar die aan een bepaald bezitscriterium voldeden het actieve kiesrecht kregen. Ze begint haar reflectie door de herdenking in Engeland in de context te plaatsen van de grillige geschiedenis die het vrouwenkiesrecht wereldwijd laat zien. Niet alleen zijn er al veel centenaries te vieren geweest (Nieuw-Zeeland, Australië, Finland, Noorwegen, Denemarken) maar er moeten er ook heel veel nog komen. In de eerste plaats natuurlijk over tien jaar opnieuw in het VK zelf, waar eigenlijk pas in 1928 het algemeen vrouwenkiesrecht werd ingevoerd.

In veel landen is sprake van meerdere-data-issues, onder andere door raciale verschillen in toekenning van het kiesrecht. Zo kregen in 1902 in Australië alleen de Europese nakomelingen het kiesrecht, inheemse mannen en vrouwen moesten wachten tot 1962. In Nederland geldt natuurlijk ook dat in 1919 nog echt geen sprake was van een finale regeling van het algemeen kiesrecht, door de uitsluiting van alle koloniale onderdanen en het hanteren van allerlei criteria of leeftijdsgrenzen die wij nu niet meer relevant vinden. Niettemin vinden we de grote sociale strijd die door mannen en vrouwen in Nederland is gevoerd om hun politieke rechten van zo groot belang dat we die willen herdenken, maar in het volle bewustzijn dat er nog andere herdenkingen moeten volgen.

In de meeste landen hebben de vieringen en herdenkingen veel opgeleverd aan kennis in de vorm van boeken en conferenties, tentoonstellingen en documentaires. Publieke belangstelling voor een viering brengt ook vaak fondsen met zich mee. Nieuw-Zeeland stelde in 1993 5,3 miljoen dollar ter beschikking voor de viering van honderd jaar kiesrecht dat aan ongeveer vijfhonderd projecten werd besteed, waarvan een groot deel over vrouwenkiesrecht ging. In Noorwegen werd drie jaar voor de viering van algemeen kiesrecht een publieke commissie ingesteld die richting gaf aan een grote hoeveelheid nationale en lokale evenementen die ten doel hadden jongeren voor het kiesrecht te enthousiasmeren. Ook hier waren veel evenementen vooral rond vrouwenkiesrecht opgezet.

In het VK zelf kon de viering van honderd jaar Representation of the People Act dit jaar een zo sterk accent leggen op vrouwenkiesrecht, met alleen in Londen al vier tentoonstellingen en talloze conferenties, omdat de vieringen al in 2003 begonnen waren en eigenlijk niet meer waren gestopt. Toen was het honderd jaar geleden dat de militante Women’s Social and Political Union werd opgericht, hetgeen herdacht werd met een meervoud van activiteiten in Manchester (de wieg van de wspu) en in Londen. De historicus Jill Liddington maakte achteraf de balans op van alle evenementen en wierp belangrijke vragen op als: wie nemen nu eigenlijk het initiatief voor dit soort herdenkingen, voor wie zijn zij en wat wordt precies herdacht? Ze liet zien hoezeer herdenkingen steeds aanleiding waren geweest voor nieuw onderzoek, ook door het opduiken van nieuwe bronnen. In 2003 waren dat de heimelijk genomen politiefoto’s van de suffragettes in gevangenschap die nu tentoongesteld worden in de National Archives in Londen.

Takayanagi wees erop dat de veelvuldige honderdjarige herdenkingen van de historische militante acties (zoals de rush op het House of Commons, of de dood van Emily Wilding Davison) het hedendaagse herinneringslandschap over algemeen kiesrecht hadden veranderd en hoe dat vervolgens een weerklank had in eigentijdse evenementen en acties. Zo speelden de suffragettes een opvallende rol in de openingsceremonie van de Olympische Spelen in 2012 in Londen, en is de grote speelfilm Suffragette eveneens tot die verhoogde belangstelling te herleiden.

In Australië kregen in 1902 Europese nakomelingen het kiesrecht, inheemse mannen en vrouwen in 1962

In het House of Commons werd in 2014 begonnen met de voorbereidingen voor de honderdjarige herdenking in 2018 met een project genaamd Vote 100. De regering stelde een Government Suffrage Centenary-fonds ter beschikking om diverse activiteiten en projecten te subsidiëren. Uit dit fonds komt bijvoorbeeld het standbeeld voor Millicent Garrett Fawcett dat dit voorjaar op Parliament Square werd onthuld door Theresa May.

