De verschrikkelijke wraak op de biograaf van Simon Vestdijk

De hellevaart van Hans Visser

Hans Visser werd in 1936 geboren in Leeu warden, waar hij zijn middelbareschool opleiding kreeg aan de HBS die Simon Vestdijk ruim dertig jaar eerder bezocht en had beschreven in zijn Anton-Wachterroman De andere school. (1949). Visser raakte geïnteresseerd in het werk van Vestdijk, een interesse die zich tijdens zijn studie chemie aan de TH in Delft verdiepte. Na Vestdijks overlijden in 1971 spitste Vissers interesse zich toe op de band tussen diens leven en werk. Hij was medeoprichter van een Vestdijkleeskring in Rotterdam en trad in 1972 toe tot de pas opgerichte landelijke Vestdijkkring. De uit liefhebberij begonnen naspeuringen naar de biografische achtergronden van de Amsterdamse Anton-Wachterromans groeiden uit tot een steeds stelselmatiger onderzoek naar de kinder-, school- en studentenjaren van Vestdijk. In zekere zin was het een voortzetting en verdieping van de documentaire studie Simon Vestdijk en Lahringen (1958) van Nol Gregoor, die Visser aanmoedigde en met raad en daad terzijde stond. Visser verzamelde een immense hoeveelheid documentatie, interviewde vele tientallen school- en studiegenoten, literaire vrienden en andere bekenden van de auteur, en publiceerde over «Anton Wachter en Amsterdam» in de Vestdijkkroniek.

Met de jaren breidde zijn onderzoeksgebied zich uit tot het hele oeuvre en leven van Vestdijk. De tijd drong: de mensen die Vestdijk nog hadden gekend, werden oud. Visser had aanvankelijk niet de pretentie een biografie te schrijven, maar het door hem verzamelde en gepubliceerde materiaal leidde tot de instelling van een biografiecommissie van de Vestdijkkring en resulteerde in 1981 op voorstel van Geertjan Lubberhuizen (directeur van De Bezige Bij, Vestdijks uitgever) in samenwerking tussen Visser en de Friese schrijver en Vestdijk kenner Anne Wadman. Ze werkten onder het toeziend oog van een begeleidingscommissie, bestaande uit Lubberhuizen, Vestdijks weduwe Mieke, prof. dr. Gerrit Borgers en Jean Brüll. Visser was geen ervaren schrijver en was zich daar terdege van bewust, zodat samenwerking met de ervaren Wadman een goede oplossing leek. Het proefhoofdstuk dat Wadman en Visser voorlegden aan de begeleidingscommissie werd echter verworpen door Mieke Vestdijk, die vond dat de auteurs niet tegen hun taak waren opgewassen. De weduwe zag van elke vorm van verdere samenwerking af.

Merkwaardig genoeg zijn van de andere commissieleden geen vehemente afwijzingen bekend. Gerrit Borgers sprong zelfs voor het biografenduo in de bres, maar het mocht niet baten. Wadman trok zich terug, De Bezige Bij haakte af en Visser bleef alleen over. De weduwe was onvermurwbaar en begon een campagne tegen Visser, die naar haar oordeel niet kon schrijven, de privacy van nog levende personen niet respecteerde en bovendien een troebele belangstelling voor Vestdijks seksleven aan de dag zou leggen. Ze mat zich een consequent neerbuigende en kwetsende toon aan wanneer de biograaf ter sprake kwam en dreigde gestaag met advocaten. Een verbod op inzage van de Vestdijkcollectie van het Letterkundig Museum was haar goed recht, evenals een verbod op de publicatie van ongepubliceerd werk. Een auteursrechtelijk verbod op de publicatie van citaten uit gepubliceerd werk was weliswaar legitiem, maar al wat bedenkelijker (wiens privacy zou hier worden geschaad?). Nog bedenkelijker waren de «contactverboden» die ze in de loop der jaren aan steeds meer vestdijkianen oplegde. Ze mochten hun bemoeienissen met Vestdijk en zijn oeuvre voortzetten mits… ze geen contact hadden met Hans Visser. Tot diens grote verbazing bleken velen zich nog aan dat verbod te houden ook. Treurig toppunt was de weigering van de Burgerlijke Stand van Vestdijks woonplaats Doorn om Visser adresgegevens ter hand te stellen, zulks omdat Vestdijks weduwe dat verboden had.

