Indianen in het Amazonegebied bedreigd

De hemel is een tentdoek

De indianen in het Amazonegebied hebben nog steeds veel te verduren: op vele manieren wordt hun cultuur ondermijnd. Michel Pellanders en Marion Hoekveld bezochten verscheidene indianen volkeren in het Braziliaanse oerwoud.

«Dat er nog indianen bestaan vind ik eigenlijk al verbazingwekkend», zegt Michel Pellanders, de balans opmakend van alle agressie die de indianen in het Amazone gebied te verduren hebben. Samen met Marion Hoekveld, beeldend kunstenaar en schrijfster, verbleef fotograaf Michel Pellanders driemaal een jaar in het Amazonegebied, waar ze een groot aantal indianenvolkeren bezochten. In 1992 publiceerden ze een (foto)boek over hun bevindingen, dat als ledengeschenk van de Novib in een grote oplage de wereld in ging. Nu, acht jaar later, ziet een nieuw boek het licht, Awí! Amazone indianen, dat niet alleen foto’s en tekst bevat maar ook tekeningen die de indianen zelf maakten.

Het gigantische oerwoud in Brazilië kent een groot aantal indianenvolken, «die net zoveel van elkaar verschillen als Japanners van ons», aldus Pellanders. Er zijn nu nog zo'n 210 volkeren, die in totaal 280.000 mensen omvatten, die 170 talen spreken. Op de kaart van het Amazonegebied vormen de volkeren slechts kleine spatjes, maar ondanks de uitgestrektheid van het gebied vinden er onophoudelijk botsingen plaats tussen blanken en indianen. Goud, olie, diamant en hout maken het gebied aanlokkelijk voor goudzoekers en hout kappers, in de praktijk lieden van het laagste allooi die zich met geweld een weg banen.

Dat de overheid een halfslachtige houding aanneemt blijkt onder meer uit de incidenten in de jaren negentig met de Yanomami in het noorden, een van de grootse indianenpopulaties in Brazilië. In 1992 werd hun gebied gedemarqueerd, wat betekent dat hun wettelijke grenzen werden vastgesteld. Kort daarop trokken duizenden goudzoekers het land binnen, waarop de regering de actie Vrij Oerwoud startte. Een deel van de goudzoekers verdween, maar de confrontaties en moordpartijen gingen gewoon door. In 1996 vond opnieuw een invasie van enkele duizenden goudzoekers plaats, ditmaal gedoogd door de (nieuwe) autoriteiten.

Voor de doorsnee Braziliaan is het lot van de indianen een «ver van mijn bed-show». «Wij hadden een kennis in São Paulo die ons sterk afraadde het oerwoud in te trekken», zegt Marion Hoekveld. «De indianen worden door de Brazilianen als wilden beschouwd. Dat beeld komt zelfs in de schoolboekjes terug.» Hoekveld en Pellanders lieten zich niet uit het veld slaan. Nadat zij tijdens een reis door Mexico begin jaren tachtig interesse voor de indianen hadden opgevat, was de drang om zelf op onderzoek uit te gaan alleen maar hardnekkiger geworden. «Ik wilde die cultuur leren kennen», zegt Hoekveld eenvoudig op mijn vraag waar ze zo door gefascineerd werd. «De kracht van indianen vind ik heel bijzonder en ik wilde weten waar die vandaan komt.»

Enig doorzettingsvermogen was vereist. Vanuit Nederland bleek het onmogelijk officieel toestemming te krijgen de indianen te bezoeken. Hoekveld en Pellanders besloten op de bonnefooi naar het gebied te reizen en ter plaatse contact te leggen met verantwoordelijke autoriteiten. Via medewerkers van de Funai (de Nationale Stichting voor de Indiaan), missionarissen en westerse antropologen lukte het hen de bureaucratische obstakels te omzeilen. Vervolgens brak de tocht door het oerwoud aan, een vrijwel onbegaanbaar gebied dat uitsluitend te voet en per boot doorkruist kan worden. Hoekveld: «Het kost zoveel moeite om die volken te bereiken dat je, als je eenmaal arriveert, voor alles openstaat.»

Bij sommige indianenvolken verbleven ze een week, bij andere zes weken. Sommige bezochten ze eenmaal, andere driemaal. In alle gevallen was de ontvangst allerhartelijkst — anders dan je zou verwachten na de blanke gewelddadigheden. Hoekveld legt uit: «Bij alle volken zijn wel een paar blanken aanwezig: een antropoloog, een missionaris, vaak een verpleegster. Vandaar dat er meestal ook een beetje Portugees gesproken wordt. Onze komst werd bovendien voorbereid en we kregen dan een eigen plaats aangewezen. Vaak werd je ondergebracht bij een paar indianen die alleen waren. Daar vormde je dan een familie mee. We sliepen en aten met hen.

