De hemel in de regenplassen

Waterstudies heet de derde dichtbundel van K. Michel. Een op het eerste oog wat saaie titel, die eerder associaties oproept met de droom van onze sympathiek onnozele kroonprins dan met de droom van een dichter. Ook vergeleken met de titels van K. Michels eerdere bundels, Ja! Naakt als de stenen (1989) en Boem de nacht (1994, bekroond met de Herman Gorterprijs), steekt Waterstudies er qua aanstekelijke uitbundigheid nogal schril bij af. Alsof K. Michel rustiger aan is gaan doen, meer zijn kalmte probeert te bewaren om steeds opnieuw (want aan studeren komt geen einde), om steeds opnieuw het leven, dat als water is, te kunnen bestuderen.

Maar is Waterstudies echt zo anders dan zijn eerdere bundels? De gedichten in Waterstudies zijn over het geheel genomen inderdaad minder expliciet en luidruchtig, meer ingetogen en bezonken, meer geconcentreerd. Bepaalde motieven die in zijn eerste bundels van belang waren, spelen nu nauwelijks nog een rol. De naïeve brutaliteit uit zijn debuut bijvoorbeeld, waarin de verbazing gepaard gaat met een vrolijke afkeer van de grote boze wereld der volwassenen. Ook het informatiebombardement op zijn zintuigen lijkt de dichter te boven zijn gekomen. En anders dan in Boem de nacht gaat het in Waterstudies minder om de verwevenheid van droomachtige taferelen met de alledaagse werkelijkheid. Maar dit zijn slechts accentverschuivingen. K. Michel heeft zijn eigen, unieke toon van grillige maar beheerste lichtvoetigheid lang geleden al gevonden. En dat geldt, meen ik, ook voor zijn ‘denkwereld’. Zo legde K. Michel in zijn debuut reeds, in de mond van een opstandige leerling 'In de academie’, deze woorden: 'De verschijning is qualitate qua het wezen/ En het innerlijk is omgekeerd het lichaam.’ Dit besef dat er niets schuilgaat achter de dingen, viel samen met een houding tegenover de taal die heen en weer schommelt tussen een vorm van nominalisme ('De namen zijn ambtenaren’) en een geloof aan de taal als adem, als datgene wat de wereld blootlegt. Deze ambivalentie komt terug in de sterkste gedichten in Waterstudies. Zo staat in het gedicht 'Vers twee’: 'tohoe wa bohoe, tohoe wa bohoe// als je het hardop herhaalt/ zie je landschappen zich ontvouwen/ (…) Vijf loeizware lettergrepen/ met meer gewicht dan alle elementen tezamen/ tohoe wa bohoe, de aarde woest en ledig/ in de Hebreeuwse tekst van Genesis een vers twee.’ De namen als adem (al komt in dit geval de adem adem te kort om 'het begin voor het begin’ te ontsluiten voor de 'buitenwijkverbeelding’ van de dichter). Even verderop lijkt K. Michel zich juist, vanuit een andere, meer theoretische invalshoek weliswaar, te keren tegen elke suggestie van transcendentie: 'Want ze spelen vals die watvragen/ ze veronderstellen stiekem dat het dat/ van het wat waarnaar zij vragen/ ook daadwerkelijk bestaat// Het zijn vragen die rusteloos over de aarde zwerven/ wrokkige verslaafden aan hun eigen gemis/ die net als de zombies en de halfdoden/ de levenden teisteren met hun honger.’ En, Tsjechov citerend: 'een wortel is een wortel, meer weet niemand ervan.’ De verschijning is het wezen. Maar, en dat is volgens mij waar het K. Michel in zijn poëzie om te doen is, deze anti-metafysische houding ontdoet de wereld niet van haar wonderbaarlijkheid; integendeel, wanneer men zijn energie niet verspilt aan een zich blindstaren op het achterliggende maar de tijd neemt en zijn blik nauwgezet richt op de (alledaagse) fysieke realiteit, dan blijkt deze wonderbaarlijker dan we durfden dromen. Wat K. Michel onder andere bewijst in 'Konvooi op drift’: 'Een konvooi van felgekleurde speelgoedbeesten/ koerst op de Ierse en Britse kusten af/ Drie jaar geleden zijn ze in een storm overboord geslagen/ Sindsdien doorkruisen ze de wereldzeeën/ (…) Door de beestenboel op drift te volgen/hopen de oceanografen hun computermodellen/ voor het zeegedrag te kunnen verfijnen.’ In het gedicht 'Geval driehonderdacht’, over een toevallig voor de ogen van de dichter opgedoken brief uit 1909 van de opgenomen, psychotische, anonieme Emma Hauck aan haar man, blijkt het dreigende, afgrondelijke zelfs van een wereld als verschijning. Een brief als een 'dicht struikgewas’, razend volgekrast met 'Herzensschatzi komm’. Maar vooralsnog overheerst in K. Michels poëzie de lichtvoetige verwondering. Zoals in het prachtige 'Het magerebrugwonder’: 'De eerste twee boten passeerden vlot/ maar de derde was een diep geladen aak/ die zo traag naderde dat (cadeau Karin/ pasta, room, boontjes, loodgieter bellen).’ Als de aak plotseling opdoemt, ziet de dichter (als enige?) dat deze gevuld is met water dat uit het ruim haast ongemerkt over de boorden stroomt. 'Boven de wachtende mensen/ is de moeheid van de werkdag uitgegroeid/ tot een bijna zichtbare tros tekstballonnen// Verwikkeld in gedachten en beslommeringen/ zien we niet dat uit de aak/ al het water van de Amstel opwelt/ Incognito drijft de bron van de rivier voorbij.’ In Waterstudies staat slechts één zwak gedicht ('Ja en nee’, niet toevallig een gelegenheidsgedicht), maar dat is verwaarloosbaar. K. Michel toont ons, in achteloze en tegelijk uiterst precieze, klinkende taal, de raadselachtigheid van het leven. Vooralsnog laat deze raadselachtigheid zich nauwelijks zien van haar verbijsterende, afgrondelijke kant - maar wie zou zoiets durven betreuren? Waterstudies is wonderschoon.