Maar ondanks de tegenwerking en zijn geïsoleerde positie onder de vestdijkianen werkte Visser door en vond hij een nieuwe uitgever: Kwadraat. Ditmaal werd een complete tekst aangeleverd die door Max Nord en Emanuel Overbeeke werd geredigeerd. Wat eigenlijk een mislukte editoriale haastklus zou moeten heten, werd «meneer Vissers hellevaart», zoals enkele belezen vestdijkianen olijk wisten op te merken. Nadat de eerste twee hoofdstukken in juni 1987 als voorproefje waren gepubliceerd onder de titel Kinderjaren verscheen Simon Vestdijk, een schrijversleven in november 1987. Het redigeerwerk had zich, vanwege de haast en de dreigementen van de weduwe, kennelijk vooral tot de auteursrechtelijke haken en ogen van citaten beperkt. Het slecht gecorrigeerde en geredigeerde werkstuk bood de weduwe en de critici ruime aanleiding om met de dikke turf de kachel aan te maken. Mevrouw Vestdijk overwoog een proces wegens smaad maar zag ervan af: «Dit ding is van zo’n niveau dat ik het beneden mijn waar digheid acht tot hetzelfde niveau af te dalen. Het is echt de moeite niet waard» (de Volks krant, 27 november 1987). Met opvallende gretigheid en vindingrijkheid waren veel critici bereid Visser alle schuld in de schoenen te schuiven.

Wim Hazeu, sedert enige jaren de officiële, dat wil zeggen door de weduwe goedgekeurde Vestdijkbiograaf, beweerde tegen een journalist van De Tijd dat hij Visser wilde doodschieten. Maar al voor die tijd was Visser het slachtoffer geworden van een literaire karaktermoord die zelfs na zijn dood lijkt door te gaan. De ontvangst van de Vestdijkbiografie eind 1987 zou een interessante case study voor de geschiedenis van de Nederlandse schrijvers biografie kunnen opleveren. Het genre stond in de kinderschoenen en werd met veel (literatuur)wetenschappelijke achterdocht bekeken. De sinds het tijdschrift Merlyn dominante autonomistische literatuuropvatting (het werk staat los van de maker) had geleid tot weinig tot geen belangstelling voor de relatie tussen leven en werk van de auteur. Bovendien werd juist Vestdijk door de merlinisten als de «objectieve» auteur bij uitstek beschouwd, «de vlees geworden onpersoonlijkheid», die als boegbeeld van een antipersonalistische literatuuropvatting werd neergezet in lange artikelen van de Merlyn-redacteuren Oversteegen («Vestdijk en de objectiviteit») en Kees Fens («Puriteinen en piraten, filosofen en sluipmoordenaars. Over het proza van Vestdijk»).

Binnen dit klimaat moest iemand die iets over de verhouding tussen leven en werk van een auteur te berde wilde brengen terdege op zijn hoede zijn. Daarnaast zorgde het gebrek aan vergelijkingsmateriaal van eigen bodem ervoor dat de lat voor de pionierende biograaf hoog lag. Alleen het allerbeste kon ermee door, en ruim 25 jaar en tientallen schrijversbiografieën later kunnen we zeggen dat dat allerbeste niet of slechts mondjesmaat verscheen. Maar er bestaat sinds 1990 een Werkgroep Biografie met halfjaarlijkse symposia en een driemaal per jaar verschijnend Biografie Bulletin en er werden heel verdienstelijke schrijversbiografieën gepubliceerd (of werd de kritiek ontvankelijker?). Het genre bloeide op en kon op veel goodwill rekenen bij uitgevers en lezers. Nooit vernam men nog dat een biograaf «niet tegen zijn taak is opgewassen» of dat hij of zij een troebele belangstelling voor het seksleven van zijn of haar studieobject aan de dag legt.

Hans Visser behoorde tot de pioniers en dat heeft hij geweten. Als «chemisch ingenieurtje» die de verwaten moed had gehad een biografie te schrijven van de duivelskunstenaar Simon Vestdijk, de grootste, veelzijdigste en productiefste Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw, was hij een makkelijke prooi voor recensenten. De Volkskrant organiseerde een volksgericht in afleveringen. Al op 5 juni 1987 had Willem Kuipers Kinderjaren weggehoond: Hans Visser was een «doe-het-zelver» die niet kon schrijven. Op 27 november schreef Cees Zoon onder de appetijtelijke titel «En de pannekoeken die ze aten waren niet goed gaar» een stuk tegen de «chemicus en speurneus dr. ir. Hans Visser», bijgenaamd «de anatoom-patholoog», die vanwege «zijn niet aflatende gegraaf en gespit in het verleden van Simon Vestdijk» zich «laag-bij-de-gronds» betoonde. Op 30 november was de beurt aan Kees Fens, die voor zijn doen ongewoon fel uithaalde naar de biografie, en vooral naar de biograaf (hoezo antipersonalistisch?), die «niet kan schrijven», «ieder inzicht in literatuur mist» en «een ordinaire bemoeial» was, «die geen discretie kent, omdat hij elk onderscheidingsvermogen mist». Fens besloot: «Hans Visser is chemicus. Het staat in elk vraaggesprek. Een heel mooi vak, in die pogingen tegenkrachten een synthese te laten aangaan, stoffen te organiseren. Maar als Visser zijn beroep had uitgeoefend op de wijze waarop hij de biografie van Vestdijk heeft geschreven, zijn laboratorium zou al lang geleden in de lucht zijn gevlogen.»