Het lijkt mij dat Nederland hier een voorbeeld aan kan nemen. Niet alleen wat de organisatorische infrastructuur en het bijbehorende budget betreft, maar ook wat het accent op vrouwenkiesrecht aangaat. De belangrijkste vraag die daaraan voorafgaat is: waarom willen we wat precies wanneer en hoe herdenken? Dat zijn ogenschijnlijk simpele vragen die het waard zijn om door een brede waaier van deskundigen te worden beantwoord om niet de speelbal te worden van persoonlijke belangen of partijpolitiek. Daarvoor is het op z’n minst nodig om te begrijpen wat de betwiste en veranderende betekenissen waren van het politieke begrip ‘algemeen kiesrecht’.

De kiesrechtdame door Albert Hahn, 1911 © Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
***

In de strijd die meer dan honderd jaar geleden werd gevoerd betekende het ideaal van ‘algemeen kiesrecht’ dat zou worden afgestapt van bevoegdheids- of geschiktheidscriteria waaraan kiezers moesten voldoen, waaronder die van (het klassen onderscheidende) inkomen of de hoogte der belastingen (census). Het kiesrecht zou niet langer gebaseerd moeten zijn op het idee dat kiezers in staat moesten zijn (opgeleid, financieel onafhankelijk, aan het hoofd van een huishouden) om een goed bestuur te kiezen, maar op het idee dat iedere burger het recht heeft zijn stem uit te brengen om zich in deze wereld staande te houden. Het ideaal van algemeen kiesrecht was derhalve ingebed in opvattingen over het bestaan van universele mensenrechten en individuele autonomie en rekende dus af met organische visies op de samenleving waarin gezinseenheden de basis waren van politieke representatie.

Niettemin betekende de woordcombinatie ‘algemeen kiesrecht’ voor de progressieve activisten die daar in de jaren 1880 voor pleitten eigenlijk niets anders dan: algemeen mannenkiesrecht of, zoals een jurist het puntig formuleerde: allemanskiesrecht – volkskiesrecht, maar beperkt tot het mansvolk. In de aanloop naar de grondwetsherziening in 1887, die aan de roep om uitbreiding van het kiesrecht vorm moest zien te geven, werd dan ook door bijna niemand bezwaar aangetekend tegen de invoeging van het woordje ‘mannelijk’ in de artikelen waarin werd bepaald dat het kiesrecht voor het parlement, de Provinciale Staten en de gemeenteraad aan de gewone wetgever werd overgelaten, of anders gezegd: in een aparte kieswet moest worden geregeld. Niettemin werd hiermee in de grondwet van 1887 de deur wijd open gezet voor het algemeen mannenkiesrecht, maar voor vrouwenkiesrecht gesloten. Op het moment dat voor mannen de uitsluiting uit het kiezersvolk een kwestie werd van gradatie en geleidelijke afbouw werd deze voor vrouwen principieel en totaal.

In feite kan het streven van de vrouwenkiesrechtbeweging dan ook worden teruggebracht tot dit ene doel: de betekenis van ‘algemeen kiesrecht’ veranderen van algemeen mannenkiesrecht naar algemeen mannen- én vrouwenkiesrecht. In Het vrouwenkiesrecht in 1913 stelt Henriëtte Heineken-Daum hoe frustrerend eentonig en vernederend zij het vond ‘om den democraat [steeds weer] te overtuigen van zijn inconsequentie, wanneer hij de staatsregeling wil handhaven, aan welker totstandkoming de meerderheid der natie niet heeft meegewerkt, van zijn zelfbedrog wanneer hij spreekt van algemeen kiesrecht en de helft der menschheid daarvan uitsluit’.

Daarom is de grondwetsherziening van 1917 die het ‘algemeen kiesrecht’ bracht voor de vrouwenkiesrechtbeweging zo’n grote teleurstelling geweest, ondanks het feit dat ‘de grondwettelijke belemmeringen’ werden weggenomen en vrouwen wel al gekozen konden worden. Want de grote angst van alle vrouwenkiesrechtstrijdsters was nu bewaarheid: wel alle mannen actief kiesrecht, maar daartegenover geen enkele vrouw.