Het is de kunst om zoveel mogelijk aan het dagelijks leven deel te nemen. Dus als er ergens buiten het dorp een dier was geschoten, gingen wij mee om dat op te halen. Bij de Yanomami werd ik heel duidelijk opgenomen in de vrouwengemeenschap en Michel door de mannen. Ik ging dan mee om te baden in de rivier. Het trucje was om je een eind mee te laten drijven op het snelstromende water en dan weer terug te zwemmen. Toen ik dat eenmaal onder de knie had klonk er groot gejuich. Je krijgt een inkijkje in die gemeenschap, want er spelen natuurlijk ook verliefdheden en zo.»

Pellanders had het minder makkelijk: «‹Ben jij wel een echte man?› zeiden ze tegen mij, omdat ik niet kon jagen, niet vissen, noem maar op. ‹Wat ziet Marion eigenlijk in jou?› Maar ze waren bereid mij alles te leren, zodat ik dat mooi kon fotograferen.»

Opvallend is de mateloze nieuwsgierigheid van de indianen. Niet alleen naar de blanken, ook naar elkaar. Zo voeren antropologen een videoproject uit waarbij ze een film over het ene volk laten zien aan het andere — vergezeld van de opdracht nu zelf een film over het eigen volk te maken. «Dat vinden ze razend interessant», vertelt Pellanders. «Er ontstaat grote hilariteit, bijvoorbeeld over een sieraad dat bij het andere volk door het oor gedragen wordt, terwijl zijzelf een stokje door de neus hebben.» Ook Hoekveld en Pellanders werd het hemd van het lijf gevraagd. «Ik heb mijn hele leven niet zo veel gepraat als bij de Yanomami», verzucht Hoekveld. «Ze wilden alles weten. Waar plastic vandaan komt. Wat olie is. Je kunt het zo gek niet verzinnen.» Bovendien zijn de meeste indianen niet gespeend van humor. «Op een gegeven moment werd ik echt uitgedaagd», herinnert Pellanders zich. «Er was een aap klaargemaakt en ze gaven mij het geroosterde handje. Om te kijken of ik het zou opeten. Dikke pret.»

Uit het boek Awí! Amazone indianen wordt echter ook duidelijk dat de indianen er een heel ander wereldbeeld op nahouden, wat de communicatie niet eenvoudiger maakt. Dat varieert van mythen waaruit spreekt dat de aarde een platte schijf is en de hemel een soort tentdoek dat door vlinders wordt vastgehouden, tot aan het ontbreken van tellen. Hoekveld: «Als je iemand bijvoorbeeld vroeg hoeveel kinderen hij had, werden alle kinderen bij elkaar geroepen en ter plekke aangewezen: Pietje, Klaasje, Jantje enzovoort. Op één hand tellen gaat nog net, maar alles boven de tien is ‹veel›.» Pellanders vervolgt: «Als we ergens naartoe gingen, vroeg ik wel eens: ‹Is het ver?› Een zinloze vraag, want ‹ver› kan bij hen tien minuten of vier dagen lopen zijn. Ik keek dan maar hoeveel bagage ze ongeveer inpakten en besloot dan wel of niet mijn hangmat mee te nemen.»

In de «gewone» wereld zijn zulke abstracties weinig bruikbaar en daarom proberen de medewerkers van de Funai de indianen te leren tellen, zodat ze spullen kunnen verkopen. In plaats van de huidige levendige ruilhandel zouden de indianen ook geld moeten gaan gebruiken. «Maar wat is de waarde van iets?» vraagt Hoekveld retorisch. Desondanks stelt ze dat het belangrijk is dat de indianen leren «te dealen» met de invloeden van buitenaf. Hoewel sommige indianen zeer vaardig zijn in het contact met de blanken en hun eisen klip en klaar bij de Funai bekend maken, hebben andere volken — waaronder de 53 indianenvolken die nog altijd geen contact met de blanken hebben gehad! — geen idee wat er in de buitenwereld omgaat.

Hoekveld en Pellanders kwamen heel dicht bij de indianen door veel tijd uit te trekken en zich zoveel mogelijk te voegen naar hun gewoonten. Dat blijkt niet alleen uit de foto’s van Pellanders waarop de indianen ontspannen poseren en zich laten fotograferen tijdens de jacht, religieuze rituelen of het bereiden van voedsel. Het tweetal heeft de indianen ook gevraagd om tekeningen te maken en zo iets van hun innerlijke wereld uit te drukken. Dit verzoek werd over het algemeen met enthousiasme ontvangen, hoewel sommige indianen nog nooit een pen hadden vastgehouden.