Behalve in min of meer directe schimpscheuten tegen de chemicus die zich met een grote schrijver durfde te bemoeien, grossierden de critici in citaten die moesten demonstreren dat Visser niet kon schrijven. Het is een beproefd procédé waartegen vrijwel geen boek bestand is en het was in het geval van een slecht gecorrigeerd en geredigeerd boek van ruim zevenhonderd bladzijden gemakkelijk scoren. Bovendien vielen de critici opmerkelijk vaak over dezelfde citaten. Maar vooral: wie de voorgeschiedenis van het boek kende — en vele critici kenden die op z’n minst in grote lijnen — wist dat het Visser zelf maar zeer ten dele te verwijten viel. Des te opmerkelijker was het daarom dat ze uitsluitend hem vanaf het begin alles verweten. Over Wadman, Nord en Overbeeke of over uitgeverij Kwadraat, die het boek absoluut op 16 november 1987 wilde presenteren en daar het redigeer- en correctiewerk zwaar onder liet lijden, geen (onvertogen) woord. Visser was chemicus en moest zich bij zijn laboratorium houden.

Andere veel genoemde feilen waren van wetenschappelijker aard: het boek was onvoldoende gedocumenteerd, Visser gebruikte romans als bronnen voor de biografie, de afbakening van eigen tekst en citaat was onduidelijk en Visser had «geen toegang tot het allergrootste deel van de correspondentie» (Fens). Onvoldoende gedocumenteerd was de biografie alleen waar het de opgave van bronnen betrof. Visser had zich uitgebreid gedocumenteerd en had wel degelijk toegang gehad tot het leeu wendeel van de correspondentie. Het probleem was dat de weduwe na de proefhoofdstukaffaire verboden had uit ongepubliceerd werk te citeren en evenmin toestond dat er vrijelijk uit gepubliceerd werk werd geciteerd. Daarom werd er, toen het boek inderhaast persklaar werd gemaakt, onder het toeziend oog van advocaten veel ingekort, samengevat en geparafraseerd, waarbij inderdaad de scheiding tussen citaat, parafrase en eigen tekst vervaagde.

Een hoofdstuksgewijze opsomming van de gebruikte bronnen was wellicht overzichtelijker geweest en had het aantal noten drastisch verminderd, maar onder de druk van de scherpe deadline kwam kennelijk niemand op dat idee. In hoeverre Visser romans als biografische bronnen gebruikte, is mede daardoor moeilijk na te gaan. Ook hier zijn de scheidslijnen tussen romancitaat, briefcitaat, parafrase en commentaar tijdens de bewerking van de tekst vervaagd. Het waren editoriale feilen die met name de Vestdijkkenners onder de critici — behalve Kees Fens onder anderen Tom van Deel (Trouw, 26 november 1987) en Rob Schouten (Vrij Nederland, 5 december 1987) — aangrepen om de betrouwbaarheid van de «feitenbiografie» in twijfel te trekken. Grappig eigenlijk: als ze zich wat meer in Vestdijks leven hadden verdiept, hadden ze van het meeste kunnen weten dat het waar was, maar in plaats van zich om de waarheid te bekommeren, grepen ze naar wetenschappelijke bezwaren tegen de gebrekkige bronvermelding om de betrouwbaarheid van de biografische feiten aan te tasten. Alsof Visser de mondelinge getuigenissen en de brieven van, aan en over Vestdijk uit zijn duim zoog!