Dat de frase ‘algemeen kiesrecht’ al die jaren van strijd algemeen mannenkiesrecht is blijven betekenen blijkt uit de historische betekenis die aan de grondwetsherziening van 1917 is gehecht. Historici hebben de blijdschap van de tijdgenoten uit 1917 vervolgens lange tijd gereproduceerd. Bijna honderd jaar lang heeft het jaar 1917 (de pacificatie) gefunctioneerd als het moment waarop ‘de moderne democratie’ in Nederland een feit was. Dat kan alleen zo worden gezien of gevonden als alleen mannelijke burgers de maat der dingen zijn. Het kan daarom als een overwinning van de huidige democratie worden gezien dat niet in 2017, maar in 2019 de intrede van algemeen kiesrecht wordt gevierd.

***

Je kunt je afvragen waarom de insluiting van de categorie vrouwen in de betekenis van ‘algemeen kiesrecht’ zo moeilijk is (geweest). Voor een deel komt dat doordat de beweging voor vrouwenkiesrecht door met name socialistische tijdgenoten met succes is weggezet als een wat belachelijke beweging van ledige dames uit de bourgeoisie die uit verveling aan politiek gingen doen. Dit tot op heden gehoorde pejoratieve oordeel over de vrouwenkiesrechtbeweging werd, zoals de Amerikaanse historicus Marilyn Boxer heeft laten zien, in 1888 door Clara Zetkin gemunt en al snel door veel socialistische broeders en zusters overgenomen, velen van hen afkomstig uit de meer of minder gezeten burgerij.

In Nederland vond deze visie vroege vertolkers in Cornélie Huygens, Henriette Roland Holst en Pieter Jelles Troelstra die betoogden dat het de ‘burgerlijke’ vrouwenkiesrechtbeweging alleen te doen was om versterking van de eigen klasse. Dat was een systematische verdraaiing van de feiten. Het ging de vrouwen immers niet om ‘klassevoordeel’, maar om opheffing van seksenadeel. Omdat de kiesrechtvrouwen het in de grondwet vastgestelde seksecriterium (geen vrouwen) moesten bestrijden, werd het centrale doel van de beweging: grondwetswijziging, met het doel: kiesrecht op gelijke voet als mannen. Dat kon dus eventueel beperkt kiesrecht zijn, al voegden vrouwen er meestal aan toe dat hun voorkeur uitging naar algemeen vrouwenkiesrecht. Door socialisten werd dit echter stelselmatig vertaald als het streven naar een elitair dameskiesrecht en werd de hele vrouwenkiesrechtbeweging afgedaan als ‘bourgeois’, in de volle marxistische betekenis van het woord.

De ironie van de geschiedenis wil dus dat de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht misschien wel haar grootste bestrijders niet in de conservatieve en confessionele partijen en bewegingen heeft gehad, maar in het socialisme. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht dankt zelfs haar bestaan aan de minachting die socialisten toonden voor vrouwen als Wilhelmina Drucker en Theodora Haver, die hen in de vroege jaren 1890 hadden bijgestaan in de agitatie rond de ophanden zijnde kieswet (een uitvloeisel van de grondwet van 1887). Verenigd in de Amsterdamse afdeling van het Nationale Comité voor Algemeen Kies- en Stemrecht, de Unie, toonden de mannen zich in 1893 zo tevreden over het voorgestelde kieswetsontwerp-Tak van Poortvliet (dat heel ver ging maar géén algemeen kiesrecht inhield) dat zij de Unie wilden opheffen.

Het ging de vrouwen niet om ‘klassevoordeel’, maar om opheffing van seksenadeel

Dat voornemen toont aan dat zij toen niet alleen zelf genoegen namen met een nog steeds ‘beperkt’ mannenkiesrecht, maar ook met de finale uitsluiting van vrouwen die met de kieswet werd bestendigd. Toen de vrouwen protesteerden tegen deze voorbarige opheffing en aan de mannen vroegen waarom zij dan vrouwen hadden aangespoord om mee actie te voeren, sprak de bekende socialist Frank van der Goes, een van de oprichters van de sdap, de historische woorden ‘dat vrouwen hen een geschikt propagandamiddel waren geweest’. Op dat moment besloten vrouwen dat zij hun eigen boontjes zouden moeten doppen en werd een oproep gepubliceerd om te komen tot een oprichtingsvergadering van wat de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht zou worden.