Plezier, trots en ongedwongenheid stralen van de foto’s, maar de werkelijkheid is minder idyllisch. Het contact met de blanken is voor veel gemeenschappen desastreus geweest. In de eerste plaats door de overdracht van ziekten als griep, malaria of mazelen die hele volken bijna weggevaagd hebben. Hoekveld: «Het eerste contact met blanken heeft sommige volken gedecimeerd. Zoals een groep van tachtig mensen waarvan er binnen een paar maanden nog maar veertig over waren. Dat is erg ontwrichtend. Opeens zijn alle oude mensen, inclusief leiders en sjamanen, weg. Er is geen structuur meer en zo'n groep dreigt uiteen te vallen.»

Daarnaast is de agressie van de goudzoekers en houthakkers verwoestend. Hoekveld en Pellanders vertellen dat een kennis van hen niet samen met de twee Nederlanders gezien wilde worden uit angst voor represailles. «Zelf moesten we ook onderduiken», zegt Pellanders. «Vreemde pottenkijkers waren niet gewenst.» Wapens, alcohol en geslachtsziekten hebben veel ellende onder de indianen gebracht. Minstens even schrijnend is het verhaal over het indianendorp dat werd ingeschakeld bij de houtkap en in ruil daarvoor cocaïne kreeg. Binnen de kortste keren was het hele dorp, inclusief de kinderen, verslaafd.

Maar ook onschuldiger vormen van inmenging ondermijnen de traditionele cultuur. «De indianen hebben een sterke orale traditie», zegt Hoekveld. «Avondenlang wordt er verteld en iedereen doet daaraan mee. Nu zie je dat de kinderen zich sneller vervelen en liever een computerspelletje gaan doen op de laptop van de missionaris. En doordat kinderen veel sneller Portugees leren dan ouderen en dus vaak het contact met de buitenwereld onderhouden, veranderen plotseling de verhoudingen binnen een gemeenschap.»

En dan zijn er de ontwikkelingsprojecten die hun doel totaal voorbij schieten. Hoekveld haalt in haar boek uit naar de Bodyshop, die in 1996 over de hoofden van de Kayapó-indianen geld in eigen zak stak. «Dat speelde toen», zegt Hoekveld. «Inmiddels heeft de Bodyshop zich uit het gebied teruggetrokken en ik weet niet of dergelijke incidenten zich elders nog voordoen.» Werd de Bodyshop van niets minder dan oplichting beschuldigd, ook doen zich veel goedbedoelde stommiteiten voor. Pellanders vertelt over het dorp dat een tractor kreeg: «Een prachtig ding. Maar op een goede dag was de olie op. Toen besloten ze er zand in te gooien, omdat dat ook zo'n probaat middel was gebleken toen de banden van hun fietsen lek waren geraakt. Die tractor heeft natuurlijk geen meter meer gereden. Een ander dorp kreeg een paar koeien met de opdracht die binnen een omheining te verzorgen. Op een gegeven moment hadden ze zo'n honger dat ze er een hebben opgegeten. Toen er een doodging, hebben ze die begraven, omdat dat zo hoort. Een andere hebben ze losgelaten in het oerwoud omdat het dier zo zielig opgesloten zat. Je ziet dat zulke projecten op geen enkele manier doordacht zijn. Ze houden geen rekening met de denkwereld van de indianen.»

Op alle mogelijke manieren wordt de indianencultuur ondermijnd. Want dan hebben we het nog niet over de introductie door de goudzoekers van geweren, kogels en vishaakjes, waardoor binnen de kortste keren de traditionele manier van jagen en vissen wordt vervangen. Sommige volken zijn tegen zoveel destructiefs niet opgewassen, andere passen zich op den duur weer aan. Hoekveld: «Wij zijn in een dorp geweest waar de indianen de ene dag in keurige gewaden de katholieke mis stonden te zingen en de volgende dag naakt een traditioneel ritueel uitvoerden. Als ze maar genoeg tijd krijgen, kunnen ze die westerse invloeden wel een plaats in hun eigen wereldbeeld geven. Of een volk overleeft, hangt af van de structuur van de gemeenschap — niet zozeer van de grootte van een volk. Hoe hechter de groep georganiseerd is, des te sterker de gewoonten, de rituelen, de tradities en de hiërarchie, en des te groter de weerbaarheid in het contact met de blanken.»

Michel Pellanders en Marion Hoekveld, Awí Amazone indianen. Uitg. Mets en Schilt, 175 blz., ƒ65,-

Expositie van de foto’s en tekeningen in de Kunsthal te Rotterdam, tot en met 10 december.