In tegenstelling tot wat later in de schandaalkolommen van dag- en weekbladen als communis opinio over Visser en zijn biografie gold — en wat zich doorgaans tot het nakwaken van de weduwe beperkte — werd de biografie niet door alle recensenten gekraakt. Wam de Moor (De Tijd, 20 november 1987) en Hans Warren (Provinciale Zeeuwse Courant, 5 december 1987) kwamen tot aanzienlijk positievere eindoordelen, terwijl P.M. Reinders (NRC Handelsblad, 18 december 1987) op faire wijze zowel zijn bezwaren als zijn waardering uitsprak. Reinders was de enige criticus die rechtstreeks wees op de verantwoordelijkheid van de uitgever en de redacteuren Nord en Overbeeke, en concludeerde: «De onvolmaaktheden van deze biografie komen natuurlijk in de eerste plaats voor rekening van Visser. Maar niet voor honderd procent, en de uitgever gaat zeker niet vrijuit. Een behoorlijke uitgeverij in Engeland of Amerika zou een belangrijk boek als dit nooit op deze manier gepubliceerd hebben. Er zou een editor aan te pas gekomen zijn die de stijl verbeterd zou hebben, de verwijzingen gepreciseerd, de slordigheden gecorrigeerd en de onhandigheden weggewerkt. Pas als de Nederlandse uitgeverijen bereid zijn dit werk te doen en als ze daarbij de auteur de verplichting opleggen zich dat te laten welgevallen, kunnen ongelukken als deze voorkomen worden. Vissers boek is amateuristisch maar allerminst waardeloos. Wat het nodig heeft is een grondige herziening.» Problemen met uitgeverij Kwadraat zorgden ervoor dat het niet van een herziening kwam.

De onwelwillendheid tegenover Visser werd na de publicatie van de biografie een vaste factor in de berichtgeving over hem. Ook de publicatie van Brieven rondom de Vestdijk-biografie (1989), een keuze uit de correspondentie die Visser tijdens de voorbereiding en na publicatie van de biografie ontving van Vestdijkkenners en mensen die Vestdijk hadden gekend, verhielp daar niets aan. Zijn verdere leven bleef hij de zondebok, de bron van alle kwaad of de baarlijke duivel als de Vestdijkbiografie ter sprake kwam. Dat hij zich met niet-aflatende ijver en vol enthousiasme bleef inzetten voor de schrijversbiografie, Vestdijk, de Vestdijkkring en de Vestdijkkroniek, bleef doorgaans een goed bewaard geheim. Zelfs de necrologietjes bij zijn overlijden op 22 augustus 2001 herhaalden een kwart eeuw na dato nog altijd hetzelfde refrein. Arjan Peters (weer de Volkskrant) citeerde Kuipers («Een doe-het-zelver») en Fens («Een ordinaire bemoeial, die geen discretie kent») en meldde dat «de criticus en journalist» Max Nord niet had kunnen voorkomen dat in de in 1987 gepubliceerde biografie «Vissers stilistische onvermogen schril aan het licht kwam».

De laatste jaren van zijn leven werkte Visser intensief aan de herziening van zijn biografie, getiteld Een schrijver die schept uit het gemis. Hij was zelf niet tevreden over de gepubliceerde versie, waarvan hij de drukproeven niet eens had gezien. De terechte kritiek had hij zich ter harte genomen. Hij herstelde de citaten in ere en herschreef grote delen met behulp van nieuw verzamelde informatie, hoewel hij wist dat vooral het gebruik van de citaten op grote weerstand zou stuiten bij de weduwe. Hij hield er rekening mee dat mevrouw Vestdijk haar advocaten weer zou inschakelen en kreeg gelijk. Een interview over het project in De Groene Amsterdammer (6 januari 2001) was genoeg en wekte de woede van de weduwe en haar getrouwen. Toch werkte hij de laatste maanden die hij nog te leven had door, in de overtuiging dat onafhankelijkheid van levensbelang is voor een biograaf. Dat de herziene versie van Vissers biografie ooit verschijnt, is zeer te hopen. Maar dan in de zorgvuldig geredigeerde vorm die Reinders schetste. Als het aan de weduwe Vestdijk ligt, gebeurt dat natuurlijk nooit. Daarmee blijft een belangrijke informatiebron over het leven van Vestdijk gesloten. Dat zou de nieuwe biograaf en de getrouwen van de weduwe tot diep nadenken moeten stemmen. Hans Warren schreef het al in zijn recensie van de tot nu toe enige Vestdijkbiografie: «Het ingrijpen van mevrouw Vestdijk was bedenkelijk. Wanneer een schrijver zijn persoonlijke mythe schept is dat literaire geschiedenis, wanneer zijn erfgenamen een mythe in stand trachten te houden wordt dat licht literaire geschiedvervalsing.»