***

Deze ongelukkige geschiedenis betekent niet dat de kiesrechtvrouwen verder geheel van samenwerking met de sdap afzagen. De sdap was na de grondwetswijziging in 1887 de eerste partij die de behoefte aan een nieuwe grondwet ter regeling van het algemeen kiesrecht bepleitte. Die politieke eis konden vrouwen voluit onderschrijven omdat grondwetswijziging de noodzakelijke voorwaarde was om voor welke vrouw dan ook kiesrecht te verkrijgen. In het sdap-programma van 1898 werd ‘algemeen kiesrecht’ tevens gespecificeerd als algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. Ook dat was de voorstanders van vrouwenkiesrecht natuurlijk uit het hart gegrepen omdat daarmee expliciet werd gemaakt dat onder algemeen kiesrecht het algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen moest worden verstaan.

Het probleem van Troelstra was echter dat hij niet meende wat hij hierover zei. Dat bleek bijvoorbeeld toen een progressief liberaal Kamerlid hem de vraag stelde of het ‘algemeen kiesrecht’ waar Troelstra het in zijn motie in 1899 over had, ook het vrouwenkiesrecht inhield. Het antwoord van Troelstra hierop is historisch geworden: liever kiesrecht geven aan ‘de eerste de beste baliekluiver’ dan zich in te spannen voor vrouwenkiesrecht dat voorlopig alleen de bevoorrechte klasse wenste te versterken.

Troelstra’s ongemakkelijke verhouding tot de vrouwenkiesrechtbeweging is altijd gebleven, hij heeft ook nooit enige werkelijke politieke steun gegeven aan de vrouwenkiesrechtbeweging, zelfs niet in zijn eigen partij. Tijdens de debatten over de grondwetsherziening in het najaar van 1916 diende hij een halfslachtige motie in die vrouwen tegelijk met mannen het kiesrecht wilde geven, maar ook die trok hij te elfder ure, na een even halfslachtige verdediging, weer in. Tijdens de stemming voor de invoering van het actieve vrouwenkiesrecht in de Tweede Kamer, 9 mei 1919, bleek de grote voorman even onvindbaar te zijn. Hij heeft zelfs niet de moeite genomen om toen zijn woorden in een daad om te zetten.

Troelstra’s ambivalentie is vergelijkbaar met die van Suze Groeneweg. Zij heeft weliswaar in 1916, als enig vrouwelijk lid van het partijbestuur, tijdens de grote demonstratie van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Amsterdam aan het hoofd gestaan van een grote delegatie van vijfduizend vrouwen en mannen vanuit de sdap, maar daarmee is bijna alles wat er ten positieve over haar deelname aan de strijd om vrouwenkiesrecht te zeggen valt wel gezegd. Suze Groeneweg heeft jarenlang de vrouwen in de sdap die zich verenigden in de Bond voor Sociaal-Democratische Vrouwenclubs actief bestreden. Zij vond dat binnen de sdap vrouwenpropagandaclubs alleen mochten bestaan om partijpropaganda te maken, vrouwen moesten zich niet afzonderen in eigen clubjes om eigen vrouwenbelangen zoals het vrouwenkiesrecht na te streven. De organisatie van de Internationale Vrouwendag op 8 maart kwam ook door haar toedoen onder regie van het partijbestuur te staan, en niet onder regie van de Bond voor Sociaal-Democratische Vrouwenclubs.

Groeneweg werd in 1918 dan ook niet gekozen om haar verdiensten voor vrouwen of ‘als vrouw’. Zij kreeg ook bij lange na niet het aantal stemmen dat juist wel om die reden op vrouwen werd uitgebracht. Van de 10.579 stemmen die in 1918 op negentien vrouwen werden uitgebracht kreeg Suze Groeneweg er 569, waarmee zij op de zesde plaats stond. Boven haar stonden in volgorde van het aantal stemmen Aletta Jacobs (Vrijzinnig-Democratische Bond) met 1919 stemmen, Anke Tjaden-van der Vlies (Christen-Socialisten) met 1851, Frederike van Balen-Klaar (Liberale Unie) met 1069, Johanna Westerman met 932 en Betsy Bakker-Nort (Vrijzinnig-Democratische Bond) met 793 stemmen. Van deze zes vrouwen waren vier prominente strijdsters voor vrouwenkiesrecht geweest; zij waren ook in die hoedanigheid gekozen.

Aletta Jacobs had de pech dat de vdb-politicus E.W. Beresteyn een spectaculaire voorkeurstemmenactie begon, naar eigen zeggen omdat hij het niet had kunnen verkroppen door partijleider Henri Marchant onder ‘Mevr. Jacobs’ op de lijst te zijn gezet. Daardoor haalde zij de Kamer niet. Suze Groeneweg trok veel minder kiezers maar had het geluk met reststemmen van partijleden boven haar op de lijst verkozen te worden.

Dat neemt niet weg dat Groeneweg na haar verkiezing, zoals vaker is gebeurd met vrouwen die op voor vrouwen uitzonderlijke posities terechtkwamen, zich wel degelijk bewuster is geworden van sekse als motor van sociale ongelijkheid. Tijdens haar langdurige Kamerlidmaatschap heeft zij zich ingezet voor allerlei vrouwenbelangen. Het is dan ook terecht om Suze Groeneweg op de dag dat zij honderd jaar geleden werd geïnstalleerd te vereren met een buste. Maar het is niet terecht om daarvoor de viering van honderd jaar Vrouwenkiesrecht aan te grijpen. Dat verhult namelijk de problematische relatie die de sdap en Groeneweg met de vrouwenkiesrechtstrijd hadden. Dit alles bevestigt de noodzaak om de historische strijd voor het vrouwenkiesrecht beter over het voetlicht te trekken.

Amsterdam, 1916. Diner in Krasnapolsky tijdens de betoging voor vrouwen­kiesrecht © Foto’s Spaarnestad Photo / HH
***

Uit de minimale aandacht die de diverse stuur- en projectgroepen rond honderd jaar algemeen kiesrecht aan de strijd om het vrouwenkiesrecht hebben besteed blijkt dat die geschiedenis – en de actoren daarvan – nog steeds veel te weinig bekend is en ook steeds wordt weggedrukt uit de standaard (politieke) geschiedschrijving. De geschiedenis van de politieke emancipatie van vrouwen werd in de eerste plaats in huiskamers, dorpsherbergen, vergaderzalen en later ook op straat gemaakt, en niet in politiek Den Haag. De vrouwen die deze beweging droegen (en niet alleen Aletta Jacobs) verdienen het te worden herdacht.

Wie dat waren? Voor het grootste deel hard werkende vrouwen, onderwijzeressen en leraressen aan middelbare scholen voor meisjes, kweekscholen en een enkel gymnasium, bewaarschoolhoudsters, huishoudschooldocenten, zang- en pianoleraressen, verpleegsters, vrouwen in een zakelijk partnerschap met hun echtgenoten, (voormalige) naaisters en coupeuses, verzekeringsagentes, een enkele tandarts, apothekersassistenten en apothekeressen, boekhandelaarsters en uitgeefsters, winkeliersters, boerinnen, beeldend kunstenaressen, hoe dan ook, de meesten van hen vrouwen die werkten voor hun inkomen. Daarnaast waren vrouwen actief die als huisvrouw en moeder onbetaalde arbeid verrichtten of welgestelde ongehuwde en gescheiden vrouwen en weduwen, die naast hun huiselijke beslommeringen een zinvol bestaan hadden in wat wij nu vrijwillige maatschappelijke dienstverlening zouden noemen.

Dat is wat anders dan wat de socialistische karikatuur heeft gemaakt van de ‘kiesrechtdame’ die misschien wel mede door de scherpe en dieprode pen van Albert Hahn als een stereotype in het collectieve geheugen is ingedaald. Het laat zien dat de strijd om politieke representatie van vrouwen een niet te onderschatten pendant heeft in de strijd om de historische representatie. Kennelijk is die laatste strijd nog niet gewonnen.

Mineke Bosch is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met conservator geschiedenis van het Groninger Museum Egge Knol is ze verantwoordelijk voor de tentoonstelling Strijd! 100 jaar vrouwenkiesrecht die tijdens een speciale opening, 9 mei 2019, plaats zal bieden aan een grootse viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland